Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/27
zaak- /rekestnummer: C/09/702969 / KG RK 26-626
Beslissing van 15 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
de volledige bestuursrechtbank,
hierna te noemen: de gewraakte rechters.
1. Het wrakingsverzoek
Het schriftelijke wrakingsverzoek is gedaan op 8 april 2026 in de zaak met nummer SGR 25/4723 (hierna: de hoofdzaak). Op 13 april 2026 is nog een aanvullend bericht van verzoeker binnengekomen.
Verzoeker heeft, voor zover van belang, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
“Uw Rechtbank volgt al sinds 2010 Blindelings het onrechtmatige verweer van de Belastingdienst. dat alle werknemers in Nederland. aansprakelijk zijn voor de uitgekeerde uitkeringen door verzekeringsmaatschappijen UWV en ASR. derhalve onrechtmatig niet de veroorzakende werkgever [bedrijf] .
mede op grond weigeren Pre judiciele vragen voor te leggen aan de Hoge Raad Der Nederlanden over ingevoegde arresten 1983 en 2022. alsmede weigeren hierop fatsoenlijk te reflecteren . wordt
uw Bestuursechtbank Volledig terecht gewraakt. !
met inachtneming dat uw rechtbank niet de toegewezen bestuursrechter doorgaf. Wenst Eiser
[verzoeker] Mondelinge zitting van een onafhankelijke Wrakingskamer in Nederland niet uw
Wrakingskamer.
Waarvan de partijdigheid bij voorbaat al vast staat.”
In het op 13 april 2026 ingekomen bericht staat het volgende:
“Op grond bewezen partijdigheid Rechtbank Den Haag vanaf 2010. heeft Eiser [verzoeker] terecht verzocht om Wraking door andere Wrakingskamer te behandelen.
Ter voorkomen Slager die eigen vlees Keurt!.”
2. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Verzoeker heeft verzocht om zijn wrakingsverzoek te laten behandelen door een andere wrakingskamer dan de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag om te voorkomen dat ‘de slager zijn eigen vlees keurt’.
Naar de wrakingskamer hieruit begrijpt is verzoeker van mening dat sprake is van een gegronde vrees voor partijdigheid omdat de rechters van de wrakingskamer werkzaam zijn in hetzelfde gerecht als de gewraakte rechters.
Zowel de wettelijke bepalingen ten aanzien van wraking als het Wrakingsprotocol van de rechtbank Den Haag bepalen dat wraking van een rechter wordt beoordeeld door rechters uit datzelfde gerecht. De enkele omstandigheid dat deze rechters afkomstig zijn van hetzelfde gerecht als de gewraakte rechters is, zonder nadere toelichting, daarom onvoldoende om het vermoeden te wettigen dat deze rechters ten aanzien van het door hen te behandelen wrakingsverzoek niet onpartijdig of onafhankelijk zijn. Aan het verzoek om het wrakingsverzoek ter behandeling door te verwijzen naar een wrakingskamer van een ander gerecht zal dan ook worden voorbij gegaan.
Uit het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer verder af dat het verzoek tot wraking betrekking heeft op alle rechters van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Den Haag (‘de volledige bestuursrechtbank’).
Uit de wet volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten en omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker niet concreet uiteen gezet welke rechter hij wraakt. Bovendien betreft hetgeen hij in zijn wrakingsverzoek aanvoert slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van iedere rechter van de afdeling bestuursrecht of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor in de hoofdzaak kan afleiden, ontbreken. Daarom is het verzoek tot wraking van alle rechters van de afdeling bestuursrecht niet toewijsbaar.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de teamvoorzitter van de afdeling belastingrecht.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.