ECLI:NL:RBDHA:2026:9432

ECLI:NL:RBDHA:2026:9432

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer NL23.12804 tussenuitspraak
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Tussenuitspraak na stellen prejudiciële vraag / Asiel Guinee / 64 Vw / BMA De rechtbank heeft op 27 januari 2026 de prejudiciële vraag gesteld of artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk en beschikbaar is, na terugkeer naar Guinee ook feitelijk toegankelijk zal zijn voor eiser. Verweerder trekt 2,5 maand na de verwijzing het besluit in omdat hij een nieuwe beoordeling in het kader van artikel 64 Vw wil maken. Eiser handhaaft zijn beroep. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft van rechtswege betrekking op het besluit tot intrekking. De rechtbank begrijpt dat eiser uit de ongemotiveerde intrekking van het bestreden besluit afleidt dat verweerder wil voorkomen dat het Hof de prejudiciële vraag van de rechtbank beantwoordt en wil voorkomen dat de rechtbank in de onderhavige procedure uitspraak zal doen op grond van de nadere verduidelijking van het Unierecht. De rechtbank handhaaft haar verwijzing en zal in de einduitspraak na het arrest het intrekkingsbesluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:3 Awb. De behandeling van het beroep blijft geschorst totdat het Hof de prejudiciële vraag van de rechtbank heeft beantwoord.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.12804 T

geboren op [geboortedatum] 1998, Guinese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang)

en

verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Eiser heeft op 19 januari 2019 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Bij besluit van 16 juli 2021 heeft verweerder het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen de afwijzing van dit verzoek is door de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, op 16 november 2021 gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2021 is vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld.

Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming bij besluit van 31 maart 2023 afgewezen als ongegrond. In dit besluit heeft verweerder tevens bepaald dat aan eiser geen verblijfsvergunning op andere gronden wordt verleend en dat eiser geen uitstel van vertrek op medische gronden krijgt. Het besluit van 31 maart 2023 omvat een terugkeerbesluit waarin een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. De terugkeerverplichting ziet op Guinee.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 maart 2023. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 31 maart 2023 dat ziet op de afwijzing van de aanvraag die eiser op 19 januari 2019 heeft gedaan.

De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Ter zitting is met partijen besproken dat verweerder een advies van Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) moet aanvragen. De rechtbank heeft eiser tevens in de gelegenheid gesteld om actuele gegevens over zijn gezondheid te overleggen.

Verweerder heeft op 28 november 2025 het BMA-advies van 27 november 2025 overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat eiser kan reizen en dat er geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM bestaat indien eiser moet terugkeren naar zijn land van herkomst.

Eiser heeft zich bij bericht van 19 december 2025 op het standpunt gesteld dat in het land van herkomst onvoldoende medische behandeling en begeleiding voor hem aanwezig en toegankelijk zal zijn. Omdat er daardoor een medische noodsituatie zal ontstaan, is zijn terugkeer volgens eiser in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank heeft verweerder bij bericht van 5 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door eiser gegeven reactie op het BMA-advies. De rechtbank heeft beide partijen tevens in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 16 januari 2026 een standpunt in te nemen over de vraag of het uitgangspunt dat eiser de bewijslast draagt voor de stelling dat de noodzakelijke en in beginsel in het land van herkomst beschikbare medische behandeling voor hem feitelijk niet toegankelijk zal zijn, verenigbaar is met artikel 5 van richtlijn 2008/115.

Op verzoek van verweerder heeft de rechtbank op 12 januari 2026 de termijn voor partijen om een schriftelijk standpunt in te nemen verlengd tot en met 23 januari 2026.

Beide partijen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een standpunt in te nemen over de door de rechtbank opgeworpen rechtsvraag.

Bij bericht van 27 januari 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

De rechtbank heeft op 27 januari 2026 een prejudiciële vraag aan het Hof gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2026:1324). Deze verwijzing is bij het Hof geregistreerd als C-32/26, Lodring.

Verweerder heeft op 16 april 2026 aan eiser te kennen gegeven dat het besluit van 31 maart 2023 is ingetrokken en dat er opnieuw zal worden beslist op de aanvraag van 19 januari 2019 waarbij met name een nieuwe beoordeling in het kader van artikel 64 Vw zal plaatsvinden. Verweerder heeft deze brief die gericht is aan eiser in het dossier geplaatst zonder begeleidende brief voor de rechtbank. Verweerder heeft in deze brief aangegeven dat hij aanneemt dat dit voor eiser aanleiding vormt om het beroep in te trekken. Verweerder heeft eiser verzocht om dit zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen. Verweerder heeft een proceskostenveroordeling van € 2.802,- aangeboden.

De rechtbank heeft gemachtigde van eiser op 16 april 2026 verzocht om aan te geven of het beroep wordt gehandhaafd.

De gemachtigde van eiser heeft op 17 april 2026 medegedeeld dat het beroep wordt gehandhaafd.

Overwegingen

1. Eiser, die is geboren in Guinee en de Guinese nationaliteit heeft, heeft aan zijn verzoek om internationale bescherming ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid problemen in Guinee heeft ondervonden.

2. De rechtbank heeft in haar verwijzingsuitspraak van 27 januari 2026, voorlopig oordelend, overwogen dat verweerder de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser en de gestelde hiervan ondervonden problemen ongeloofwaardig heeft mogen vinden en terecht heeft geconcludeerd dat aan verzoeker geen vluchtelingrechtelijke of subsidiaire beschermingsstatus hoeft te worden verleend. De rechtbank is ook, voorlopig oordelend, tot de conclusie gekomen dat adequate opvang in het land van herkomst niet heeft ontbroken en het belang van het kind niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit.

3. Eiser is gediagnosticeerd met een ongespecificeerde schizofreniespectrum,- of andere psychotische stoornis en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. Eiser wordt thans in Nederland behandeld voor deze problematiek. Indien eiser na terugkeer naar Guinee verstoken zal blijven van deze of een vergelijkbare medische behandeling, zal er binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaan. Dit is tussen partijen niet in geschil en volgt uit het BMA-advies van 27 november 2025. In het BMA-advies is tevens vermeld dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar is in Guinee.

4. Uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 volgt onder meer dat verweerder bij het vaststellen van een terugkeerbesluit rekening moet houden met de gezondheid van eiser en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Verweerder is in dit kader uitsluitend nagegaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat er een medische noodsituatie en dus een schending van artikel 3 van het EVRM zal optreden, beschikbaar is in Guinee. Indien eiser echter na terugkeer geen feitelijke toegang zal hebben tot deze noodzakelijke medische behandeling, zal eiser in een situatie terecht komen als bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest verbieden evenwel de verwijdering als deze in strijd is met het beginsel van non-refoulement.

5. Verweerder stelt zich op grond van zijn beleid op het standpunt dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij geen feitelijke toegang zal hebben tot de noodzakelijke behandeling in Guinee en dat deze bewijslastverdeling in overeenstemming is met nationale en internationale rechtspraak.

6. De rechtbank twijfelt of dit beleid en de rechtspraak waar dit beleid op is gebaseerd verenigbaar is met het Unierecht en heeft daarom op 27 januari 2026 de navolgende prejudiciële vraag aan het Hof gesteld:

“Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet? “

7. Verweerder heeft het besluit - tweeëneenhalve maand na de verwijzing - ingetrokken omdat verweerder een nieuwe beoordeling in het kader van artikel 64 Vw zal maken. Eiser heeft de handhaving van zijn beroep onder meer als volgt gemotiveerd:

(…)

‘Eiser heeft een aanmeld gehoor, eerste gehoor en nader gehoor gehad. Op 16-07-2021 is er een negatieve beslissing afgegeven door verweerder waartegen beroep is ingesteld welke bij beschikking van zittingsplaats Arnhem d.d. 16-11-2021 gegrond is verklaard. Eiser heeft op 22-02-2022 een aanvullend gehoor gehad en daaropvolgend helaas opnieuw een negatieve beslissing vanuit verweerder. Door BMA is er een advies uitgebracht d.d. 28-11-2025. Er is al dermate veel gebeurd in het dossier van eiser dat hij niet inziet waarom verweerder thans enkel tot een intrekking overgaat en niet gelijk een nieuw/ gewijzigd/ aanvullende beslissing op de aanvraag asiel kan geven. Naar de mening van eiser is zijn zaak "rijp" voor een eindbeslissing. Nader onderzoek lijkt niet geïndiceerd. Eiser heeft reeds meermaals in de procedure gesteld dat de bestreden beslissing d.d. 31 maart 2023 onhoudbaar is.

Indien eiser in de intrekking zou berusten is hij overgeleverd aan de grillen van verweerder. Eiser heeft geen enkele indicatie binnen welke termijn hij een nieuwe beslissing zou mogen verwachten en geen enkele garantie dat deze op korte termijn wordt afgegeven danwel niet opnieuw negatief zal zijn waarbij eiser van voor af aan zal moeten beginnen met het indienen van een beroep en achter in de rij zal moeten aansluiten bij een rechtbank. Gezien de naderende termijn van het Europese Migratie pact is het aannemelijk dat de werkdruk en de wachttijden bij verweerder en de rechtbanken in de komende perioden alleen maar zal toenemen. Het is derhalve niet in het belang van eiser om het ingestelde beroep in te trekken.

In onderhavige beroepsprocedure is er door uw zittingsplaats in een verwijzingsuitspraak d.d. 27-01-2026 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. De gestelde vraag ziet niet enkel persoonlijk op de zaak van eiser zelf (waardoor eiser een persoonlijk belang heeft om kennis te nemen van de standpunten van het Hof), maar dienen naar de mening van gemachtigde een groter belang, een maatschappelijk belang nu er in meerdere zaken discussie wordt gevoerd hieromtrent met verweerder. Eiser acht het niet alleen een persoonlijk belang, maar ook een maatschappelijk belang om kennis te nemen van de antwoorden van het Hof van Justitie. Het ligt op de weg van verweerder in het kader van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel om hier ook benieuwd naar te zijn.

Eiser acht het moment van intrekking dan ook zeer opmerkelijk en de intrekking onzorgvuldig. Eiser ontkomt niet aan de indruk – mede gelet op het feit dat er aan de omstandigheden van eiser niets is veranderd ten opzichte van het moment van afgifte van de bestreden beslissing – dat verweerder niet zozeer tot intrekking overgaat om onjuistheden in besluitvorming te herstellen, maar om zich te onttrekken aan een inhoudelijk oordeel van de rechtbank en het Hof van Justitie over de gestelde prejudiciële rechtsvraag.

(…)

8. De rechtbank overweegt dat eiser terecht heeft aangegeven dat zijn beroep tegen het besluit van 31 maart 2023 van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit tot intrekking van dit besluit. Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij belang heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het besluit van 31 maart 2023.

9. Verweerder heeft op geen enkele wijze toegelicht waarom het besluit is ingetrokken. Eiser heeft terecht opgemerkt dat dit niet kan zijn gelegen in de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser heeft immers niet gesteld dat zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd. Verweerder heeft ook niet aangegeven dat de in Guinee voor eiser aanwezige geachte behandeling niet langer beschikbaar zou zijn. Ook heeft verweerder niet gesteld dat zijn beleid is gewijzigd en/of dat verweerder inmiddels wel vindt dat verweerder de bewijslast draagt van de feitelijke toegang tot de noodzakelijke en in beginsel in Guinee aanwezige medische zorg voor eiser. Het is dus in het geheel niet duidelijk wat verweerder bedoelt met zijn mededeling “dat er opnieuw op de aanvraag 19 januari 2019 zal worden beslist en dat er met name een nieuwe beoordeling in het kader van artikel 64 Vw zal plaatsvinden” en het is in het geheel niet duidelijk waarom en wanneer dit zal geschieden.

10. De rechtbank begrijpt dat eiser uit de ongemotiveerde intrekking van het bestreden besluit afleidt dat verweerder wil voorkomen dat het Hof de prejudiciële vraag van de rechtbank beantwoordt en dat de rechtbank de nadere verduidelijking van het Unierecht in de onderhavige procedure zal toepassen. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13748) waarin de rechtbank onder meer het navolgende heeft overwogen:

(…)

‘12. Zoals de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in haar uitspraak van 4 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:11958) heeft overwogen, is de bevoegdheid om tot intrekking of herziening van een besluit over te gaan bedoeld om een bestuursorgaan de gelegenheid te geven om onjuistheden in besluitvorming te herstellen. Verweerder heeft evenwel met aanwenden van zijn bevoegdheid om het besluit in te trekken een inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de centrale rechtsvraag, namelijk of eiser in aanmerking moet worden gebracht voor subsidiaire bescherming, voorkomen. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder met het intrekkingsbesluit aldus misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt, waardoor het intrekkingsbesluit in strijd met artikel 3:3 Awb is genomen en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank wijst in dit verband ook op de overwegingen van eerder genoemde uitspraak van zittingsplaats Zwolle voor zover in die uitspraak is gewezen op het Unierechtelijk kader van artikel 47 Handvest en artikel 46 van de Procedurerichtlijn, uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 31, tweede lid en overweging 18 van de considerans van de Procedurerichtlijn en acht deze overwegingen van overeenkomstige toepassing in de onderhavige procedure.’(…).

11. De rechtbank zal in haar einduitspraak onder verwijzing naar bovenstaande uitspraak van 28 juli 2025, het besluit tot intrekking van 16 april 2026 vernietigen omdat dit in strijd met artikel 3:3 Awb is genomen en zal het beroep dat is gericht tegen het besluit van 31 maart 2023 na het arrest van het Hof verder inhoudelijk beoordelen.

12. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om in deze fase van de procedure zelf te voorzien en te bepalen dat verweerder aan eiser een verblijfsvergunning moet verlenen af. De rechtbank heeft in haar verwijzingsuitspraak gemotiveerd waarom zij een nadere verduidelijking van het Unierecht door het Hof noodzakelijk acht om uitspraak te kunnen doen. De rechtbank merkt in dit verband tevens op dat de prejudiciële vraag van de rechtbank betrekking heeft op richtlijn 2008/115 en uit deze richtlijn geen verplichting volgt om tot vergunningverlening over te gaan.

13. De behandeling van het beroep blijft geschorst totdat het Hof de prejudiciële vraag van de rechtbank heeft beantwoord. Dit betekent dus dat zolang eiser zijn beroep handhaaft, de rechtbank uitspraak op dat beroep zal moeten doen en de rechtbank de prejudiciële vraag niet intrekt.

Beslissing

De rechtbank:

- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.B.J. Schreijen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 april 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. van Lokven

Griffier

  • mr. M.B.J. Schreijen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?