RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20432
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 16 april 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Albanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1987.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag lagen, rechtmatig waren. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 20 februari 2026.
4. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Gelet op de inhoud van het digitale dossier en de door partijen overgelegde stukken acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. In het verzoek van eiser om een zitting ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
5. Eiser voert aan dat er onduidelijkheid bestaat of reeds uitspraak is gedaan op het beroep van eiser in zijn asielprocedure. De rechtsgevolgen van het Terugkeerbesluit moeten worden geschorst in afwachting van de uitspraak op het beroep in eisers asielprocedure. Nu uit het voortgangsrapportage blijkt dat verweerder ten onrechte op 6 en 13 maart 2026 is overgegaan tot het indienen van lp-aanvragen, leidt dit tot de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. Ook is het onduidelijk waarom verweerder een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Eiser heeft onder meer in zijn vertrekgesprek van 25 februari 2026 verklaard geen Marokkaan te zijn. Verweerder handelt ook in algemene zin onvoldoende voortvarend. Ondanks dat voortvarendheid geen vereiste is bij het opleggen van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw, dient verweerder bij herhaling te bezien of en in hoeverre de bewaring kan worden opgeheven na het al dan niet verkrijgen van de benodigde informatie. Eiser zit sinds 11 januari 2026 aaneengesloten in bewaring zonder dat het voor verweerder duidelijk is wie eiser zou zijn. Verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser betwist dat hij in redelijkheid langer in bewaring zou moeten blijven of dat de zesmaandentermijn zou kunnen worden overschreden zoals overwogen in het voortgangsverslag. Deze overweging levert strijdigheid op met het beginsel van ‘fair play’.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Anders dan eiser stelt bestaat voor verweerder geen verbod tot het verrichten van voorbereidende handelingen gericht op de terugkeer van eiser in afwachting van de uitspraak op eisers beroep in de asielprocedure. Het verstrekken van persoonsgegevens in het kader van een lp-aanvraag door DT&V is een toegestane voorbereidingshandeling. Hierbij dient verweerder wel te waarborgen dat de voorbereidingshandelingen niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement en dat geen asielgerelateerde persoonsgegevens of andere gegevens die een schadelijke strekking hebben worden gedeeld met de autoriteiten in het land van herkomst. Uit de vertrekgesprekken van eiser van 20 februari 2026, 25 februari 2026 en 2 maart 2026 volgt dat verweerder eiser in de gelegenheid heeft gesteld om zelf zijn lp-formulieren in te vullen. Daarbij is meegedeeld dat een kopie van het lp-formulier en het vertrekgesprek aan de advocaat wordt toegezonden, zodat eiser en zijn gemachtigde de inhoud van dit formulier kunnen controleren. Ook is aan eiser meegedeeld dat hij eventuele bezwaren met zijn gemachtigde kan bespreken en dat hij rechtsmiddelen kan instellen. Verweerder heeft hiermee alle waarborgen in acht genomen bij het indienen van de lp-aanvraag voor eiser hangende beroep. Het beginsel van non-refoulement kan ook in de lopende asielprocedure worden getoetst en het indienen van de lp-aanvragen raakt als zodanig dan ook niet de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
7. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft in de vertrekgesprekken voldoende gemotiveerd dat de lp-aanvragen ook bedoeld zijn om onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van eiser. Uit de vertrekgesprekken met eiser is niet gebleken dat hij serieuze en actieve inspanning verricht in het kader van zijn meewerk- en identificatieplicht. Zo verklaart eiser tegenstrijdig over waar zijn paspoort zich bevindt. In het vertrekgesprek van 18 februari 2026 verklaart eiser dat hij zijn paspoort in Duitsland is kwijtgeraakt, terwijl hij in het vertrekgesprek van 2 maart 2026 verklaart dat alleen hij weet waar zijn paspoort zich bevindt en dat de deur gesloten blijft. Ook verklaart eiser dat hij een aanwijzing geeft door te stellen dat hij met zijn eigen persoonsgegevens België is binnengekomen en zijn paspoort daar geregistreerd zou moeten zijn. Verder verklaart eiser herhaaldelijk dat het aan de autoriteiten is om zijn vertrek te realiseren en dat zij ‘hun werk moeten doen’. Voor eiser is op 6 maart 2026 een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten en op 13 maart 2026 bij de Albanese autoriteiten. Er zijn geen aanknopingspunten dat deze landen in het algemeen weigeren lp’s te verstrekken en eiser heeft dit ook niet nader onderbouwd, dan wel concreet gemaakt. Verweerder heeft op 12 maart 2026 en op 2 april 2026 gerappelleerd. Dat daarbij nog geen positieve terugkoppeling kon worden gegeven, is niet te wijten aan verweerder. Ook de lange duur van de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit komt – gelet op het niet voldoen aan zijn inspannings- en identificatieplicht – voor eisers eigen rekening en risico. Het lp-traject duurt op dit moment nog niet zo lang dat daaruit moet worden afgeleid dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Daar zijn op dit moment geen indicaties voor.
8. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraken van 27 januari 2026 en 26 februari 2026. Eiser heeft in dit beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel. Uit eisers dossier volgt dat de belangen van eiser regelmatig worden afgewogen. Zo wordt na elk vertrekgesprek beoordeeld of eiser omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Anders dan eiser stelt, volgt hieruit genoegzaam verweerders onbevangen houding.
9. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 20 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.