uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Volgens verweerder is Zwitserland hiervoor verantwoordelijk. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiser eerder in Zwitserland asiel heeft aangevraagd. In dit systeem wordt aan de hand van vingerafdrukken onder meer bijgehouden in welke lidstaten van de Europese Unie iemand asiel aanvraagt. De autoriteiten van Zwitserland hebben op 25 november 2025 het verzoek om eiser terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zijn eerdere asielaanvraag in Zwitserland is afgewezen, zodat hij het risico loopt om te worden uitgezet naar Turkije terwijl er daar een aanhoudingsbevel tegen hem loopt. Ook voert eiser aan dat hij slachtoffer is van mensenhandel en arbeidsuitbuiting in Nederland. Als laatste voert eiser aan dat er te weinig rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft bij zijn beroepschrift diverse bijlagen overgelegd, namelijk: een bewijs van registratie als niet-ingezetene, schermafbeeldingen van chatberichten, foto’s van zijn paspoort, een afschrift van een strafrechtelijke aangifte, een afschrift van een kortgedingvonnis in een geschil met zijn voormalige werkgever in Nederland en kennisgevingen van de politie over zijn aangifte wegens mensenhandel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Zwitserland is geen lidstaat van de Europese Unie, maar voert de Dublinverordening wel uit op grond van de overeenkomst van 26 oktober 2004 (goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie in het besluit van 28 januari 2008, 2008/147/EG).
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Zwitserland sprake is van dergelijke systematische tekortkomingen. Dit brengt mee dat er vanuit moet worden gegaan dat eiser na overdracht aan Zwitserland in overeenstemming met het Europese recht zal worden behandeld. In dat kader zijn de Zwitserse autoriteiten gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit het door eiser aangehaalde artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eisers stelling dat hij in Turkije gevaar loopt, kan in deze procedure dan ook niet worden beoordeeld. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
6. Uit de door eiser overgelegde stukken volgt dat hij aangifte heeft gedaan wegens, onder andere, mensenhandel. Uit het dossier volgt echter niet dat het Openbaar Ministerie eisers aanwezigheid in Nederland noodzakelijk acht in het belang van opsporing of vervolging. Er bestaat daarom geen aanleiding voor verweerder om van overdracht aan Zwitserland af te zien.
7. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kan verweerder van overdracht afzien als dat vanwege persoonlijke omstandigheden zou leiden tot onevenredige hardheid. Dit is een bevoegdheid die verweerder veel ruimte laat, zodat de rechtbank dit terughoudend moet beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit wat hiervoor is besproken dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om op deze grond van overdracht af te zien.
8. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
9. Er is om die reden geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.