RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/4678
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Minister van Asiel en Migratie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om herziening van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2015.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om van het verzoek om herziening kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 8 maart 2015 heeft verweerder aan verzoeker een (losstaand) terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2015, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond verklaard.
De Afdeling heeft bij uitspraak van 1 mei 2015 de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Bij uitspraak van 21 januari 2016 heeft de Afdeling het verzoek van verzoeker om de uitspraak van 1 mei 2015 te herzien afgewezen.
Daarna heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, zich bij uitspraak van 31 mei 2016 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van verzoekers tweede verzoek om de uitspraak van 25 maart 2015 te herzien en dat verzoek naar de Afdeling doorgestuurd.
De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 juni 2016 het doorgestuurde herzieningsverzoek afgewezen.
Op 9 juni 2020 heeft verzoeker (nogmaals) beroep tegen het inreisverbod van 5 maart 2015 ingesteld.
Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft het beroep op 7 april 2021 op zitting behandeld. De rechtbank heeft om redenen van doelmatigheid het onderzoek geschorst.
Bij beslissing van 8 juli 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep voor verdere behandeling doorverwezen naar deze rechtbank en zittingsplaats. De reden hiervoor is dat verzoeker op 31 mei 2021 aangifte heeft gedaan tegen de rechtbank Noord-Nederland.
Het onderzoek is op 16 december 2022 door deze rechtbank en zittingsplaats hervat. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat verzoeker de rechter die het beroep toen behandelde tijdens de zitting heeft gewraakt.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 29 januari 2026 hervat en het beroep inhoudelijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker (tevens de partner van verzoeker), mevrouw W. Fadl als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende.
Verzoeker heeft tijdens de zitting aan de rechtbank bevestigd dat het op 9 juni 2020 ingediende beroep, gericht tegen het inreisverbod, moet worden gezien als een verzoek om herziening van de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 maart 2015.
Als herziening wordt verzocht van een uitspraak van de rechtbank en de Afdeling heeft op het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep beslist, moet het herzieningsverzoek bij de Afdeling worden ingediend. Een dergelijk verzoek moet namelijk worden aangemerkt als een verzoek om herziening van de desbetreffende uitspraak van de Afdeling, waarop de Afdeling moet beslissen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker tegen de hiervoor genoemde uitspraak van 25 maart 2015 hoger beroep heeft ingesteld. De Afdeling heeft bij de eerdergenoemde uitspraak van 1 mei 2025 de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2015 bevestigd, waarbij zij ook inhoudelijk ten aanzien van het aan verzoeker opgelegde inreisverbod heeft beslist. De in de eerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2012 genoemde uitzondering op de uitsluitende bevoegdheid van de Afdeling, namelijk als herziening wordt gevraagd met betrekking tot een oordeel in de uitspraak van de rechtbank waarover de Afdeling niet inhoudelijk heeft beslist, doet zich in dit geval dan ook niet voor.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, moet het herzieningsverzoek van 9 juni 2020 worden aangemerkt als een (nieuw) verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2015, waarop ook door de Afdeling moet worden beslist.
Conclusie en gevolgen
4. De rechtbank is – gelet op het vorenstaande – onbevoegd om van het herzieningsverzoek van 9 juni 2020 kennis te nemen. Zij mag de zaak dus niet behandelen.
De rechtbank zal het verzoek met toepassing van artikel 8:119, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorsturen naar de Afdeling om door haar te worden behandeld als verzoek om herziening van de uitspraak van 1 mei 2015.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.