RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , verzoekster,
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.46733
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: H.Q. van der Zaan).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft een beroep ingediend, omdat de minister naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 14 april 20251 niet binnen tien weken opnieuw heeft beslist op de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de aanvraag).
Op 30 oktober 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster haar beroep ingetrokken. Zij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op het verzoek gereageerd en aangegeven de proceskosten te willen vergoeden.
Overwegingen
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.3
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:8095.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De minister heeft immers alsnog een besluit op de aanvraag van verzoekster genomen.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Het door de minister aangeboden bedrag is gebaseerd op het Bpb zoals dat gold in 2025, maar het Bpb is inmiddels gewijzigd. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 januari 2026
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.