Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/22
zaak- /rekestnummer: C/09/701475 / KG RK 26-471
Beslissing van 13 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. R.W. van den Hoek te Leiden,
strekkende tot de wraking van
mr. M.F. Baaij,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Op 12 maart 2026 heeft verzoeker een mondeling wrakingsverzoek gedaan tijdens een mondelinge behandeling in de zaak met nummer C/09/699003 / FA RK 26-1135 tussen verzoeker en [tegenpartij in de hoofdzaak] (hierna: de hoofdzaak). Dit wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn opgenomen in een proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak.
De rechter heeft op 24 maart 2026 schriftelijke gereageerd op het wrakingsverzoek.
Op 30 maart 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de advocaat van verzoeker mr. van den Hoek;
- de rechter;
- de advocaat van de wederpartij in de hoofdzaak, mr. E.M. Kooij, als toehoorder.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de hoofdzaak. De hoofdzaak betreft het verzoek van verzoeker voor uitbreiding van de omgangsregeling met zijn dochter [naam] . Op 12 maart 2026 vond daarover de behandeling ter zitting met gesloten deuren plaats.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Volgens verzoeker is de rechter van aanvang af vooringenomen hetgeen blijkt uit:
het feit dat de rechter stelt dat zij blij is met de brief van [naam] en deze zonder meer voor waar aanneemt;
het feit dat de rechter aan verzoeker heeft gevraagd of hij gelet op hetgeen in het verweerschrift is gesteld wel volledig is geweest bij het indienen van het verzoek, terwijl verzoeker het advies van Veilig Thuis heeft overgelegd;
het feit dat de rechter aan verzoeker vraagt of hij het verzoek zoals het er ligt handhaaft;
de rechter suggereert dat verzoeker nog andere stukken had kunnen overleggen dan dat hij heeft gedaan.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit het feit dat de rechter op zitting heeft gezegd dat dat zij de brief van [naam] een mooie brief vindt, geen schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid. De rechter heeft zich daarmee niet uitgelaten over de inhoud van de brief.
Voorts overweegt de wrakingskamer dat het tot de taak van de rechter behoort om ter zitting (kritische) vragen te stellen aan de aanwezige partijen. De rechter heeft ter zitting bij de wrakingskamer uitgelegd dat zij had verwacht dat verzoeker in het verzoekschrift al nader zou zijn ingegaan op de relevante voorgeschiedenis en op het verslag van Veilig Thuis, omdat zij dit van belang achtte voor de beoordeling van het verzoek. Daarover heeft ze kritische vragen gesteld aan de advocaat van verzoeker. Daarin ziet de wrakingskamer evenwel geen reden om de schijn van vooringenomenheid aan te nemen.
De klachten van verzoeker betreffen in wezen de manier waarop hij door de rechter is bejegend. De wrakingskamer begrijpt dat dit extra gevoelig ligt in zaken zoals deze waarin het gaat over de omgang met een kind, maar voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoeker kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a van zijn advocaat;
• de wederpartij in de hoofdzaak p/a van haar advocaat;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. D.E. Alink, A.M. Boogers en E.A.W. Schippers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Badermann en in het openbaar uitgesproken op
13 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.