ECLI:NL:RBDHA:2026:9452

ECLI:NL:RBDHA:2026:9452

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer NL25.42387
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Gegrond. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Egypte geen problemen zal ondervinden wegens zijn afvalligheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Egyptische nationaliteit, V-nummer: [nummer],

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.42387

(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),

en

(gemachtigde: mr. J. Veendorp).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 2 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer vreest voor zijn familie en de autoriteiten. Eisers familie heeft hem mishandeld en bedreigd met de dood, omdat hij afvallig is en atheïst is geworden. Vervolgens is eiser het land uit gevlucht. Eiser stelt dat zijn stiefvader en oom veel contacten hebben in Egypte. Daarom heeft hij geen mogelijkheid om zich ergens anders in het land te vestigen. Later heeft eiser gehoord dat zijn familie aangifte tegen hem heeft gedaan wegens minachting van het Islamitisch geloof. Als gevolg hiervan is eiser door de rechtbank in Egypte veroordeeld tot drie jaar celstraf.

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;2. Afvalligheid, tekstbericht over een aangifte van en mishandeling door familie; 3. Strafrechtelijke veroordeling. 4.1. De minister vindt de eerste twee asielmotieven geloofwaardig, maar asielmotief 3 (eisers strafrechtelijke veroordeling) en de aangiftes door zijn familie niet. De minister vindt het geloofwaardig dat een familielid van eiser een bericht heeft gestuurd over het doen van aangifte, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn familie daarna daadwerkelijk aangifte heeft gedaan. Bureau Documenten kan vanwege te weinig vergelijkingsmateriaal geen uitspraken doen over de echtheid van het vonnis van de rechtbank in Egypte. Ook betrekt de minister hierbij dat eiser pas na ontvangst van het voornemen contact heeft opgenomen met zijn advocaat in Egypte, terwijl hij al vermoedde dat de autoriteiten naar hem op zoek waren. Dit doet volgens de minister afbreuk aan de geloofwaardigheid van de vervolging. Eiser heeft aangegeven geen uitingen van zijn afvalligheid te zullen doen in de Arabische maatschappij. Volgens de minister mag dit ook van hem verwacht worden. De minister stelt dat op grond van de landeninformatie niet aannemelijk is geworden dat eiser als afvallige te vrezen heeft voor de Egyptische autoriteiten: Afvalligheid is niet strafbaar in Egypte. Verder stelt de minister dat eiser op dit moment niet door zijn familie wordt bedreigd, omdat het contact met hen verbroken is. Volgens de minister mag van eiser verwacht worden dat hij zich inspant om in Egypte weg te blijven van zijn familie. De minister concludeert dat eiser zijn vrees voor zijn familie en de autoriteiten niet aannemelijk heeft gemaakt.Is het voornemen op een onzorgvuldige wijze uitgebracht?

5. Eiser voert aan dat het voornemen op een onzorgvuldige wijze is uitgebracht. De gemachtigde van eiser had tijdig opgegeven wanneer hij vakantie had. Toch heeft de minister het voornemen verstuurd tijdens zijn vakantie. Het voornemen moet als niet uitgebracht worden beschouwd, omdat de minister artikel 3:2 van de Awb heeft geschonden. Dat de minister het verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze heeft toegekend, maakt dit niet anders. Zonder consequenties zal de minister volgens eiser voornemens en besluiten blijven verzenden tijdens vakanties van de gemachtigde.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat aan de gemachtigde van eiser uitstel is verleend voor het indienen van een zienswijze wegens vakantie van de gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde hebben gelet op het ingewilligde uitstelverzoek genoeg de mogelijkheid gehad om elkaar te spreken en de zienswijze goed voor te bereiden. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van schending van artikel 3:2 van de Awb. Zienswijze herhaald en ingelast

6. De rechtbank overweegt dat de enkele stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hen niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.

Eisers beroepsgrond over asielmotief 3 en zijn gestelde vrees

7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte asielmotief 3 niet geloofwaardig heeft gevonden en ten onrechte eisers vrees dat hij bij terugkeer naar Egypte in de problemen zal komen niet aannemelijk het geacht.

Eiser stelt dat hij vreest voor de autoriteiten, omdat hij vanwege minachting van het geloof is veroordeeld tot drie jaar celstraf. Eiser begrijpt niet dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het vonnis waarin hij wordt veroordeeld door de rechtbank in Egypte. Het Bureau Documenten had via de Nederlandse ambassade aan vergelijkbare documenten kunnen komen om te onderzoeken of het document echt is of een onderzoek kunnen laten doen door de Nederlandse ambassade in Egypte. Verder had Bureau Documenten de gemachtigde van eiser kunnen benaderen om met nader bewijs te komen. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende inspanning verricht om de echtheid van het vonnis te laten onderzoeken, waardoor sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM. Het vonnis bewijst dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft en een verblijfsvergunning moet krijgen. Volgens eiser kan hem alleen een terugkeerbesluit worden opgelegd, wanneer vaststaat dat het document vals is. Dat eiser pas later in de asielprocedure zijn advocaat in Egypte heeft benaderd, kan hem niet worden tegengeworpen. Eiser heeft gewacht hem daarnaar te vragen tot het moment dat het noodzakelijk was, omdat eiser moet betalen voor het verkrijgen van documenten. Eiser had hier eerst geen geld voor, maar realiseerde zich de noodzaak toen er een voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag kwam. Volgens eiser mag het later inbrengen van bewijs geen reden zijn tot afwijzing van de asielaanvraag. Inmiddels wil de advocaat in Egypte vanwege eisers veroordeling niets meer voor hem doen. Het is onmogelijk om een andere advocaat te machtigen, omdat hij daarvoor in Egypte moet zijn. Bovendien zullen vanwege de veroordeling ook andere advocaten niet voor eiser willen optreden. Ter onderbouwing heeft eiser een schriftelijke afwijzing van een advocatenkantoor overgelegd.

Wat oordeelt de rechtbank?

8. De rechtbank overweegt eerst dat uit vaste jurisprudentie volgt dat een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies is aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van Bureau Documenten niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet concludent is. De minister heeft zich hiervan voldoende vergewist en mag derhalve uitgaan van de juistheid van dit advies. Vaststaat daarom dat er geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het vonnis van de Egyptische rechtbank.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om de directeur van Bureau Documenten als getuige te horen op de zitting. Gelet op wat onder 8 is overwogen wijst de rechtbank dit verzoek af, omdat het redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

9. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de minister het ongeloofwaardig vinden van asielmotief 3, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank overweegt eerst dat gelet op het meest recente ambtsbericht van Egypte, een strafrechtelijke veroordeling van eiser niet onmogelijk is. Uit het ambtsbericht volgt dat moslims niet een andere religie mogen omarmen of helemaal geen religie meer mogen aanhangen. Verder lopen moslims die beschuldigd worden van afvalligheid de kans gearresteerd te worden of lastig gevallen door de autoriteiten op andere gronden. Godsdienstvrijheid staat genoemd in de Egyptische grondwet, maar in de praktijk wordt dit recht niet altijd geëerbiedigd door de autoriteiten. Hoewel het Egyptische strafrecht atheïsme niet letterlijk als een misdaad benoemt, komen verdachten wel voor de rechter vanwege minachting van het geloof. In artikel 98(f) van het Egyptische wetboek van strafrecht wordt godslastering namelijk expliciet genoemd als een strafbaar feit: “het minachten en verachten van een van de hemelse religies of de sekten die daarbij behoren”. Hier staan gevangenisstraffen op.

Verder overweegt de rechtbank dat nu de minister eisers afvalligheid, de mishandeling door zijn familie en het tekstbericht van de familie over de aangifte geloofwaardig vindt, er een begin van bewijs is dat er mogelijk daadwerkelijk aangifte is gedaan. Gelet daarop acht de rechtbank het standpunt van de minister dat aan eiser formeel kan worden tegengeworpen dat het vonnis niet op echtheid kan worden onderzocht en dat eiser pas laat in de procedure ander bewijsmateriaal heeft overgelegd, waaronder een door eiser overgelegde brief van het Egyptische openbaar ministerie en een brief van zijn Egyptische advocaat, niet deugdelijk. Verder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank over de aangiftes consistent verklaart.

Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat asielmotief 3 ongeloofwaardig is en dat eiser bij terugkeer naar Egypte geen problemen zal ondervinden wegens zijn afvalligheid.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil finaal te beslechten, omdat de minister asielmotief 3 opnieuw dient te beoordelen en een nieuwe integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dient te verrichten. De minister dient vervolgens een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank eisers beroepsgronden die betrekking hebben op zijn gestelde vrees en de beoordeling van de zwaarwegendheid door de minister, niet bespreken.

12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- .

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 augustus 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?