RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49677
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 2003 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 5 januari 2024 asiel aangevraagd.
2. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. De familie van eiser heeft problemen met een gewapende groepering in Irak. De oma en een oom van eiser zijn vermoord door deze groepering. Daarnaast is op een andere oom van eiser een aanslag gepleegd en werd eisers vader bedreigd. Eiser heeft samen met zijn familie acht jaar lang ondergedoken gezeten. Eiser vreest bij terugkeer voor de groepering. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer omdat hij een homoseksuele gerichtheid heeft.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser acht verweerder geloofwaardig. De problemen met de groepering en de seksuele gerichtheid van eiser acht verweerder niet geloofwaardig.
4. Eiser voert daarop het volgende aan. Hij heeft een arrestatiebevel overgelegd, wat onderbouwt dat zijn vader wordt gezocht door de Iraakse overheid. Ten onrechte heeft verweerder overwogen dat op het arrestatiebevel niet de naam van de vader van eiser staat vermeld. Ten aanzien van het onderzoek van Bureau Documenten naar het arrestatiebevel verzoekt eiser aan verweerder om kenbaar te maken met welke arrestatiebevelen Bureau Documenten het stuk heeft vergeleken. Voorts is de door eiser overgelegde brief van zijn vader ten onrechte door verweerder afgedaan als subjectief. Deze brief ondersteunt het relaas van eiser. Daarnaast meent eiser dat in zijn geval de beantwoording van de door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, gestelde prejudiciële vragen over de geloofwaardigheidsbeoordeling afgewacht moeten worden.
Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het doen van aangifte van de bedreigingen. Verweerder had eiser met deze verklaringen moeten confronteren tijdens het gehoor, maar dat is niet gebeurd. Ook zijn de verklaringen volgens eiser niet inhoudelijk tegenstrijdig en is geen sprake van tegenstrijdigheden met de verklaringen van het zusje van eiser. Verder heeft verweerder ten onrechte eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft bij de beoordeling hiervan onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser nooit eerder heeft gepraat over zijn seksuele gerichtheid en dat het vanwege zijn culturele en religieuze achtergrond voor hem moeilijk is om over dit onderwerp te vertellen. Eiser heeft bovendien, anders dan verweerder meent, niet oppervlakkig, summier en inconsistent verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Tot slot wijst eiser op de verslechterde algemene veiligheidssituatie in Irak, die volgens eiser een 15a-situatie oplevert. Er kan dan ook (feitelijk) geen toepassing worden gegeven aan het terugkeerbesluit. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar diverse nieuwsartikelen en reisadviezen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Problemen met groepering
5. Verweerder heeft niet ten onrechte de problemen met de groepering ongeloofwaardig geacht. Daartoe is het volgende redengevend.
6. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over de aangiften die zouden zijn gedaan. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat meerdere keren aangifte is gedaan en dat de politie had aangegeven naar de zaak te kijken, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat de aangiften nooit daadwerkelijk zijn opgenomen. Dat eiser met deze tegenstrijdigheid niet tijdens het gehoor is geconfronteerd, maakt niet dat verweerder dit niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat uit artikel 16 van de Procedurerichtlijn niet volgt dat verweerder de vreemdeling alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee de vreemdeling al tijdens het nader gehoor is geconfronteerd.
7. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat de relazen van eiser en zijn zusje op hoofdlijnen niet overeenkomen. Zo heeft verweerder terecht overwogen dat eiser en zijn zusje verschillend hebben verklaard over de oorzaak van de dood van hun oma, de (pogingen tot) ontvoering, en het onderduiken. De uitleg die eiser geeft aan deze verklaringen heeft verweerder niet hoeven volgen. Ten aanzien van de stelling dat het zusje van eiser haar verklaring over de oorzaak van de dood van haar oma heeft willen corrigeren maar dat dit niet is gebeurd, wordt overwogen dat dit voor haar risico komt. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser tijdens zijn gehoor heeft verklaard dat zijn vader het doelwit was van ontvoeringen en dat dit niet strookt met de verklaring van het zusje van eiser dat de groepering juist haarzelf, haar broer en haar zussen probeerde te ontvoeren. Verweerder heeft zich daarnaast terecht op het standpunt gesteld dat de stelling van eiser in beroep dat zijn verklaringen niet uitsluiten dat het gezin binnen dezelfde plaats steeds is verhuisd tijdens de periode dat zij ondergedoken zaten, geenszins uit zijn verklaringen tijdens het nader gehoor volgt.
8. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser zijn relaas ook niet heeft aannemelijk heeft gemaakt met de door hem overgelegde stukken. De brief van de vader van eiser heeft verweerder terecht als verklaring van een niet objectief verifieerbare bron aangemerkt. Verweerder heeft er dan ook niet de waarde aan hoeven hechten die eiser daaraan wenst te hechten. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het arrestatiebevel eisers relaas niet onderbouwt, omdat Bureau Documenten na onderzoek heeft geconcludeerd dat dit document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. In de vraag van eiser naar het gebruikte referentiemateriaal ziet de rechtbank geen concreet aanknopingspunt om aan de juistheid of zorgvuldigheid van de conclusie van Bureau Documenten te twijfelen. In de verklaring van onderzoek hoeft niet te worden opgenomen welk referentiemateriaal is gebruikt. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond af te wachten en de zaak aan te houden. De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat verweerder het asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft in voldoende mate een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt.
Seksuele gerichtheid
10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat onvoldoende rekenschap is gegeven van zijn referentiekader. Verweerder heeft in het voornemen benoemd dat eiser komt uit een maatschappij waarin homoseksuele gevoelens niet geaccepteerd worden. Ook heeft verweerder benoemd dat eiser 19 jaar oud was ten tijde van zijn eerste relatie. Verweerder heeft daarbij ook aangegeven dat van eiser meer dan slechts algemene verklaringen worden verwacht, nu hij de ontwikkeling van de relatie bewust heeft meegemaakt. Tijdens het gehoor is eiser meermaals gevraagd om meer uitleg en toelichting te geven, waarbij verweerder de (vervolg)vragen aan heeft laten sluiten bij de verklaringen van eiser. Eiser heeft in beroep voorts niet concreet toegelicht op welke punten verweerder tijdens de besluitvorming onvoldoende rekening zou hebben gehouden met eisers referentiekader en wat verweerder daarin anders had moeten doen.
11. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser onvoldoende inzicht heeft geboden in hoe het voor hem was om anders te zijn binnen een maatschappij en cultuur die homoseksualiteit niet accepteert en hoe eiser zijn seksuele gerichtheid heeft kunnen accepteren in het licht van zijn religie. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser summier heeft verklaard over de relatie die hij had met zijn eerste vriend in Turkije. Het in beroep herhalen van de verklaringen die eiser tijdens het nader gehoor heeft afgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet consistent heeft verklaard over wanneer hij erachter kwam dat hij homoseksuele gevoelens had. Weliswaar zijn deze wisselende verklaringen niet als zodanig met eiser besproken tijdens het gehoor, maar dat leidt er niet toe dat verweerder de wisselende verklaringen niet mocht tegenwerpen. De rechtbank verwijst hierbij naar wat zij onder 6 heeft overwogen over eisers tegenstrijdige verklaringen. Eiser heeft bovendien niet toegelicht wat de oorzaak is van zijn wisselende verklaringen en wat hij gezegd zou hebben als hij hierover tijdens het nader gehoor wel zou zijn bevraagd.
12. De twee door eiser overgelegde foto’s en de enkele stelling van eiser dat hij contact heeft met het COC zijn onvoldoende voor een ander oordeel.
Algemene veiligheidssituatie in Irak
13. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de huidige veiligheidssituatie in Irak leidt tot een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft in het geheel niet geconcretiseerd waarom hij bij terugkeer te vrezen heeft voor de doodstraf of executie. Voor zover eiser bedoeld heeft aan te voeren dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, wordt overwogen dat ook daarvan niet is gebleken. De diverse reisadviezen waar eiser naar heeft verwezen, zijn daartoe onvoldoende. Deze zijn immers niet opgesteld voor de beoordeling van asielaanvragen. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat uit de nieuwsberichten waar eiser naar heeft verwezen niet kan worden afgeleid dat sprake is van een algemeen risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, maar dat veelal sprake is van gerichte aanvallen op onder andere Amerikaanse doelen. Hieruit volgt dan ook niet dat sprake is van een 15c-situatie in Irak.
14. Ten aanzien van de feitelijke uitvoerbaarheid van het terugkeerbesluit heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een tijdelijk beletsel. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat er geen andere mogelijkheden zijn voor eiser dan per vliegtuig om naar Irak terug te keren.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 april 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.