ECLI:NL:RBDHA:2026:9329

ECLI:NL:RBDHA:2026:9329

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer NL26.15142 NL26.15392
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroepen tegen tkb/irv en mvb – beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.15142 en NL26.15392

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en inreisverbod op grond van artikel 66a van de Vw opgelegd.

Bij besluit van 6 maart 2026 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van

bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van

schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tribak. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op 30 maart 2026 heropend en de minister om nadere inlichtingen gevraagd. Nadat de minister de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt en eiser hierop heeft gereageerd, hebben partijen ingestemd met verdere afdoening van deze zaak buiten zitting.

De rechtbank heeft het onderzoek op 2 april 2026 gesloten en partijen meegedeeld binnen zeven dagen uitspraak te doen.

Overwegingen

Bestreden besluit 1

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.

Beginsel van non-refoulement

2. Eiser stelt dat het terugkeerbesluit in strijd is met het arrest Ararat van 17 april 2024. Uit dit arrest volgt dat uit een terugkeerbesluit moet blijken dat de minister in dit besluit heeft getoetst aan het verbod op refoulement. Eiser is van mening dat dit in het bestreden besluit niet het geval is. Zo blijkt uit een gehoor van 17 juli 2023 dat eiser heeft verklaard dat hij wordt vermoord als hij terugkeert naar Marokko. Dit gehoor is opgenomen in het digitale dossier, de minister had hier dus kennis van en had dit nader moeten onderzoeken. Door dit na te laten is sprake van een motiveringsgebrek.

3. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gehoor van 17 juli 2023 waar eiser naar verwijst en waarin hij heeft verklaard over zijn vrees voor terugkeer naar Marokko, heeft geruime tijd geleden plaatsgevonden. Inmiddels heeft eiser zijn op 1 maart 2026 ingediende herhaalde asielaanvraag op 5 maart 2026 ingetrokken, waaruit kan worden afgeleid dat eiser niet langer vreest om terug te keren naar Marokko. Verder heeft de minister in de maatregel van bewaring verwezen naar de zienswijze van eiser van 6 maart 2026 op het voornemen om hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod op te leggen, waarin eiser heeft verklaard dat hij heel graag terug wil keren naar Marokko en dat zijn ouders nog leven en hij ze echt heel graag wil zien. In het licht van deze verklaring en de omstandigheid dat eiser één dag eerder zijn herhaalde asielaanvraag heeft ingetrokken, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven te zien om nader onderzoek te doen naar concrete aanwijzingen waaruit kan blijken of het beginsel van non-refoulement de terugkeer van eiser naar Marokko in de weg staat. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 EVRM

4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte niets heeft overwogen over zijn ex-vriendin in het licht van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de oplegging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod sprake van een zorgvuldige voorbereiding en is daarin voldoende rekening gehouden met de situatie van eiser. Bij de motivering van het terugkeerbesluit en het inreisverbod heeft de minister betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij graag terug wil naar Marokko omdat hij zijn ouders heel graag wil zien. Met betrekking tot zijn ex-vriendin overweegt de rechtbank dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het terugkeerbesluit en inreisverbod heeft verklaard dat hij is, dan wel was, gehuwd met een vrouw die woont in [plaats 1] , terwijl eiser ook heeft verklaard zelf in [plaats 2] te wonen en een relatie te hebben gekregen met een andere vrouw. De genoemde ex-vriendin heeft twee kinderen van 21 en 26 jaar oud, waarvan eiser niet de biologische vader is. De minister heeft in het vorenstaande daarom naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om op grond van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM af te zien van het opleggen van een inreisverbod of om eiser een vertrektermijn te gunnen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bestreden besluit 2

Overbrenging politiecel

6. Eiser heeft op 5 maart 2026 zijn asielaanvraag van 1 maart 2026 ingetrokken. Op 6 maart 2026 is eiser daarom naar het Politie Cellen Complex (PCC) in [plaats 2] vervoerd vanwege de omzetting van de maatregel. Eiser heeft aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat hij binnen 24 uur weer is teruggebracht naar het detentiecentrum [plaats 3] . Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 mei 2024.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat er door de hulpofficier van justitie op 5 maart 2026 een “Lichtingsverzoek inbewaringgestelde vreemdeling” is gedaan. In dit verzoek is verzocht om eiser op 6 maart 2026 om 9.00 uur te lichten en om hem op 6 maart 2026 om 17.00 weer terug te laten keren naar het detentiecentrum. Bij brief van 31 maart 2026 heeft de minister verklaard dat de regievoerder van DTenV hem heeft laten weten dat eiser op 6 maart 2026 om 20.57 uur weer is geregistreerd in het detentiecentrum. Eiser heeft zich bij bericht van 31 maart 2026 op het standpunt gesteld dat, indien eiser vóór 7 maart 2026 om 14.41 uur het PCC in [plaats 2] heeft verlaten, geen strijd is met de genoemde Afdelingsuitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door de minister verstrekte, en door eiser niet bestreden informatie dat eiser binnen 24 uur na aankomst in het PCC te [plaats 2] weer is teruggekeerd naar het detentiecentrum [plaats 3] , waardoor geen sprake is van een termijnoverschrijding voor wat betreft de tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel in een daartoe niet aangewezen instelling. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. Eiser betwist de lichte grond onder 4c. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b, 3c, 3f en de lichte gronden onder 4a en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken.

Beginsel van non-refoulement

10. Eiser stelt dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen zijn uitzetting naar Marokko. De minister had naar aanleiding van eisers gehoor van 17 juli 2023 zijn gestelde vrees voor terugkeer naar Marokko beter moeten onderzoeken. In dat gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Marokko, omdat hij dan wordt vermoord omdat hij heel veel informatie heeft over een maffiabende die in drugs handelt en die is gevormd door de politie.

11. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft in de maatregel overwogen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt dat hij zal worden onderworpen aan de doodstraf, aan foltering of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, en dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen zijn uitzetting naar Marokko moet worden afgezien van de uitzetting van eiser. Eiser heeft tijdens zijn gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling, verklaard dat hij graag terug wil naar Marokko om zijn ouders te zien. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser zijn herhaalde asielaanvraag op 5 maart 2026 heeft ingetrokken. De stelling van de gemachtigde van eiser ter zitting dat hij twijfelt of eiser wist wat hij deed bij het intrekken van zijn asielaanvraag geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu eiser in de gehoren van 6 maart 2026 meerdere malen heeft verklaard dat hij graag terug wil naar Marokko, wat hij ter zitting heeft herhaald. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

12. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij een vaste verblijfplaats heeft. Hij huurt namelijk een kamer in [locatie] in [plaats 2] . Verder heeft eiser verklaard dat hij terug wil naar zijn ouders in Marokko. Gelet op het vorenstaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een meldplicht.

13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Zo heeft de minister in zijn motivering verwezen naar de niet betwiste gronden van de maatregel, waaruit blijkt dat er een risico bestaat op het onttrekken aan het toezicht. Verder heeft de minister bij deze motivering de gezondheidstoestand van eiser op 1 maart 2026 betrokken, en ook dat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn ex-vriendin dan wel haar kinderen. De stelling dat eiser beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, is niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

14. Eiser merkt op dat in het dossier een kopie van een verlopen paspoort zit. Echter ontbreekt de aanvraag van een laissez-passer (lp) aan de Marokkaanse autoriteiten.

15. Voor zover eiser deze omstandigheden aanvoert in het kader van de voortvarendheid ten aanzien van de uitzetting van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Op 10 maart 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin werd gesproken over zijn terugkeer naar Marokko. Op 17 maart 2026 is een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten, locatie Utrecht. Bij deze aanvraag is een kopie van het verlopen paspoort van eiser meegezonden. Deze handelingen zijn voldoende om te oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

16. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de

rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het

onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

17. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

08 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?