ECLI:NL:RBDHA:2026:9421

ECLI:NL:RBDHA:2026:9421

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer AWB 20/4112
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Beroep tegen een aanwijzing van verweerder aan eiser op grond van artikel 55 van de Vw. De aanwijzing heeft niet onrechtmatig voortgeduurd en kan ook niet worden aangemerkt als een vrijheidsbenemende- of vrijheidsbeperkende maatregel. Beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4112

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de Minister van Asiel en Migratie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

1. Deze uitspraak gaat over een aanwijzing van verweerder aan eiser op grond van artikel 55 van de Vw. Eiser is het hier niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hiervoor genoemde aanwijzing.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 25 april 2020 heeft verweerder aan eiser een aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vw gegeven. Dit is een maatregel van toezicht.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 15 februari 2021 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep op 7 april 2021 op zitting behandeld. De rechtbank heeft om redenen van doelmatigheid het onderzoek geschorst.

Bij beslissing van 8 juli 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep voor verdere behandeling doorverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. De reden hiervoor is dat eiser op 31 mei 2021 aangifte heeft gedaan tegen de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek is op 16 december 2022 door deze rechtbank en zittingsplaats hervat. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat eiser de rechter die het beroep toen behandelde tijdens de zitting heeft gewraakt.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 29 januari 2026 hervat en het beroep inhoudelijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (tevens de partner van eiser), mevrouw W. Fadl als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de tijdelijke noodonderdakvoorziening, ingericht op het terrein van de [locatie] in [plaats], aangewezen als plaats waar eiser zich beschikbaar moet houden in verband met de behandeling van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft als aanwijzing gegeven dat eiser zich beschikbaar moet houden in de eerdergenoemde aangewezen verblijfplaats, tenzij aan eiser expliciet (schriftelijk) wordt medegedeeld dat zijn aanwezigheid in de aangewezen verblijfplaats ten behoeve van het onderzoek naar zijn aanvraag voor de duur van een bepaalde dag naar het oordeel van de IND niet meer noodzakelijk wordt geacht. In elk geval moet eiser, op de dagen dat hij een afspraak heeft in de aangewezen verblijfplaats, zich daar vanaf 08.00 uur beschikbaar houden.

Het standpunt van eiser

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Daartoe stelt eiser dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte niet aan zijn gemachtigde mevrouw [gemachtigde] heeft doorgestuurd, terwijl zij wel door hem was gemachtigd. Ter onderbouwing hiervan overlegt eiser een door hem ondertekende ‘Machtiging als bijzonder gevolmachtigde’ van 20 april 2020. Eiser stelt dat hij het bestreden besluit slechts naar zijn gemachtigde kon doorsturen door middel van het maken van een foto met een smartphone, die zijn gemachtigde hem had toegestuurd. De leiding van [plaats] weigerde namelijk het bestreden besluit aan zijn gemachtigde door te sturen en zijn gemachtigde mocht hem daar niet bezoeken. Eiser betoogt dat – anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak van 23 september 2015 – hij wel degelijk is zijn belangen geschaad, omdat hij zijn gemachtigde niet kon bereiken om in beroep te gaan. Volgens eiser heeft zowel hijzelf als zijn gemachtigde hierdoor psychische schade geleden. Verder stelt eiser zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 30 juni 2016 – op het standpunt dat de aanwijzing als een vrijheidsbeperkende maatregel moet worden aangemerkt. Hij mocht [plaats] namelijk gedurende een periode van 25 april 2020 tot 12 mei 2020 (17 dagen) niet verlaten. Bovendien heeft het niet nakomen van de aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vw consequenties voor de behandeling van zijn asielaanvraag en is het niet naleven van de aanwijzing strafbaar gesteld. Eiser meent dat deze vrijheidsbeperking in strijd is met artikel 5 van het EVRM. Daar komt volgens eiser bij dat zijn asielprocedure op 25 april 2025 is afgerond, waardoor op dat moment al aan de verplichtingen op grond van de aanwijzing een einde was gekomen. Gelet op het vorenstaande, verzoekt eiser om een schadevergoeding voor de periode van 25 april 2020 tot 12 mei 2025.

Het oordeel van de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?

5. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift primair op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep, omdat de maatregel op grond van artikel 55 van de Vw na de uitreiking van het asielbesluit aan eiser op 25 april 2020 van rechtswege al was geëindigd. Verweerder meent dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst verweerder op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 23 september 2015.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser wel degelijk procesbelang bij het door hem ingestelde beroep heeft, omdat eiser blijkens de beroepsgronden en de toelichting daarop tijdens de zitting de rechtmatigheid van de maatregel van toezicht bestrijdt en om schadevergoeding verzoekt. Hierna wordt daarom inhoudelijk op de beroepsgronden van eiser ingegaan.

Is het bestreden besluit op de juiste wijze bekend gemaakt?

6. Eiser voert aan – zo begrijpt de rechtbank – dat verweerder ten onrechte het bestreden besluit alleen aan hem heeft uitgereikt en niet ook aan zijn gemachtigde heeft verzonden.

Op grond van artikel 3.41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In paragraaf A5/4 van de Vc is – voor zover relevant – bepaald dat als een vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, de Korpschef de gemeente waarin de opvangvoorziening zich bevindt aanwijst als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet verblijven. De Korpschef doet de aanwijzing zowel mondeling als schriftelijk. Voor de aanwijzing wordt het model M117-A gebruikt. Vreemdelingen moeten zich op grond van artikel 55 van de Vw beschikbaar houden in een AC of opvanglocatie.

De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit (model M117-E) blijkt dat aan eiser een afschrift van dit model in persoon is uitgereikt en de strekking en de inhoud daarvan is medegedeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook overeenkomstig artikel 3.41 van de Awb gelezen in samenhang met paragraaf A5/4 van de Vc op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank – misschien ten overvloede – nog op dat eiser met behulp van zijn gemachtigde tijdig binnen de beroepstermijn van vier weken beroep heeft ingesteld, waardoor hij niet in zijn belangen is geschaad. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de aanwijzing/maatregel op grond van artikel 55 van de Vw onrechtmatig voortgeduurd?

7. Eiser stelt zich op het standpunt – zo begrijpt de rechtbank – dat de aanwijzing onrechtmatig heeft voortgeduurd tot 12 mei 2020, omdat de aanwijzing op 25 april 2020 al van rechtswege was geëindigd.

Op grond van artikel 55 van de Vw , eerste lid, van de Vw moet de vreemdeling, die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f, zich in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning beschikbaar houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteiten gegeven aanwijzingen.

Niet in geschil is dat eiser op 13 maart 2020 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend en dat hij op dat moment dus rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f, van de Vw. Op grond van artikel 55 van de Vw was verweerder dan ook bevoegd om eiser op 25 april 2020, na de opheffing van zijn inbewaringstelling, de aanwijzing te geven dat hij zich in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van zijn aanvraag beschikbaar moest houden op de tijdelijke noodonderdakvoorziening, ingericht op het terrein van de [locatie] in [plaats].

Verder stelt de rechtbank vast dat de aanwijzing ziet op de periode dat de aanvraag om toelating van eiser in behandeling is en tot gevolg heeft dat eiser zich in die periode beschikbaar moet houden op de aangewezen plaats. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst van artikel 55 van de Vw dat de maatregel na uitreiking van de beschikking van rechtswege eindigt, omdat op dat moment niet langer sprake is van een aanvraag. Nu uit het dossier is gebleken dat eisers opvolgende asielaanvraag op 25 april 2020 niet-ontvankelijk is verklaard en op dezelfde dag aan hem is uitgereikt, is aan de verplichtingen die voortvloeien uit de maatregel op die datum (van rechtswege) een einde gekomen. Dat de beëindiging van de maatregel niet expliciet aan eiser kenbaar is gemaakt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de maatregel onrechtmatig heeft voortgeduurd. Daarbij is van belang dat in het bestreden besluit is vermeld dat de aanwijzing verband houdt met de behandeling van de aanvraag, de strekking en inhoud daarvan in de Engelse taal aan eiser is medegedeeld en dat eiser heeft verklaard de inhoud en strekking te begrijpen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het voor eiser voldoende duidelijk was dan wel moest zijn dat de verplichting om zich beschikbaar te houden zou vervallen op het moment dat op zijn aanvraag was beslist. Het betoog van eiser dat de maatregel tot 12 mei 2020 onrechtmatig voortduurde (en dat hij tot aan dat moment strafbaar was), slaagt daarom niet.

Moet de aanwijzing/maatregel als vrijheidsontneming of – beperking worden aangemerkt?

8. Op grond van artikel 5, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de in dat lid omschreven gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure.

Om voor schadevergoeding in aanmerking te komen op grond van artikel 106 van de Vw moet er sprake zijn van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming of -beperking en niet enkel van een maatregel tot toezicht.

Aangezien het onderscheid tussen vrijheidsontneming, vrijheidsbeperking en/of maatregelen van toezicht volgens vaste jurisprudentie van het EHRM niet vastomlijnd is, moeten bij de beantwoording van de vraag of sprake is van vrijheidsontneming of een maatregel die de vrijheid van een persoon beperkt, alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. In het bijzonder moet aandacht worden besteed aan de aard, de duur, het effect en de tenuitvoerlegging van de maatregel in kwestie. Voor beantwoording van de eerdergenoemde vraag is de intensiteit van de feitelijke situatie bepalend.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van vrijheidsontneming of -beperking. Uit de formulering van de aanwijzing – zoals weergegeven onder 5 – volgt genoegzaam dat eiser beschikbaar moest zijn op de aangewezen plaats op de dagen dat hij daar een afspraak had en dat hij op die dagen de aangewezen plaats mocht verlaten als hij daarvoor expliciet (schriftelijk) toestemming had gekregen. Hieruit blijkt dat dat eiser in beginsel de noodopvanglocatie kan verlaten. Dit kan weliswaar gevolgen hebben voor de beslissing op zijn asielaanvraag, maar die gevolgen verschillen niet van die van het verlaten van een reguliere opvanglocatie. De rechtbank is verder niet gebleken van andere maatregelen die eiser beletten om de noodopvanglocatie in [plaats] te verlaten. De stelling van eiser dat hij in de noodopvanglocatie geen telefoon mocht hebben, volgt de rechtbank niet. Juist uit het feit dat de gemachtigde van eiser een smartphone naar eiser heeft kunnen opsturen en eiser deze ook heeft gebruikt om een foto van het bestreden besluit naar zijn gemachtigde op te sturen, blijkt dat eiser wel degelijk in het bezit mocht zijn van een telefoon.

Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 30 juni 2016, leidt niet tot een ander oordeel. In deze uitspraak is namelijk door de rechtbank geoordeeld dat een aanwijzing op grond van artikel 55 van de Vw om zich op te houden in het JCS vanwege de specifieke omstandigheden op het JCS moest worden aangemerkt als vrijheidsontneming. Niet gebleken is dat de omstandigheden in de noodopvanglocatie in [plaats] vergelijkbaar waren met die in het JCS. De rechtbank verwijst daartoe naar wat zij hiervoor onder 8.3. heeft overwogen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Ook krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw geen hoger beroep open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K. Ides

Griffier

  • mr. K.I. Legendal-Moesker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?