RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19883
(gemachtigde: mr. K.E.J. Dohmen),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 11 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft beroepsgronden ingediend.
Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder gereageerd op hetgeen eiser heeft aangevoerd in de beroepsgronden.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 15 april 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2026 (in de zaak NL26.6139) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 10 februari 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt zich - samengevat - op het standpunt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt en dat de bewaringsmaatregel onrechtmatig is geworden. Verweerder dient aannemelijk te maken dat er in het individuele geval van eiser een concreet, uitvoerbaar traject is dat verwijdering binnen redelijke termijn mogelijk maakt. In september 2024 is een lp-aanvraag ingediend, maar ondanks een groot aantal rappels is dit tot op heden zonder enig resultaat gebleven. Hierdoor is er geen sprake van ‘reasonable prospect’ zoals bedoeld in artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn en het arrest Kadzoev. Bovendien heeft er geen enkele concrete uitvoeringsstap richting daadwerkelijke verwijdering plaatsgevonden: geen presentatie, geen vlucht(aanvraag), geen (geplande) uitzetting, geen fit-to-fly. Hierdoor ontstaat de situatie waarin detentie willekeurig wordt als zij niet tot verwijdering leidt. Artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn vereist bovendien dat verwijderingshandelingen met de nodige zorgvuldigheid worden uitgevoerd. In eisers geval is enkel sprake van een repeterend patroon van schriftelijke appels, zonder concrete escalatie of aanvullende effectieve stappen. Dit maakt de bewaring niet functioneel. Uit het arrest Mahdi volgt dat de bewaringsrechter niet formeel maar inhoudelijk dient te toetsen. Naarmate de bewaring voortduurt zonder concreet verwijderingsperspectief, wordt detentie disproportioneel en daarmee ‘arbitrary’ in de zin van het arrest Saadi. Eiser voert verder aan dat de noodzakelijke (verzwaarde) belangenafweging maakt dat overschrijding van zes maanden slechts kan wanneer het belang bij verwijdering aanmerkelijk groter is dan normaal. Aangezien er in het geval van eiser geen concreet zicht op verwijdering bestaat en due diligence ontbreekt, is bewaring niet langer het minst ingrijpende middel maar kan een meldplicht of locatiegebod de beschikbaarheid voor DT&V voldoende waarborgen. Aangezien zicht op uitzetting ontbreekt en verweerder onvoldoende voortvarend handelt kunnen gronden over onttrekking niet dienen als substituut voor het ontbreken van een uitvoerbaar verwijderingsperspectief.
5. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije op dit moment niet ontbreekt, niet in algemene zin en ook niet in eisers specifieke geval. Voorop staat dat eiser geen (reis)documenten heeft, dus verweerder is voor eisers vertrek naar Algerije afhankelijk van het verstrekken van een lp door de Algerijnse autoriteiten. Hoewel de lp-aanvraag al geruime tijd loopt (sinds 4 september 2024), is er vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat afgifte van een lp voor eiser niet meer te verwachten valt. Daarbij vindt de rechtbank allereerst van belang dat de door verweerder verstrekte cijfers van DT&V het standpunt van verweerder onderbouwen dat de Algerijnse autoriteiten hun medewerking verlenen en dat nog altijd voldoende zicht op uitzetting is. De cijfers van 2025 zijn als volgt: 408 ingediende lp-aanvragen, 72 gepresenteerde vreemdelingen, 213 presentaties (gepresenteerd + niet gepresenteerd), 166 nationaliteitsbevestigingen, 114 verkregen lp’s en 85 keer gedwongen vertrek op lp.. De cijfers over de eerste twee maanden van 2026 zijn als volgt: 43 ingediende lp-aanvragen, 7 gepresenteerde vreemdelingen, 31 presentaties (gepresenteerd + niet gepresenteerd), 3 nationaliteitsbevestigingen, 21 verkregen lp’s en 22 keer gedwongen vertrek op lp. Daar komt bij dat verweerder heeft toegelicht dat de Directie Internationale Aangelegenheden van DT&V heeft aangegeven dat de diplomatieke vertegenwoordiger van Algerije altijd heeft aangegeven dat de ambassade op basis van kopie id-document (paspoort, id-kaart en militair boekje) in staat is om de nationaliteit van de Algerijnse vreemdelingen te bevestigen en een lp af te geven. De lp-aanvraag van de ongedocumenteerde zaken zoals die van eiser worden door de ambassade naar de Algerijnse autoriteiten verstuurd voor het identiteitsonderzoek op basis van vingerafdrukken, omdat in Algerije een registratiesysteem bestaat waarin iedereen vanaf 16 jaar met vingerafdrukken wordt geregistreerd. Nergens blijkt uit dat dit (identificatie-)traject bij de Algerijnse autoriteiten niet meer loopt en verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld om dit af te wachten. Verweerder rappelleert regelmatig bij de Algerijnse autoriteiten (recentelijk op 19 februari 2026, 12 maart 2026 en 2 april 2026). Ook voert verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser: het laatste vertrekgesprek heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Dat kan overigens ook pas weer sinds november 2025. Aangezien verweerder voor het lp-traject afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten, kan verweerder op dit moment geen andere handelingen verrichten. De door eiser genoemde handelingen (zoals het boeken van een vlucht, het organiseren van een presentatie in persoon of een fit-to-fly beoordeling) zijn op dit moment nog niet aan de orde. Daarbij is ook van belang dat verweerder heeft toegelicht dat een presentatie pas aan de orde is als de nationaliteit van een ongedocumenteerde vreemdeling zoals eiser door de Algerijnse autoriteiten in Algiers wordt bevestigd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aanwezig op basis waarvan op dit moment moet worden aangenomen dat de autoriteiten van Algerije geen lp aan eiser zullen verstrekken. Dat de lp-aanvraag weliswaar van 4 september 2024 is, is nu nog onvoldoende voor een ander oordeel daarover. Er is ook niet te kennen gegeven dat eiser niet bekend is bij de Algerijnse autoriteiten (in Algiers) of dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd en er ook nog geen presentatie is gepland, is nu geen aanleiding voor een ander oordeel daarover. Er zijn op dit moment dus nog geen feiten of omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat eisers vertrek naar Algerije niet binnen een redelijke termijn gerealiseerd zal kunnen worden. Verder zit eiser op dit moment vanaf 11 november 2025 in bewaring in verband met zijn terugkeer naar Algerije (en dus nog geen zes maanden), terwijl verweerder gedurende die tijd dus ook voldoende voortvarend aan eisers vertrek werkt. Eiser kan daarnaast de duur van de bewaring verkorten en zijn vertrek naar Algerije mogelijk bespoedigen, door documenten over te leggen die zijn identiteit en nationaliteit aantonen dan wel anderszins mee te werken aan terugkeer naar Algerije. De rechtbank stelt echter vast dat eiser niet meewerkt, terwijl dat bovendien wel van hem mag worden verwacht. Eiser is op zijn eigen verantwoordelijkheid gewezen, maar heeft in meerdere vertrekgesprekken (bijvoorbeeld die van 6 maart 2026) gezegd dat hij niets heeft gedaan sinds hij in bewaring zit omdat hij niet terug wil naar Algerije. De rechtbank ziet gelet op al het voorgaande ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van ‘arbitrary detention’ dan wel dat de bewaringsmaatregel inmiddels een punitief karakter zou hebben verkregen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat uit het dossier geen indicaties blijken dat inmiddels moet worden volstaan met een lichter middel zoals een meldplicht of locatiegebod. Uit eisers structurele en actuele verklaringen over zijn medewerking en zijn terugkeer naar Algerije volgt dat er nog steeds sprake is van een onttrekkingsrisico. Verweerders belang dat eisers illegale verblijf hier wordt beëindigd en hij naar Algerije vertrekt, weegt mede daarom nu nog steeds zwaarder dan eisers belang om in vrijheid te worden gesteld. Enkel de duur van het lp-traject weegt op dit moment onvoldoende zwaar voor een ander oordeel hierover. De rechtbank betrekt daarbij dat de bewaringsmaatregel nog geen zes maanden duurt. Bovendien betekent dit dat verweerder nog niet gehouden is om bij het voortduren van de maatregel een verzwaarde belangenafweging te maken. Tot slot zijn er geen (medische) omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan of dat de bewaring voor eiser (bijvoorbeeld vanwege de duur ervan) onevenredig bezwarend is geworden.
6. De rechtbank heeft ambtshalve de overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen beoordeeld en concludeert dat de bewaring in de toetsen periode niet onrechtmatig is geweest. De maatregel wordt dus niet opgeheven.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 april 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.