ECLI:NL:RBDHA:2026:9390

ECLI:NL:RBDHA:2026:9390

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer C/09/675467 / FA RK 24-8064
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Volgt

Uitspraak

Beschikking op het op 11 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. T. Kocabas in Zoetermeer.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D. Abd Rabou in Hoofddorp.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:

Op 11 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- subsidiair: een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht.

De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt zij zelfstandig en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

De vader heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Op de zitting heeft de moeder aanvullend verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar vast te stellen.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Aangezien de vader, de moeder en [minderjarige] de Poolse nationaliteit bezitten, moet eerst de vraag worden beantwoord welke rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen en welk recht op het verzoek van toepassing is. Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Aangezien [minderjarige] haar gewone verblijfplaats bij de moeder in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Artikel 16 eerste lid van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 bepaalt dat het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit, wordt beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Uit de geboorteakte volgt dat [minderjarige] in Nederland, te weten in [geboorteplaats] , is geboren. De rechtbank stelt dan ook vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is. De vraag wie van rechtswege het gezag over [minderjarige] heeft, wordt daarom beheerst door Nederlands recht.

Omdat de ouders van [minderjarige] ten tijde van haar geboorte niet waren getrouwd en geen aantekening hebben laten maken van het gezamenlijk gezag, stelt de rechtbank vast dat de moeder op grond van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege het eenhoofdig gezag uitoefent over [minderjarige] .

Gezag

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Inhoudelijke beoordeling

De vader wil graag mede met het gezag over [minderjarige] worden belast. Op de zitting is gebleken dat de moeder zich niet tegen het gezamenlijk gezag verzet en ook wil dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] zullen uitoefenen. De rechtbank zal de vader mede met het gezag over [minderjarige] belasten, nu zij het in het belang van [minderjarige] acht dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen.

Hoofdverblijfplaats

Wettelijk kader

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van het kind.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder heeft op de zitting het verzoek gedaan om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vast te stellen. Dit verzoek is met de vader op de zitting besproken, en hij heeft met dit verzoek ingestemd. Nu niet gebleken is dat het belang van [minderjarige] zich tegen toewijzing verzet, zal de rechtbank – gelet op de bereikte overeenstemming tussen de ouders – het verzoek van de moeder toewijzen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen in de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of op verzoek van een van hen een regeling vast inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).

Inhoudelijke beoordeling

Op de zitting is gebleken dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling. De ouders zijn een zorgregeling overeengekomen, inhoudende dat [minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de moeder. Daarnaast zullen de vader en [minderjarige] iedere dinsdag en woensdag op een moment tussen 17.00 uur en 19.00 uur met elkaar videobellen.

Verder hebben de ouders ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders een verdeling van de vakantie- en feestdagen bepalen – zoals vastgesteld in het dictum – waarbij [minderjarige] ongeveer de helft van de tijd bij de vader dan wel de moeder zal zijn.

De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenstemming beslissen en het meer of anders verzochte afwijzen. De rechtbank spreekt haar complimenten uit naar de ouders dat zij in het belang van [minderjarige] hebben kunnen denken en het daarmee gelukt is om samen duidelijke afspraken te maken.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum vaststellen.

De moeder stelt dat 1 april 2025 de ingangsdatum van de kinderalimentatie moet zijn, nu de vader sindsdien gestopt is met het betalen van de (vrijwillige) bijdrage van € 250,- per maand. De vader is het daar niet mee eens. De afgelopen periode heeft hij voor zover dat financieel mogelijk was, geprobeerd bij te dragen in de kosten van [minderjarige] . Het is dan ook onredelijk om de kinderalimentatie in te laten gaan met terugwerkende kracht. Volgens de vader moet aansluiting gezocht worden bij de datum van de beschikking.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 eerste lid BW volgt dat de wetgever de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechtbank echter terughoudend omgaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. De rechtbank overweegt dat de vader vanaf de datum van indiening van het zelfstandig verzoek tot kinderalimentatie rekening kon houden met een te betalen bedrag aan kinderalimentatie gelijk aan het bedrag dat daarin door de moeder is verzocht. De rechtbank acht het daarom redelijk om deze datum, te weten 29 december 2025, te hanteren als ingangsdatum voor de kinderalimentatie.

Behoefte van [minderjarige]

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2023-II, en overweegt daartoe als volgt. Tussen de ouders bestaat discussie over het exacte moment wanneer zij uit elkaar zijn gegaan en of van de inkomens in/tot en met 2022 of 2023 moet worden uitgegaan. De vader stelt dat het moment van feitelijk uiteengaan in augustus 2023, halverwege het jaar, was en dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde gegevens tot 2022, terwijl de moeder stelt dat de ouders in november 2023 uit elkaar zijn gegaan zodat met het inkomen in 2023 moet worden gerekend. Uit het uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat de vader zich in december 2023 heeft uitgeschreven van het adres van de echtelijke woning. De rechtbank zal hierbij aansluiting zoeken en uitgaan van de inkomensgegevens tot en met 2023.

Tussen de ouders is verder in geschil van welk inkomen bij de vader moet worden uitgegaan. De moeder stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming van € 49.316,- in 2023, nu een stijging in de winst uit onderneming ten opzichte van de voorgaande jaren te zien is en deze ontwikkeling zich tot op heden heeft doorgezet en het kind van partijen geleefd heeft volgens de toegenomen financiële welstand. De vader voert verweer. Hij stelt dat moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2020 tot en met 2022, nu de vader de woning in augustus 2023 zou hebben verlaten. Gelet op de stijgende lijn van de afgelopen jaren in de winst uit onderneming, waarvan het gezin heeft geleefd, ziet de rechtbank geen reden om uit te gaan van een lager jaarlijks gemiddelde en daarom zal de rechtbank rekening houden met een winst uit onderneming van € 49.316,- in 2023.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Uitgaande van de bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.300,- per maand.

Aan de zijde van de moeder zal de rechtbank rekening houden met een inkomen van € 12.797,- in 2023, zoals volgt uit de verklaring geregistreerd inkomen van 2023.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Uitgaande van de bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 1.066,- per maand.

Gelet op het bovenstaande bedraagt het NBGI van de ouders (3.300 + 1.066 =) € 4.366,- per maand. Op basis van dit NBGI hebben de ouders recht op een kindgebonden budget van € 96,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Het NBGI van de ouders bedraagt dus (3.300 + 1.066 + 96 =) € 4.462,- per maand. Dit gegeven levert op basis van de tabel een behoefte op van € 624,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 706,- per maand.

Draagkracht

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De rechtbank volgt daarbij het Rapport Alimentatienormen, waaruit volgt dat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tussen partijen moet worden verdeeld naar rato van hun draagkracht. Het bedrag aan draagkracht in 2025 wordt vastgesteld aan de hand van de formule: 70% (NBI – (0,3 x NBI + € 1.310).

Draagkracht van de moeder

Tussen de ouders is de draagkracht van de moeder in geschil.

De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder haar volledige verdiencapaciteit moet benutten. Zij heeft een nieuwe partner en samen zorgen zij voor [minderjarige] . De moeder is hierdoor in staat om meer dan 24 uur per week te werken als huishoudelijke hulp. De vader heeft daarom het uurloon van de moeder doorgetrokken naar een volledige werkweek van 40 uur, vermeerderd met vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering. Dit leidt tot een jaarsalaris van € 38.370,-. De moeder voert verweer. De moeder betwist dat het mogelijk is om 40 uur per week te werken omdat de moeder doordeweeks de zorg draagt voor [minderjarige] . Hoewel de moeder inderdaad een nieuwe partner heeft, is het de verantwoordelijkheid van de ouders van [minderjarige] om voor haar te zorgen. De moeder werkt tijdens de schooltijden van [minderjarige] zodat zij daarna [minderjarige] kan brengen naar vriendjes, (medische) afspraken of sporten. Bovendien is de moeder afhankelijk van haar werkgever en het aantal cliënten waar zij kan schoonmaken waardoor het niet mogelijk is om ‘zomaar’ om extra uren te vragen. Ze is van mening dat moet worden uitgegaan van het cumulatief bedrag van € 23.730,- aan salaris conform de loonstrook van december 2025, nu zij nog niet in bezit is van de jaaropgave 2025.

De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de vader, en zal rekening houden met een jaarsalaris van € 23.730,- in 2025, zoals volgt uit de cumulatieve bedragen op de loonstrook van december 2025. De rechtbank houdt daarnaast rekening met een WGA-premie van € 42,- per jaar. De rechtbank overweegt hiertoe nu de moeder al 24 uur per week werkt, verdeeld over de dagen maandag tot en met vrijdag, totdat [minderjarige] uit school komt. Verder draagt zij doordeweeks alle zorg voor [minderjarige] en brengt haar naar alle (na)schoolse activiteiten en afspraken.

De rechtbank houdt rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Tussen de ouders is in geschil of bij de bepaling van de draagkracht van de moeder moet worden uitgegaan van het forfaitair woonbudget van 30%, een halvering hiervan of de werkelijke woonlasten van de moeder. De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder samenwoont met haar nieuwe partner die bijdraagt in de woonlasten. Gelet daarop moet het woonbudget gehalveerd worden naar 15%. De moeder voert verweer. Ze heeft nu ongeveer zes maanden een relatie met haar nieuwe partner, maar die heeft ook nog zijn eigen woonruimte en daarmee eigen woonlasten.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat gerekend wordt met het woonlastenforfait. De rechtbank is niet op de hoogte van de (werkelijke) woonlasten van de moeder. Doordat het standpunt ten aanzien van halvering van het forfaitair woonbudget door de vader pas is ingenomen op de zitting, heeft de moeder haar woonlasten niet kunnen onderbouwen met stukken. Daarnaast overweegt de rechtbank dat – zoals hierna blijkt – er geen sprake is van een tekort aan draagkracht. De rechtbank zal daarom rekening houden met het forfaitair woonbudget van 30% van het NBI van de moeder.

Gelet op de ingangsdatum, zoals hierboven is overwogen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2025-II.

Aan de hand van deze uitgangspunten is het huidige NBI van de moeder € 2.466,- per maand. De draagkracht van de moeder is € 291,- per maand.

Draagkracht van de vader

Bij de berekening van de draagkracht van de vader, zal de rechtbank houden met een gemiddelde winst uit onderneming van € 48.440,- van de jaren 2023 tot en met 2025, nu de ouders het hierover eens zijn.

Tussen de ouders is wel in geschil of rekening moet worden gehouden met de aflossing van de Belastingschuld van het jaar 2023 van totaal € 9.510,-. De vader stelt dat hij gemiddeld € 493,- per maand aflost op deze schuld. Verder blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 dat wederom een aanslag volgt van € 9.427,- en voor 2025 wordt een aanslag verwacht van ongeveer € 8.000,-. De moeder stelt dat hier geen rekening mee moet worden gehouden, nu het gaat om een vermijdbare en verwijtbare schuld. Daarnaast zou de vader al bijna klaar zijn met het aflossen van de schuld uit 2023 en zijn over de andere jaren geen bewijzen overgelegd.

De rechtbank zal geen rekening houden met de aflossing van de Belastingschuld, en overweegt daartoe als volgt. Het is aan de vader om als ondernemer ieder jaar rekening te houden met de belasting die hij verschuldigd is over de belastbare winst uit onderneming uit zijn eenmanszaak en hiervoor dus geld te reserveren. Daarnaast heeft de vader alleen overschrijvingen naar de Belastingdienst in het geding gebracht, maar blijkt daaruit niet waarvoor deze in omvang wisselende bedragen worden overgemaakt. Ook is er geen bewijs van bijvoorbeeld een betalingsregeling overgelegd.

De rechtbank houdt verder rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

Aan de hand van deze uitgangspunten is het huidige NBI van de vader € 3.292,- per maand. De draagkracht van de vader is € 696,- per maand.

Zorgkorting

Gelet op de uitgangspunten van het Rapport Alimentatienormen en de hierboven door de ouders overeengekomen zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen, wordt een zorgkorting van 25% gehanteerd. De behoefte van [minderjarige] bedraagt € 706,- per maand, zodat de zorgkorting (0,25 x 706 =) € 176,- per maand bedraagt.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (291 + 696 =) € 987,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de moeder: 291 / 987 x 706 = 208

het eigen aandeel van de vader: 696 / 987 x 706 = 498

samen 706

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt dus een gedeelte van € 208,- per maand voor rekening van de moeder en een gedeelte van € 498,- per maand voor de vader.

Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde zorgkorting van € 176,- per maand, moet de vader een kinderalimentatie betalen van (498 – 176 =) € 322,- per maand.

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de vader met ingang van 29 december 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 322,- per maand aan de moeder moet voldoen.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 337,- per maand. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering

Aanhechten beschikking

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de behoefte en draagkracht van de ouders. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;

*

bepaalt dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;

*

bepaalt dat [minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de vader zal zijn, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt naar de moeder;

*

bepaalt dat er elke dinsdag en woensdag op een moment tussen 17.00 uur en 19.00 uur een videobelmoment tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden;

*

bepaalt dat de vakanties en feestdagen als volgt verdeeld worden:

*

bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 29 december 2025 te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] op € 322,- per maand, en met ingang van 1 januari 2026 op € 337,- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?