ECLI:NL:RBDHA:2026:9450

ECLI:NL:RBDHA:2026:9450

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 09-346959-25, 02-325675-25 (ttz. gev.), 15-145990-25 (ttz. gev.), 01-258734-25 (tul), 09-259207-23 (tul) en 15-041414-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewezenverklaring opzettelijk aanwezig hebben van lachgas, in voorraad hebben van vals geld, het beschadigen van een slagboom, witwassen en het uitgeven van vals geld. Oplegging ISD voor de duur van 2 jaren voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij deels toegewezen. Vorderingen tul 09/259207-23 en 15/041414-23 niet ontvankelijk. Vordering tul 01/258734-25 toegwezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09-346959-25, 02-325675-25 (ttz. gev.), 15-145990-25 (ttz. gev.), 01-258734-25 (tul), 09-259207-23 (tul) en 15-041414-23 (tul)

Datum uitspraak: 21 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres 1],

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1], [locatie].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 31 maart 2026 (inhoudelijke behandeling) en 14 april 2026 (sluiting onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. C.W.J. Faber naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Onder parketnummer: 09-346959-25 (hierna ook: Dagvaarding I):1hij op of omstreeks 19 december 2025 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,91 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn

2hij op of omstreeks 19 december 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 cilinders, althans een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

3hij op of omstreeks 19 december 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 50 EURO (te weten 23 stuks) dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

4hij op of omstreeks 19 december 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een slagboom, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijfsnaam], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

Onder parketnummer 02-325675-25 (hierna ook: Dagvaarding II)hij op of omstreeks 3 september 2024 te Leiden en/of Waalwijk, althans in Nederland, (van) een geldbedrag van €700,00, althans een of meer voorwerpen Sub b-heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of-gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Onder parketnummer 15-145990-25 (hierna ook: Dagvaarding III)hij op of omstreeks 13 april 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer althans in Nederland, opzettelijk een of meer bankbiljetten van 50 euro dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was als echt en onvervalst heeft uitgegeven

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde feit en heeft zich met betrekking tot de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

Uit het procesdossier volgt weliswaar dat de verdachte op 19 december 2025 in zijn auto is aangetroffen terwijl hij alcohol heeft gedronken, maar daaruit volgt niet dat de verdachte ook onder invloed van alcohol heeft gereden met de auto. Ook de verklaring van de getuige in combinatie met het tijdsverloop tussen haar melding en het arriveren van de politie ter plaatse bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om met voldoende zekerheid vast te kunnen stellen dat de verdachte met de auto heeft gereden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden en spreekt de verdachte daarom van dit feit vrij.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 en de bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring en heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 maart 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 december 2025 (p. 16 van het proces-verbaal met het nummer PL1500 - 2025429501, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 69));

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 december 2025 (p. 24 van het proces-verbaal met het nummer PL1500 - 2025429501, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 69));

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 december 2025 (p. 11 van het proces-verbaal met het nummer PL1500 - 2025429501, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 69));

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 14 april 2025 (p. 14 van het proces-verbaal met het nummer PL27RP/25-031671, van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Politie & Beveiliging, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 18);

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het bij dagvaarding II tenlastegelegde feit opgenomen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2000-2024234657, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 189).

1. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 31 maart 2026, voor zover inhoudende:

[naam] kwam wel vaker naar mij toe met het verzoek om geldbedragen te pinnen en in contanten aan hem te geven. Op een dag kwam hij met een groot bedrag. Ik heb er verder niet bij nagedacht, omdat het steeds goed is gegaan. Het was een bedrag van ongeveer € 600,- of € 700,-. Normaal kreeg ik € 10,- als ik € 50,- pinde, nu kreeg ik € 100,-.

2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 11 september 2024, voor zover inhoudende (p. 12):

Ik doe aangifte van oplichting. Op dinsdag 03 september 2024 omstreeks 17:00 uur, zag ik op Marktplaats een advertentie van een woning in de [adres 2] te [plaats 2]. De naam van de aanbieder is [naam]. Bankgegevens van aanbieder: [rekeningnummer 1]. Ik heb in eerste instantie 487,50 euro betaald. Ik heb nogmaals 487,50 euro overgemaakt. Ik ben omstreeks 19:15 uur naar de [adres 2] in [plaats 2] gereden, samen met mijn ouders. Echter kon ik [huisnummer] niet vinden. Ik heb toen in deze straat bij diverse bewoners gevraagd of zij wisten waar [huisnummer] was en of men [naam] kende. Niemand kende [naam] en [huisnummer] in de [straatnaam] bestaat helemaal niet.

3. Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 20):

Op maandag 14 juli 2025 ontving ik, verbalisant, vanuit politie-eenheid Zeeland-West-Brabant het verzoek om een proces-verbaal op te maken, naar aanleiding van mijn gesprek met de heer [naam], op woensdag 5 september 2024 omstreeks 10:30 uur. Ik had van dit gesprek een mutatie gemaakt en heb toen het volgende vastgelegd:

[naam] vertelde dat hij dinsdag 3 september 2024 iemand tegen was gekomen die had gevraagd of hij zijn bankrekening even beschikbaar wilde stellen. Op 3 september zijn er vervolgens 2 bedragen gestort, te weten: 487,50 euro en 487,50 euro. Deze bedragen zijn afkomstig van [aangever]. [naam] vertelde dat er 975 euro was gestort, maar hij hoefde maar 700 euro over te maken. Het verschil mocht hij houden.

4. Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 29 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 153 - 154):

Ik zag de volgende bijzonderheden op de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] met tenaamstelling [naam]:

Ik zag dat er op 3 september 2024, om 19.19 uur, 487,50 euro overgemaakt is naar de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] met tenaamstelling [naam], deze transactie was afkomstig van [rekeningnummer 2] met tenaamstelling [aangever]. Ik zag ook dat er als omschrijving Borg aanbetaling bij stond. Ik zag dat er op 3 september 2024, om 19.23 uur, 487,50 euro overgemaakt is naar de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] met tenaamstelling [naam], deze transactie was afkomstig van [rekeningnummer 2] met tenaamstelling [aangever]. Ik zag ook dat er als omschrijving Borg aanbetaling bij stond. Ik zag dat er op 3 september 2024, om 19.35 uur, 700,00 euro overgemaakt is naar het [rekeningnummer 3] met tenaamstelling [verdachte].

5. Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 mei 2025, voor zover inhoudende: (p. 118-119):

Ik bekeek de opgevraagde rekeninggegevens van het [rekeningnummer 3], ik zag dat dit rekeningnummer op naam stond van [verdachte]. Ik zag dat hij geboren is op [geboortedatum] 1993.

Ik zag dat er op 03 september 2024 om 17.35 uur, 700 euro overgemaakt is naar de rekening van [verdachte] afkomstig van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [naam].

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte weliswaar op 3 september 2024 een geldbedrag van € 700,- van [naam] heeft ontvangen, maar dat hij niet wist of behoorde te weten dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het geldbedrag van € 700,- uit misdrijf afkomstig is, te weten oplichting van [aangever].

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat [naam] hem heeft gevraagd om het bedrag van € 700,- in ontvangst te nemen en in contanten aan [naam] terug te geven, waarbij hij € 100,- mocht houden. Ook heeft hij verklaard dat hij dit in het verleden vaker voor [naam] heeft gedaan. Naar eigen zeggen hadden deze eerdere transacties betrekking op veel lagere bedragen van maximaal € 50,-, waarvan hij € 10,- mocht houden.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte op zijn minst genomen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Door, zonder vragen te stellen over de herkomst van het geld, tegen betaling van € 100,- mee te werken aan een verzoek van een ander om een veel hoger bedrag dan gebruikelijk in ontvangst te nemen en in contanten terug te geven heeft de verdachte voor lief genomen dat het mogelijk geen zuivere koffie was en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het op zijn bankrekening bijgeschreven geldbedrag van € 700,- uit misdrijf afkomstig was. Daarmee is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 en de onder dagvaarding II en III ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I: 2hij op 19 december 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 cilinders distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3hij op 19 december 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk meerdere bankbiljetten van 50 EURO (te weten 23 stuks) waarvan de valsheid hem, toen hij deze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven;

4hij op 19 december 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een slagboom die aan een ander, te weten aan [bedrijfsnaam], toebehoorde heeft beschadigd

Dagvaarding II: hij op 3 september 2024 te Leiden een geldbedrag van €700,00 -heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

Dagvaarding III: hij op 13 april 2025 te Schiphol opzettelijk een bankbiljet van 50 euro waarvan de valsheid hem, toen hij dit ontving bekend was, als echt en onvervalst heeft uitgegeven

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. Het opleggen van een maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte, zonder aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een voorwaardelijke maatregel wordt opgelegd tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (hierna: ISD-maatregel) met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om het advies van de reclassering te volgen en een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf verschillende feiten. Deze feiten zijn stuk voor stuk hinderlijke feiten waarvan burgers en de maatschappij financiële schade en overlast ondervinden. Door het witwassen heeft het slachtoffer veel overlast ervaren. Het in omloop brengen van vals geld brengt ook het vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer grote schade toe en dupeert bovendien de onwetende ontvanger in ernstige mate. Daarnaast ondervindt het handelsverkeer als geheel door het in omloop brengen van valse bankbiljetten hinder en schade. Door het beschadigen van de slagboom heeft de verdachte blijk gegeven van gebrek aan respect voor andermans eigendommen. Met het plegen van deze feiten heeft de verdachte kennelijk uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belangen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 14 januari 2026 en 5 maart 2026 die over de verdachte zijn opgesteld. De adviezen zijn opgemaakt en ondertekend door reclasseringsmedewerkers.

Uit de rapporten blijkt dat de verdachte impulsief en roekeloos gedrag vertoont. Hij is beperkt in het oplossen van persoonlijke en sociale vraagstukken. Ook is sprake van een disfunctioneel uitgavenpatroon, een hoge schuld en een beperkt legaal inkomen. Daarnaast is de verdachte al drie jaar dakloos en zijn verschillende pogingen tot een stabiele woonvorm mislukt. Het gebrek aan stabiele huisvesting heeft tot een gevoel van frustratie, hogere kosten en destructief gedrag gezorgd. Om dit te kunnen bekostigen, heeft betrokkene delicten gepleegd. De huidige houding en motivatie van de verdachte bieden volgens de reclassering aanknopingspunten voor een langdurig hulpverleningstraject. De verdachte heeft een beschermde omgeving nodig waarin er opnieuw diagnostiek en een behandeling van onderliggende problematiek uitgevoerd kan worden. De reclassering adviseert de rechtbank om aan de verdachte, bij veroordeling, een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met enkele bijzondere voorwaarden.

Voldaan aan ISD-criteria

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voldoet aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-voorwaarden van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 20 december 2025 blijkt dat hij in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.

De verdachte is in het verleden eerder veroordeeld voor misdrijven en de reclassering schat de kans op herhaling in als hoog. Eerdere gevangenisstraffen hebben er tot dusver niet toe geleid dat de verdachte geen misdrijven meer pleegt. Op basis van het strafblad van de verdachte en het advies van de reclassering moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen en goederen in het geding is.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist.

De rechtbank overweegt verder dat de verdachte valt onder de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.

Voorwaardelijke ISD-maatregel

Zoals door de reclassering geadviseerd en ook door de officier van justitie en de raadsman bepleit acht de rechtbank, alles afwegende, het passend om aan de verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit betekent dat de maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd als de verdachte zich houdt aan de voorwaarden die in de beslissing (het dictum) zijn opgenomen. De rechtbank overweegt dat de verdachte ter terechtzitting blijk heeft gegeven van schuldbesef, dat uit de reclasseringsrapportage volgt dat de verdachte de wens heeft om te veranderen en dat de reclassering nog een kans ziet om dit te laten slagen. De rechtbank wil de verdachte daarom een allerlaatste kans geven om zijn gedrag te veranderen en niet meer met politie en justitie in aanraking te komen.

Ter optimale bescherming van de maatschappij zal de rechtbank de voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen voor maximale duur van twee jaar en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten niet aftrekken van de op te leggen maatregel. Daarnaast zal de rechtbank om dezelfde redenen bepalen dat de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke ISD-maatregel wordt verbonden, te weten dat de verdachte geen strafbare feiten mag plegen, zal gelden gedurende een proeftijd van twee (2) jaren tezamen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Als de verdachte deze algemene voorwaarde of een bijzondere voorwaarde niet naleeft, dan ligt de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de rede om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.100,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 975,- aan materiële schade en € 125,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van € 300,- aan proceskosten gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, omdat deze vordering niet is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft aangegeven bereid te zijn om de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Zijn raadsman heeft evenwel primair niet-ontvankelijkheid bepleit en subsidiair dat de schade beperkt moet worden tot het bedrag dat uit het dossier blijkt.

Het oordeel van de rechtbank

Door de benadeelde partij is gesteld dat hij door het handelen van de verdachte materiële schade heeft geleden van € 975,-. Dit wordt ook niet door de verdachte betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks schade van € 975,- heeft geleden als gevolg van handelen van de verdachte behorend bij het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van de materiële schade dan ook toe.

Met betrekking tot de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij weliswaar gesteld heeft dat hij deze (immateriële) schade heeft geleden, maar dat hij heeft nagelaten om dit deugdelijk te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat de benadeelde partij benadeeld is door strafrechtelijk verwijtbaar handelen, is niet genoeg voor de conclusie dat er een wettelijke grondslag voor de gevorderde schadevergoeding in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek bestaat. Nu daarom niet aannemelijk geworden is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, wijst de rechtbank deze vordering af.

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil en wijst de gevorderde proceskostenvergoeding van € 300,- af. De benadeelde partij heeft namelijk niet gesteld en ook is niet gebleken dat hij daadwerkelijk proceskosten heeft moeten maken. De schadevergoedingsvordering is niet ingesteld bij dagvaarding, maar via een algemeen wensenformulier. Daarnaast was de benadeelde partij niet aanwezig bij de zitting.

Naast de op nihil begrote proceskosten wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 975,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vorderingen van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 25 november 2025 gevorderd dat onderstaande voorwaardelijke opgelegde straffen ten uitvoer worden gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden:

1. de bij parketnummer 01/258734-25 door de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant op 28 november 2025 voorwaardelijke opgelegde straf van vier maanden;

2. de bij parketnummer 09/259207-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 9 juli 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 14 dagen;

3. de bij parketnummer 15/041414-23 door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland op 15 mei 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van twee maanden.

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht om de eerste vordering toe te wijzen en gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid in de tweede en derde vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de eerste vordering geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging en subsidiair verzocht om verlenging van de proeftijd. Daartoe is aangevoerd dat tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf het hulpverleningstraject (de klinische opname) vertraagt en daarom niet passend is. Met betrekking tot de tweede en derde vordering heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de tweede en derde vordering tenuitvoerlegging. De rechtbank zal de officier van justitie in die vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Voor de eerste vordering ziet de rechtbank evenwel voldoende gronden voor de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is namelijk gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet aannemelijk geworden dat het hulpverleningstraject van de verdachte vertraagd wordt door tenuitvoerlegging van deze straf. Ook de reclassering heeft geadviseerd tot tenuitvoerlegging van deze straf. De rechtbank zal de eerste vordering van de officier van justitie dan ook toewijzen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 38m, 38n, 38p, 57, 63, 209, 350, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 en de bij dagvaarding II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I onder feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van dagvaarding I onder feit 3:

bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven,

ten aanzien van dagvaarding I onder feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

ten aanzien van dagvaarding II:

witwassen

ten aanzien van dagvaarding III:

opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

legt de verdachte op:

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;

bepaalt dat die maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor Leiden aan de Perzikweg 1 - 7 te (2321 DG) Leiden op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ reclassering Fivoor Leiden, op het adres Perzikweg1 - 7, 2321 DG in Leiden;

- zich gedurende de proeftijd verplicht mee te werken aan controlesom zicht te krijgen op het eventueel gebruik van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in en behandelen door Ipse de Bruggen, Fivoor of een soortgelijke zorginstelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van het Ambulant centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor het psychosociaal functioneren en houding van de veroordeelde. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding of betaald werk, met een vaste structuur;

- zich gedurende de proeftijd verplicht mee te werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor Leiden aan de Perzikweg 1 - 7 te (2321 DG) Leiden tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 975,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 975,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 september 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 9 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2024, gewezen onder parketnummer 09/259207-23;

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 15 mei 2023, gewezen onder parketnummer 15/041414-23;

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Den Bosch op 28 november 2025 in de zaak met parketnummer 01/258734-25.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Bruinsma, voorzitter,

mr. M.L. Harmsen, rechter,

mr. K.M. de Groes, rechter,

in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.G. Bruinsma
  • mr. M.L. Harmsen
  • mr. K.M. de Groes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?