RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61803
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Schluter).
Inleiding
1. Verzoeker stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft op 25 september 2019 een eerste aanvraag om verlening van een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 februari 2022 afgewezen. In de uitspraak van 4 mei 2022 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat de minister het asielrelaas van verzoeker niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 juni 2022 het oordeel van de rechtbank bevestigd.
2. Op 26 augustus 2024 heeft verzoeker een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 11 december 2025 (asielbesluit) deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister verwezen naar het opgelegde terugkeerbesluit van 17 februari 2022.
3. Eiser heeft tegen het asielbesluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep (NL25.61802), op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en V. Meechede als tolk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.61802, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 april 2026