RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48570
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 27 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Met het besluit van 26 maart 2026 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Ook heeft de minister daarbij het standpunt ingenomen dat hij geen aanleiding ziet om de proceskosten in beroep te vergoeden.
Op 26 maart 2026 heeft eiser aangegeven dat hij van mening is dat de minister de proceskosten dient te vergoeden. Op 1 april 2026 heeft eiser de rechtbank verzocht om uitspraak te doen.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep tegen het bestreden besluit
2. Eiser voert aan dat hij als gevolg van het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag en het feit dat hij al lang moet wachten in een schrijnende psychische situatie is beland. Hierdoor is eiser in zijn belangen geschaad. Eiser is van mening dat de minister de asielaanvraag dient in te willigen en de proceskosten dient te vergoeden, in het bijzonder nu de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden.
3. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken. Niet is gebleken dat eiser belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk. De gronden die eiser heeft aangevoerd tegen de intrekking van het besluit zullen dan ook niet worden besproken, nu de minister opnieuw dient te beslissen op de asielaanvraag van eiser.
De proceskosten
4. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van de Awb - in de proceskosten veroordelen.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de minister medegedeeld dat hij het besluit van 10 september 2025 intrekt, omdat in beroep is gebleken van nieuwe omstandigheden. Die veranderde omstandigheid is gelegen in het onlangs afgekondigde besluit- en
vertrekmoratorium ten aanzien van Iran.
De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in dit geval geen sprake is. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat het bestreden besluit is ingetrokken vanwege een veranderde omstandigheid, namelijk de ontwikkelingen en huidige omstandigheden in Iran.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bestaat er dus geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling daarom af.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een hogerberoepschrift sturen naar Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.