RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39233
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
Procesverloop
Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 13 augustus 2025 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op een zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Bengalese nationaliteit te hebben.
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Bangladesh heeft verlaten omdat hij werd afgeperst en bedreigd door leden van de Awami League, omdat eiser aanhanger is van de ‘Bangladesh Nationalist Party’ (BNP). Ook is er een valse aangifte tegen eiser ingediend.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser aanhanger is en lid van de BNP. Ook gelooft verweerder niet dat eiser als gevolg daarvan de gestelde problemen heeft ondervonden. Eiser heeft zijn lidmaatschap onvoldoende met documenten onderbouwd en zijn verklaringen daarover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser onvoldoende kennis van de BNP en verklaart hij vaag en algemeen over zijn activiteiten voor de partij. Daarnaast is eiser op legale wijze Bangladesh uitgereisd. Verweerder wijst er ten overvloede op dat sinds het vertrek van eiser uit Bangladesh het politieke bewind is gewijzigd, als gevolg waarvan er weinig tot geen risico meer bestaat voor aanhangers van de BNP. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Eiser verklaart namelijk wisselend over het achterlaten van zijn originele paspoort in Gambia.
De beroepsgronden
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Eiser stelt dat verweerder in de besluitvorming geen overwegingen heeft gewijd aan het referentiekader van eiser. Uit de Werkinstructie 2024/6 volgt dat het referentiekader expliciet betrokken moet worden. Eiser meent dat hij gelet op zijn referentiekader voldoende heeft verteld over de BNP en zijn interesse en activiteiten voor deze partij. Wat eiser heeft verteld over de afpersing en bedreigingen is in lijn met het beeld dat bekend is in Bangladesh. Dat eiser op legale wijze is uitgereisd, kan niet aan hem worden tegengeworpen. Tot slot heeft verweerder eisers asielaanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond en is het opleggen van een inreisverbod disproportioneel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Geloofwaardigheid betrokkenheid bij BNP
5. Er is geen wettelijke basis voor het standpunt dat verweerder in zijn besluit moet vermelden wat het referentiekader van eiser is. Evenmin kan dat worden afgeleid uit verweerders eigen gedragslijn, neergelegd in Werkinstructie 2024/6. Wel staat in deze werkinstructie dat verweerder in de besluitvorming rekening houdt met het referentiekader. Eiser stelt dat verweerder in onvoldoende mate zijn opleidingsniveau, achtergrond en leefomgeving heeft betrokken bij zijn beoordeling van het relaas van eiser. Dit verwijt kan geen doel treffen. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat hij lange tijd actief was voor de BNP en dat hij lid was van die partij vanaf 2016 of 2017. Gelet daarop mocht verweerder tegenwerpen dat eiser niet kon vertellen waar de afkorting BNP voor stond en dat hij niet kon uitleggen wat de ideologie was van deze partij. Ook heeft verweerder het bevreemdend kunnen achten dat eiser ondanks zijn gestelde jarenlange betrokkenheid bij de BNP maar heel summier kon verklaren over zijn beweegredenen om aanhanger te worden van de BNP en om deel te nemen aan demonstraties van deze partij. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser niet wist te vertellen wat of wie er op de posters stond die eiser zelf zegt te hebben opgehangen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat eiser een middelbare schoolopleiding heeft voltooid en daarna korte tijd een voortgezette opleiding heeft gevolgd. Anders dan eiser heeft gesteld, kan zijn opleidingsniveau geen geldige reden zijn voor eisers gebrekkige en summiere verklaringen over de BNP. De andere door eiser genoemde factoren (achtergrond en leefomgeving) zijn te algemeen om tot een andere beoordeling te komen van eisers relaas over de BNP. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geconcludeerd dat eisers verklaringen over zijn betrokkenheid bij de BNP niet geloofwaardig zijn.
Geloofwaardigheid gestelde problemen vanwege betrokkenheid bij BNP.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom hij de gestelde problemen van eiser vanwege zijn betrokkenheid bij de BNP ongeloofwaardig acht. Zo heeft verweerder uiteengezet dat het verband tussen een valse aangifte tegen eiser en diens lidmaatschap van de BNP niet aannemelijk is gemaakt. Ook is erop gewezen dat eiser wisselend heeft verklaard over het aantal keren dat hem is gevraagd van partij te veranderen. Verder is terecht tegengeworpen dat eiser pas drie jaar na de gestelde problemen zijn land legaal per vliegtuig heeft verlaten, ondanks zijn stelling dat hij gezocht werd door de autoriteiten van Bangladesh. Eiser heeft geen bevredigende verklaring kunnen geven voor het feit dat eiser legaal is uitgereisd ondanks de gestelde jarenlange negatieve aandacht van de autoriteiten. De ter zitting gemaakte opmerking dat de uitreisadministratie niet waterdicht is, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan eiser heeft aangevoerd, hoefden de door eiser overgelegde stukken niet te leiden tot een andere beoordeling bij verweerder. Verweerder heeft die stukken met eiser besproken in een aanvullend nader gehoor en in het bestreden besluit een beredeneerd en begrijpelijk standpunt daarover ingenomen. Eiser heeft dat standpunt in beroep niet weerlegd.
Afwijzing als kennelijk ongegrond en inreisverbod.
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet wisselend heeft verklaard over het achterlaten van zijn originele paspoort in Gambia. Hij heeft verschillende antwoorden gegeven op verschillende vragen (waar is het originele paspoort achtergelaten, en bij wie is het paspoort achtergelaten). Uit de stukken blijkt dat eiser eerst heeft verklaard dat hij zijn identificerende documenten, waaronder zijn paspoort, in Bangladesh heeft achtergelaten. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij zijn (Bengalese) paspoort heeft gebruikt bij zijn vertrek uit Bangladesh en dat hij dat paspoort in Gambia heeft achtergelaten omdat de geldigheidsduur was verlopen. Dat zijn wisselende verklaringen. Bovendien kon verweerder tegenwerpen dat eiser opzettelijk zijn paspoort in Gambia heeft achtergelaten, omdat hij zonder geldig visum niet met een Bengalees paspoort naar Brazilië kon reizen en wel met het door hem gebruikte vervalste Indonesisch paspoort. Dit alles leidt tot de conclusie dat verweerder eisers aanvraag niet ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
8. Eiser acht het uitvaardigen van een inreisverbod disproportioneel omdat hij participeert in de Nederlandse samenleving en hier werk heeft. Ter zitting is nader toegelicht dat eiser als asielzoeker werkt in de keuken van een restaurant. Uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw volgt dat verweerder bevoegd is om een inreisverbod op te leggen als een asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. In artikel 66a, achtste lid, van de Vw is bepaald dat verweerder om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. De door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden hoefden voor verweerder geen aanleiding te zijn om toepassing te geven aan die bepaling.
Slotsom.
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond en terecht tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een (1) week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.