uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J. Vetzo).
Samenvatting
In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat verweerder de asielvergunning van eiser mocht intrekken en eisers aanvraag tot verlenging van die vergunning mocht afwijzen, omdat hij tijdens zijn asielprocedure heeft achtergehouden dat hij in verband kan worden gebracht met terroristische misdrijven. Ook oordeelt de rechtbank dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar Syrië, dat er een zwaar inreisverbod en een signalering tegen hem mocht worden uitgevaardigd, omdat eiser een actuele bedreiging voor de openbare orde is, en dat geen sprake is van strijd met het recht op familie- en privéleven.
Inleiding
In het besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2 april 2019, eisers aanvraag tot verlenging van deze vergunning afgewezen, en tegen eiser een terugkeerbesluit alsmede een inreisverbod en een signalering voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft de beroepsgronden aangevuld en verweerder heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] , Saoedi-Arabië, en op anderhalfjarige leeftijd als staatloze Palestijn verhuisd naar [plaats] , Syrië.
2. Op 2 april 2019 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Op 4 juni 2020 is hij door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat zijn situatie als Palestijnse vluchteling in Syrië verder verslechterde door de oorlog, dat hij geen familie meer heeft in Syrië, en dat hij geen medische zorg kon vinden voor zijn zoontje die vanwege een bomaanslag een beenamputatie heeft ondergaan toen hij negen maanden oud was.
3. In het besluit van 11 juni 2020 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, geldig tot 2 april 2024, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit betekent dat eiser is aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951.
4. Op 21 november 2022 heeft eiser het Nederlanderschap aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen en eisers bezwaar daartegen is ongegrond verklaard vanwege het vermoeden dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is op 22 mei 2024 door de rechtbank Oost-Brabant ongegrond verklaard. Op 14 maart 2024 heeft eiser een aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
5. In het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6444, is eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest vanwege deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS) in de periode van 5 juni 2016 tot en met 1 april 2019. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
6. Vervolgens heeft verweerder op 23 december 2024 het voornemen geuit om eisers asielvergunning met terugwerkende kracht in te trekken, eisers verlengingsaanvraag af te wijzen en eiser voor de duur van twintig jaren te signaleren in het Nederlandse systeem Executie & Signalering (E&S) en het Europese Schengeninformatiesysteem (SIS). Op 20 februari 2025 heeft eiser zijn zienswijze gegeven. Op 3 maart 2025 heeft verweerder zijn voornemen omgezet in een besluit. Op 20 maart 2025 is het besluit van 3 maart 2025 echter door verweerder ingetrokken omdat eiser nog moest worden gehoord. Op 14 mei 2025 is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze mondeling aan verweerder toe te lichten. Hierna zijn een aanvullende zienswijze van 11 juni 2025, een aanvullend voornemen van 24 juli 2025 en een aanvullende zienswijze van 22 augustus 2025 gevolgd.
Standpunten
7. In het bestreden besluit overweegt verweerder dat eiser tijdens zijn asielprocedure heeft verklaard dat hij nooit betrokken is geweest bij de strijdende partijen in Syrië, terwijl uit het strafvonnis van 28 juni 2024 is gebleken dat hij van 5 juni 2016 tot en met 1 april 2019 in Syrië heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Aldus heeft eiser volgens verweerder onjuiste gegevens verstrekt, dan wel gegevens achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de asielaanvraag hadden geleid. Ook volgt hieruit volgens verweerder dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en de nationale veiligheid aangezien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951. Daarom heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 2 april 2019, en eisers aanvraag tot verlenging van die vergunning afgewezen, op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
8. Mede gelet op de regimewisseling die op 8 december 2024 in Syrië heeft plaatsgevonden, loopt eiser bij terugkeer naar Syrië volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarom heeft verweerder in het bestreden besluit tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw heeft verweerder daarbij aan eiser een vertrektermijn onthouden.
9. Omdat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving, heeft verweerder verder tegen eiser een inreisverbod en een signalering in E&S en SIS voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd. Het inreisverbod baseert verweerder op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De signaleringen baseert verweerder op artikel 24 van de Verordening (EU) 2018/1861.
10. Als laatste overweegt verweerder in het bestreden besluit dat er weliswaar een inmenging plaatsvindt in eisers familieleven en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar dat het belang van de openbare orde en de nationale veiligheid zwaarder weegt.
11. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder niet bevoegd is om zijn verblijfsvergunning in te trekken zolang er geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling. Het hoger beroep tegen het strafvonnis loopt nog. Zolang de uitkomst daarvan niet bekend is, kan niet worden gesteld dat sprake is van het achterhouden van relevante gegevens of van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951. Eiser verwijst hierbij naar artikel 14 van de Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), artikel 3.105d van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 6 juli 2013 in de zaak XXX tegen België, ECLI:EU:C:2023:542.
12. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat niet kan worden gesteld dat hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de fundamentele waarden van de samenleving vormt. Eiser stelt de waarden van de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) te respecteren. Ook stelt eiser dat uit het duidingsrapport van NTA van 27 oktober 2023 en uit het reclasseringsadvies van [geboortedag] 2024 volgt dat hij geen actuele bedreiging is. Volgens eiser heeft verweerder de context van zijn handelen niet onderkend: zijn woonplaats werd van alle kanten onder vuur genomen en er was geen sprake van religieuze of jihadistische motieven. Ook heeft er volgens eiser ten onrechte geen toetsing plaatsgevonden aan de criteria van het arrest van het HvJ EU van 2 mei 2018 in de zaak [naam 1] en [naam 2] , ECLI:EU:C:2018:296.
13. Verder voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar Syrië omdat hij staatloos is en de eerdere bescherming van de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) daar niet meer aanwezig is. Het terugkeerbesluit en het daarop gebaseerde inreisverbod zijn daarom volgens eiser onrechtmatig.
14. Als laatste voert eiser aan dat ook artikel 8 van het EVRM aan het bestreden besluit in de weg staat. Hij onderhoudt familieleven met zijn vrouw en kinderen, die gelet op hun nationaliteit niet naar Syrië kunnen gaan. Daarnaast stelt eiser dat hij goede reclasserings- en integratievooruitzichten heeft.
15. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Voor een ernstig vermoeden dat iemand betrokken is geweest bij misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 is geen strafrechtelijke vervolging of veroordeling vereist, laat staan een onherroepelijke veroordeling. Bij tegenwerping van dit artikel verplicht de Kwalificatierichtlijn tot intrekking van de asielvergunning. Diezelfde richtlijn dwingt daarnaast tot intrekking als wordt vastgesteld dat iemand doorslaggevende feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden. Bij het beoordelen van de actuele bedreiging zijn de criteria van het [naam 1] en [naam 2] -arrest en de door eiser aangehaalde stukken betrokken. Staatloosheid staat niet in de weg aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. In het kader van artikel 8 van het EVRM zijn alle relevante omstandigheden meegewogen en is behoorlijk gemotiveerd waarom deze afweging niet in het voordeel van eiser uitvalt.
16. Op 11 februari 2026 heeft verweerder op verzoek van de rechtbank in aanvulling op het verweerschrift een uittreksel uit eisers justitiële documentatie van 10 februari 2026 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser voor één eerder strafbaar feit is veroordeeld, te weten bedreiging en mishandeling in de huiselijke sfeer op 23 januari 2023.
17. In de aanvulling op de beroepsgronden voert eiser aan dat zijn kinderen aan Nederland zijn gebonden, zodat hij zijn familieleven alleen in Nederland kan uitoefenen. Hierbij beroept eiser zich op de beschikking tot verlenging van de uithuisplaatsing van zijn drie kinderen van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025 (zaaknummer C/10/693679 / JE RK 25-220, niet gepubliceerd). Ook beroept eiser zich op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 juli 2000 in de zaak [naam 3] , ECLI:CE:ECHR:2000:0711JUD002919295.
18. Daarnaast volgt uit het verslag van het vertrekgesprek van 23 september 2025 dat volgens de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) terugkeer naar Syrië voor eiser niet mogelijk is. Als het bestreden besluit overeind zou blijven terwijl hij niet uit Nederland kan vertrekken, ontstaat er volgens eiser een langdurige, uitzichtloze situatie. Hierover zijn prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5258) en door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (uitspraak van 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3843). Eiser verzoekt de rechtbank de beantwoording hiervan af te wachten.
19. Verder voert eiser aan dat terugkeer naar Syrië voor hem in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. [plaats] is door de oorlog volledig met de grond gelijkgemaakt, zodat een situatie van ernstige materiële deprivatie dreigt. Daarnaast vreest eiser aangemerkt te worden als IS-strijder. Om die reden én omdat hij niet de Syrische nationaliteit heeft, kan hij niet de hulp van de Syrische autoriteiten inroepen.
20. Tot slot brengt eiser nog een drietal stukken in het geding waaruit volgens hem ook blijkt dat hij geen actueel gevaar is voor de openbare orde. Het betreft een beslissing van 28 mei 2025 tot overplaatsing van eiser van de terroristenafdeling van de penitentiaire inrichting [locatie 2] naar een regulier gevangenisregime binnen de penitentiaire inrichting [locatie 1] , een overzicht van eisers gedrag in de laatstgenoemde inrichting van 8 januari 2026 en een rapportage van zijn casemanager van dezelfde datum over het contact dat eiser vanuit detentie met zijn gezin onderhoudt.
21. In zijn reactie op de aanvullende beroepsgronden stelt verweerder zich opnieuw op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Duidelijk is dat het perspectief van de kinderen niet bij eiser ligt, maar elders. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Er is geen aanleiding om de aangehaalde prejudiciële vragen af te wachten, omdat die gaan over zeer lang dan wel levenslang gestraften. Er is in het geval van eiser echter geen langdurige situatie voorzienbaar waarin terugkeer naar Syrië niet mogelijk is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat terugkeer naar Syrië voor hem in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. Uit eisers penitentiaire dossier kan niet worden opgemaakt dat hij geen gevaar is voor de openbare orde. Er wordt geen positief oordeel gegeven over de integreerbaarheid in de samenleving.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951
22. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling, de hoogste rechter in Nederland in onder meer vreemdelingenzaken, vereist de veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 van toepassing is geen bewijs conform de in het strafrecht gehanteerde maatstaven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2377. Voor eisers stelling ter zitting dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken wanneer gebleken is dat het Openbaar Ministerie in Nederland daadwerkelijk kan overgaan tot vervolging bestaat geen juridische basis. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder niet bevoegd zou zijn om zijn asielvergunning vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 in te trekken omdat zijn veroordeling nog onderwerp is van een hoger beroep.
23. Op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 worden personen van de vluchtelingenstatus uitgesloten ten aanzien van wie ernstige vermoedens bestaan dat zij betrokken zijn geweest bij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid, een ernstig niet-politiek misdrijf of handelingen in strijd met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. Dit artikel moet restrictief worden uitgelegd. Het ligt dan ook op de weg van verweerder om aan te tonen dat ernstige redenen zoals bedoeld in dit artikel aanwezig zijn. Vanwege de ernst van de betreffende misdrijven en het verstrekkende karakter van de vaststelling dat dit artikel van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en motivering strenge eisen gesteld. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2008.
24. Volgens verweerders beleid, neergelegd in onderdeel C2/7.10.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000, onderzoekt verweerder in het kader van het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation). Van knowing participation is volgens dit beleid in ieder geval sprake als de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie waarvan verweerder heeft aangetoond dat deze zich op systematische wijze en/of op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan de misdrijven die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951, of wanneer de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had moeten weten dat het dergelijke misdrijven betrof. Van personal participation is volgens dit beleid onder meer sprake als het handelen en/of nalaten van de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het betreffende misdrijf. Daarvan kan worden gesproken wanneer de bijdrage een effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf en deze hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze had plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.
25. Niet in geschil is dat verweerder op grond van openbaar toegankelijke bronnen aannemelijk heeft gemaakt dat IS zich in de periode waarin eiser zich volgens het strafvonnis van 28 juni 2024 bij hen heeft aangesloten systematisch en op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen die kwalificeren als misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951. In het strafvonnis van 28 juni 2024 is bewezen verklaard dat eiser in juni 2016 in [plaats] onderdeel is gaan uitmaken van de Ansar-terreurgroep, die op enig moment trouw heeft gezworen aan IS. Eiser is daar in die hoedanigheid gebleven totdat in 2019 de laatste IS-strijders door het Syrische regeringsleger werden verjaagd. Eiser heeft in die periode door deel te nemen aan de gewapende strijd een aandeel gehad in de verwezenlijking van het terroristisch gedachtegoed van IS. Ondanks dat eiser deze bewezenverklaring aanvecht in hoger beroep, heeft verweerder hieruit terecht geconcludeerd dat voldaan is aan de vereisten van knowing and personal participation. Verweerder is daarom terecht op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw tot intrekking en niet-verlenging van eisers asielvergunning overgegaan.
Onjuiste of achtergehouden gegevens
26. Hoewel het voorgaande de intrekking en niet-verlenging al kan dragen, gaat de rechtbank vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting ook in op de beroepsgronden over het verstrekken van onjuiste gegevens, dan wel het achterhouden van gegevens. Allereerst moet in dat kader worden opgemerkt dat, anders dan eiser lijkt aan te voeren, hierbij sprake is van een afzonderlijke intrekkingsgrond. Het is dus niet zo dat tevens aan deze intrekkingsgrond moet zijn voldaan om de hiervoor besproken intrekkingsgrond staande te houden, of andersom.
27. Niet in geschil is dat eiser tijdens zijn aanmeldgehoor van 4 april 2019 heeft verklaard dat hij nooit actief is geweest voor een gewapende groepering. Evenmin is in geschil dat hij tijdens zijn nader gehoor van 4 juni 2020 geen melding heeft gemaakt van deelname aan een gewapende groepering. Uit de volgens het strafvonnis van 28 juni 2024 bewezenverklaarde feiten volgt echter dat eiser dat wel degelijk heeft gedaan. Eiser heeft daarmee gegevens achtergehouden die hadden geleid tot het afwijzen van zijn asielaanvraag als die gegevens meteen bekend waren geweest. Immers, uit wat hiervoor is overwogen volgt dat uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 aan eiser kan worden tegengeworpen, wat niet alleen een intrekkingsgrond maar ook een afwijzingsgrond is.
28. Het door eiser aangehaalde artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn vereist in het derde lid, onder b, niet dat sprake moet zijn van een onherroepelijke veroordeling. De omstandigheid dat er nog een hoger beroep aanhangig is tegen het strafvonnis van 28 juni 2024 maakt dan ook niet dat verweerder deze intrekkingsgrond niet mocht tegenwerpen. Verweerder is daarom ook terecht op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw tot intrekking en niet-verlenging van eisers asielvergunning overgegaan. Het door eiser aangehaalde artikel 3.105d, tweede lid, van het Vb gaat niet over dit artikelonderdeel van artikel 32, eerste lid, van de Vw, maar over het onderdeel onder b. Het door eiser aangehaalde arrest XXX tegen België staat gelet op het voorgaande niet aan intrekking in de weg.
Terugkeerbesluit
29. Verweerder heeft gemotiveerd en onder verwijzing naar openbaar toegankelijke bronnen, zoals het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Syrië van mei 2025, overwogen dat niet gebleken is dat oud IS-strijders die staatloos Palestijn zijn op dit moment in [plaats] een reëel risico lopen op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn stelling dat dit wel het geval is niet onderbouwd. De enkele stelling dat UNRWA niet meer aanwezig is, is hiervoor onvoldoende. Hierbij is van belang dat tijdens de zitting op 25 februari 2026 is opgehelderd dat Syrië in het geval van eiser kan worden aangemerkt als land van herkomst in de zin van artikel 3, derde lid, aanhef en onder het eerste streepje, van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) omdat dit eisers land van bestendig verblijf is.
30. Eiser kan daarnaast niet worden gevolgd in zijn stelling dat terugkeer naar Syrië langdurig niet mogelijk is. Hij is niet zeer langdurig of levenslang gestraft. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om eiser na afloop van zijn detentie uit te zetten. De enkele opmerking van een regievoerder van DT&V tijdens het vertrekgesprek van 23 september 2025 dat dit moeilijk zal worden en dat diegene de precieze mogelijkheden daartoe niet kent, is daartoe onvoldoende. Ook eisers stelling dat artikel 8 van het EVRM aan uitzetting in de weg staat slaagt niet. Hierop zal hierna verder worden ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de beantwoording van de door eiser aangehaalde prejudiciële vragen af te wachten, dan wel om verweerder op te dragen aan eiser een tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning te verstrekken.
Unierechtelijk openbare ordecriterium
31. Het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de signalering zijn Unierechtelijke instrumenten. Als deze worden uitgevaardigd vanwege de openbare orde moet voldaan zijn aan het Unierechtelijk openbare ordecriterium. Dit houdt in dat de betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging moet zijn voor de fundamentele waarden van de samenleving. Dit volgt uit het arrest van het HvJ EU van 11 juni 2015 in de zaak [naam 4] . en [naam 5] ., ECLI:EU:C:2015:377. Eiser heeft er terecht op gewezen dat dit criterium in het geval van de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 verder is ingekleurd door het arrest van het HvJ EU in de zaak [naam 1] en [naam 2] .
32. Hoewel het laatstgenoemde arrest niet met naam en toenaam in het bestreden besluit wordt aangehaald, heeft verweerder, mede gelet op het verweerschrift en het aanvullend verweerschrift, wel alle elementen die in dit arrest worden benoemd in zijn beoordeling betrokken. Het HvJ EU heeft in dit arrest geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag 1951 van toepassing is, niet voldoende is om aan het Unierechtelijk openbare ordecriterium te voldoen. Te allen tijde moet een op de persoon toegesneden beoordeling worden gemaakt, waarbij de volgende aspecten van belang zijn: de persoonlijke betrokkenheid, het eventuele bestaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid, hoeveel tijd is verstreken sinds het vermoede plegen van de misdrijven en de vraag hoe de betrokkene zich nadien heeft gedragen.
33. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij niet (langer) een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging is. Hoewel eiser zich al in [plaats] bevond toen de oorlog in Syrië uitbrak en bij hem geen sprake was van religieuze of jihadistische motieven, laat dit onverlet dat hij zich volgens het strafvonnis van 28 juni 2024 heeft aangesloten bij een terroristische organisatie en zelfs actief heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Dit heeft eiser gedaan gedurende meerdere jaren tot aan 2019. Het betreft dan ook behoorlijk ernstige en tamelijk recente gedragingen. Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat hij zich in detentie goed gedraagt. Hieraan komt echter beperkte betekenis toe, aangezien het in eisers belang is om zolang hij onder toezicht staat niet te worden gezien als een gevaar voor de openbare orde. Hieruit kan ook niet worden afgeleid dat eiser als dit toezicht wegvalt een houding zal aannemen die zich verdraagt met de fundamentele waarden van de artikelen 2 en 3 van het VEU. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2670, en 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:73. Verder heeft eiser er tijdens het intrekkingsgehoor van 14 mei 2025 en tijdens de zitting op 25 februari 2026 ook geen blijk van gegeven dat hij een houding aanneemt die zich verdraagt met de fundamentele waarden van de samenleving. Eiser heeft enkel ontkend dat hij betrokken is geweest bij de feiten waarvoor hij door de rechtbank Rotterdam is veroordeeld en geen afstand genomen van de terroristische activiteiten van IS.
34. Gelet hierop heeft verweerder terecht tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn alsmede een inreisverbod en een signalering in de systemen E&S en SIS voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd.
Familie- en privéleven
35. In artikel 8 van het EVRM is het recht op familie- en privéleven neergelegd. Niet in geschil is dat eiser in Nederland familieleven heeft met zijn vrouw en drie minderjarige kinderen en dat hij in Nederland privéleven heeft. Evenmin is in geschil dat het bestreden besluit hierop een inmenging vormt. Dit artikel staat echter pas aan het bestreden besluit in de weg als een afweging tussen eisers belang bij uitoefening van zijn familie- en privéleven in Nederland enerzijds, en het algemeen belang van de Nederlandse Staat anderzijds in het voordeel van eiser zou uitvallen. In deze afweging moet verweerder een goed evenwicht vinden tussen alle betrokken belangen. Omdat hierbij een zekere beoordelingsruime bestaat, moet de rechtbank dit enigszins terughoudend toetsen.
36. Hoewel eiser familieleven heeft, heeft verweerder hier niet ten onrechte een relatief gering gewicht aan toegekend. Eiser bevindt zich immers in detentie en zijn kinderen zijn uit huis geplaatst. Wat ook niet in eisers voordeel spreekt, is dat hij zich op 23 januari 2023 schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Uit de door eiser overgelegde beschikking tot verlenging van uithuisplaatsing volgt dat de rechtbank terugplaatsing bij één van de ouders van de dochter van 4 jaar niet voor zich ziet. Ten aanzien van de zoon van 9 en de dochter van 11 jaar oud overweegt de rechtbank dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar het perspectief voor deze kinderen, maar dat in de tussentijd de uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening moet worden verlengd. Ook hieruit volgt dat eisers familieleven van een relatief gering gewicht is.
37. Hier komt bij dat eiser zijn stelling dat voortzetting van het familieleven in Syrië niet mogelijk is, niet aannemelijk heeft gemaakt. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege een artikel 3 EVRM-risico niet zou kunnen terugkeren naar Syrië. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn vrouw en kinderen als familieleden van iemand die Syrië lang als een land van bestendig verblijf heeft gehad geen toegang tot Syrië zouden kunnen krijgen. De enkele stelling dat zij niet de Syrische nationaliteit hebben is hiertoe niet voldoende.
38. Ten aanzien van zijn privéleven heeft eiser erop gewezen dat hij in Nederland een baan en een studie had en dat hij bezig was met het halen van zijn rijbewijs en het leren van de taal. Hier heeft verweerder echter niet ten onrechte tegenover gesteld dat eiser sterkere banden met Syrië heeft dan met Nederland, omdat hij daar veruit het grootste deel van zijn leven heeft gewoond. Eisers stelling dat hij goede reclasserings- en re-integratiekansen heeft, zijn toekomstige onzekere gebeurtenissen.
39. Ten slotte heeft verweerder niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan het belang van de Nederlandse Staat bij het handhaven van de openbare orde en de nationale veiligheid. Aangezien dit aspect niet aan de orde was in het door eiser aangehaalde [naam 3] -arrest, kan eiser daar geen geslaagd beroep op doen. Al met al betekent dit dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
40. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
41. Om die reden is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzitter, en mr. M.L. Weerkamp en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.