RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49367
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw. Voorts heeft verweerder een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. P.R. van de Water, die heeft waargenomen voor eisers gemachtigde. Verder is verschenen [naam], tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft de Senegalese
nationaliteit en behoort tot de Pular bevolkingsgroep.
Eiser heeft - samengevat - het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft Senegal verlaten omdat hij homoseksueel is. Vanwege zijn seksuele geaardheid heeft eiser problemen gekregen op de universiteit, in zijn dorp en in zijn familie. Bij terugkeer naar Senegal vreest hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid te worden gedood.
Het bestreden besluit
2. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser twee asielmotieven:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen vanwege eisers homoseksualiteit.
Verweerder vindt de gestelde identiteit niet geloofwaardig, maar vindt de gestelde nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig. Het tweede asielmotief gelooft verweerder ook niet.
Ten aanzien van het eerste asielmotief wordt volgens verweerder niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b en c, van de Vw. Eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort in Marokko heeft verscheurd. Hiermee heeft eiser voor verweerder de mogelijkheid ontnomen om belangrijke informatie, zoals eisers reisbewegingen, in te zien. Daarnaast zorgt het verscheuren van eisers paspoort ervoor dat verweerder eiser niet middels een identificerend document heeft kunnen identificeren. Hoewel eiser kopieën heeft overgelegd van zijn paspoort en identiteitskaart, kan eisers identiteit hiermee niet worden vastgesteld, aangezien de echtheid van deze documenten niet met kopieën kan worden gecontroleerd. Daarnaast heeft eiser wisselend verklaard over de verblijfplaats van zijn paspoort.
Ten aanzien van het tweede asielmotief wordt niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser onder meer wisselend verklaard over het moment waarop hij ontdekte dat hij op jongens viel en heeft hij summier verklaard over hoe zijn leven is veranderd toen hij dit ontdekte en over zijn relatie met Modesti.
Volgens verweerder is Senegal voor eiser een veilig land van herkomst. Omdat verweerder de gestelde homoseksualiteit niet gelooft, behoort eiser volgens verweerder niet tot de uitzonderingscategorie. Daarom heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Omdat eiser zich heeft ontdaan van zijn paspoort en hij dit vermoedelijk met opzet heeft gedaan, heeft verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
Aan eiser is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Beoordeling van de beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat sprake is van een schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische en emotionele gesteldheid van eiser, zoals die blijkt uit het medisch advies van Medifirst.
In het medisch advies van Medifirst van 27 november 2024 staat dat er beperkingen kunnen zijn voor het horen als gevolg van de medische klachten. Eiser ervaart opbouw van spanningen en stress en heeft pijnlijke gebeurtenissen meegemaakt. Er wordt geadviseerd om eiser regelmatig een pauze aan te bieden. Verder heeft eiser volgens dit advies aangegeven dat hij niet in staat is om de exacte data te benoemen omtrent zijn asielrelaas en kan hij vergeetachtig zijn. Volgens eiser kan hij dit bij benadering aangeven.
In het rapport van het aanmeldgehoor en van het nader gehoor zijn geen aanknopingspunten te vinden dat er onvoldoende rekening is gehouden met het medisch advies en met eisers psychische gesteldheid. Het nader gehoor bestond uit twee delen en verder volgt uit dit gehoor dat pauzes zijn ingelast. Ook heeft de gehoormedewerker meermalen aan eiser gevraagd hoe hij zich voelde. In het medisch advies is vermeld dat eiser pijnlijke gebeurtenissen heeft meegemaakt en eiser heeft daarover in het nader gehoor concreet verklaard. Uit het rapport van nader gehoor (rapport NG) leidt de rechtbank af dat de gehoormedewerker daarmee zorgvuldig en empathisch is omgegaan. Niet is gebleken dat eiser vanwege gezondheidsproblemen niet in staat is geweest om te verklaren of dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de inhoud van het medisch advies. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt in welke zin verweerder hiermee onvoldoende rekening zou hebben gehouden. Eiser is tijdens de gehoren voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren.
Voor zover eiser betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader, volgt de rechtbank dat niet. Op pagina 3 van het voornemen is verweerder ingegaan op het referentiekader en op eisers verklaringen die verweerder in dit kader relevant heeft geacht. Eiser is hoogopgeleid. Hij heeft verklaard dat hij door Sukana is geïntroduceerd in de homogemeenschap en dat hij vaker met andere homoseksuelen samenkwam in een appartement. Met deze personen kon eiser over zijn gevoelens en over zijn seksuele geaardheid praten. Op basis hiervan heeft verweerder kunnen verwachten dat eiser hierover kan verklaren tijdens het gehoor.
De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert verder aan dat verweerder zijn verklaringen over zijn identiteit en documenten onjuist heeft gewaardeerd. Verweerder heeft eiser ten onrechte verweten dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn paspoort. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser consequent heeft verklaard dat hij zijn paspoort in Marokko heeft verscheurd uit angst te worden teruggestuurd naar Senegal. Eventuele onduidelijkheden zijn te wijten aan miscommunicatie en gebrekkige vertaling door de tolk tijdens het aanmeldgehoor.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn paspoort. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor (pagina 4 rapport AMG) verklaard dat hij zijn paspoort en identiteitskaart in Senegal heeft achtergelaten en dat hij deze documenten niet heeft kunnen meenemen omdat de manier waarop hij is vertrokken dat niet toeliet. Vervolgens heeft eiser heeft verklaard dat hij (vanwege zijn seksuele geaardheid) is weggestuurd door familie en door de gemeenschap. In het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij zijn paspoort heeft verscheurd (pagina 3 rapport NG). Uit het rapport van het aanmeldgehoor blijkt niet dat er communicatieproblemen zijn geweest met de tolk en dat de tolk eisers verklaringen niet juist heeft vertaald. Ook in de correcties en aanvullingen heeft eiser niets hierover aangevoerd. Bovendien heeft eiser op de zitting weer een andere verklaring afgelegd over zijn paspoort, namelijk dat hij zijn paspoort in Marokko is kwijtgeraakt.
Ter zitting heeft eiser nog gewezen op de andere documenten die hij ter onderbouwing van zijn asielaanvraag heeft overgelegd en die zijn opgesomd op pagina 4 rapport NG (kopieën van eisers identiteitskaart, paspoort, werkgeversverklaring, lidmaatschapskaart en bankgegevens) en betoogd dat zijn identiteit uit deze documenten kan worden afgeleid. De rechtbank volgt dit betoog niet. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan deze kopieën niet de door eiser gewenste waarde kan worden toegekend, nu de authenticiteit van deze documenten niet kan worden vastgesteld. Verder kan een deel van deze documenten niet als identificerende documenten worden beschouwd, zodat eiser ook hiermee zijn identiteit niet kan aantonen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de identiteit van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser is het niet eens met verweerders standpunt dat hij summier en weinig persoonlijk heeft verklaard over zijn homoseksualiteit. Eiser heeft immers consistent verklaard over zijn gevoelens, zijn verliefdheid op een medestudent uit Tsjaad, de bijeenkomsten in appartementen, de mishandelingen en de verstoting door zijn familie.
De vermeende inconsistenties over de leeftijd waarop zijn gevoelens begonnen, zijn
slechts verschillen in nauwkeurigheid en zijn niet wezenlijk. Verweerder past in zijn beoordeling een westerse standaard van openheid toe, wat niet aansluit bij de Senegalese context. De beoordeling door verweerder is daarom niet in overeenstemming met artikel 31, zesde lid, aanhef onder c, van de Vw en met het evenredigheidsbeginsel.
In het voornemen en in het besluit heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers verklaringen over de gestelde homoseksualiteit en de daarmee samenhangende problemen ongeloofwaardig vindt. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het begin van de twijfels over zijn seksuele gerichtheid. Zo heeft eiser aanvankelijk verklaard dat hij op het HBO, nadat hij zijn middelbare school had afgerond, twijfelde aan zijn homoseksuele gerichtheid (pagina 6, 10 en 12 rapport NG). Eiser was toen vermoedelijk ongeveer 19 jaar oud. Tijdens de tweede dag van het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat de eerste twijfels al optraden toen hij 15
of 16 jaar oud was, en dat dit was in een periode waarin eiser nog op de middelbare school zat.
Ook heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij zeker was van zijn homoseksuele gerichtheid. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij zeker hiervan was toen hij op de universiteit zat en ongeveer 23 jaar oud was (pagina 10 rapport NG), terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij zeker hiervan was toen hij ongeveer 15 jaar oud was en seks had met een meisje (pagina 21 en 25 rapport NG). Eiser heeft geen afdoende verklaring voor deze inconsistenties kunnen geven. Eiser is door de mogelijkheid van correcties en aanvullingen op het nader gehoor in de gelegenheid gesteld om opheldering hierover te geven, maar dat heeft eiser niet gedaan.
Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser op meerdere punten summier heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat zijn leven is veranderd sinds hij zeker weet dat hij homoseksueel is. Hij heeft verklaard dat hij zich vrij en lichter voelde (pagina 14 rapport NG). Wanneer eiser wordt gevraagd om dit nader toe te lichten, antwoordt hij dat zijn gevoel is veranderd en dat hij naar een man toe kan als hij wil vrijen. Verweerder heeft van eiser kunnen verwachten dat hij meer diepgang zou kunnen geven over zijn gevoelens. Ter zitting heeft eiser een aantal voorbeelden gegeven van situaties waarbij hij naar eigen zeggen tijdens het nader gehoor meer is ingegaan op zijn persoonlijke gevoelens, bijvoorbeeld over zijn gevoelens over vrouwen toen bij hem twijfels waren ontstaan over zijn seksuele geaardheid. Wat daar verder nog van zij, de door eiser genoemde voorbeelden nemen naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat eiser over (andere) essentiële punten summier en wisselend heeft verklaard en weinig inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke ervaringen en ontwikkeling. Eiser heeft dit in beroep onvoldoende concreet en gemotiveerd weersproken. De stelling dat verweerder eisers verklaringen met een westerse blik heeft beoordeeld, volgt de rechtbank niet, reeds omdat eiser deze stelling onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich al op basis van de hiervoor besproken argumenten niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over het tweede asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en - in het verlengde daarvan - ongeloofwaardig zijn. Het betoog dat de beoordeling door verweerder niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel heeft eiser niet nader onderbouwd, zodat dit betoog daarom niet kan slagen.
De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Senegal een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt vanwege vervolging en strafbaarstelling van homoseksualiteit. Verweerder heeft deze toetsing onvoldoende verricht en miskent de actuele landeninformatie waaruit blijkt dat lhbti-personen in Senegal structureel risico
lopen.
Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de gestelde problemen vanwege zijn homoseksualiteit niet geloofwaardig zijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Senegal een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt.
De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat er sprake is van een onjuiste toepassing van de kennelijk ongegrond-kwalificatie. Volgens eiser is in deze zaak sprake van een inhoudelijk gemotiveerd en consistent relaas, ondersteund door stukken (lidmaatschapskaart, bankafschriften, werkgeversverklaring).
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Vw. Naar het oordeel van de rechtbank kan de afdoening op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet door verweerder worden gehandhaafd. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 16 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1438) heeft geoordeeld dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025 inzake Alace (ECLI:EU:C:2025:591) volgt dat bij een aanwijzing van een veilig land van herkomst geen categorieën personen uitgezonderd mogen worden. De eerdere rechtspraak van de Afdeling op dit punt is daarom niet langer houdbaar. De Afdeling heeft daarom in die uitspraak geconcludeerd dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister de asielaanvraag van appellant had kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst (ook in die zaak gaat het om Senegal).
Dit betekent dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan de afwijzing als kennelijk ongegrond evenwel zelfstandig dragen. Verweerder heeft aan deze afwijzingsgrond ten grondslag kunnen leggen dat eiser zijn Senegalese paspoort heeft verscheurd en dat hij dit vermoedelijk met opzet heeft gedaan. Verweerder heeft eisers stelling dat hij dit paspoort heeft verscheurd omdat hij bang was om te worden teruggestuurd naar Senegal niet als verschoonbare reden voor het vernietigen van dit document hoeven aanmerken.
Conclusie en gevolgen
8. Gelet op wat er hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2025 voor zover de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.