Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/151973-25
Datum uitspraak: 21 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum 1] 1989 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingvan 7 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Coenen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.W. Dirkzwager naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1Hij op of omstreeks 22 mei 2025 te ’s-Gravenhage en/of in Nederland en/of in Turkije en/of in Duitsland, een medewerker van de politie, in elk geval één of meer perso(o)n(en) met een terroristisch misdrijf en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, heeft bedreigd, door tegen die politiemedewerker te zeggen: “en jullie zijn medeplichtig als ik daar een terreuraanslag ga plegen en/of “Ik ga een terreuraanslag doen. Ik ga een terreurgroepering vormen daar. En dat hebben jullie gecreëerd” en/of als antwoord op de vraag waar hij, verdachte dat wil gaan doen “Heel Nederland. Misschien wel op Schiphol. Misschien wel Hollands Spoor. Misschien wel Centraal Station” en/of “jullie kunnen niet alle scholen veiligheid garanderen. Een Molotov cocktail is heel gauw gemaakt. Elke school daar. Oké vooral waar veel blonden zitten. Wassenaar, Kijkduin, Scheveningen, Leiden, Amsterdam. Ik heb er nog veel meer. Jullie kunnen niet alles veilig maken daar,” in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking,
2Hij op of omstreeks 15 mei 2025, te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2015, te onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, door middels zijn mededader, die zich voordeed als een oom, te trachten die [minderjarige] van school te laten ophalen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3Hij op of omstreeks 15 mei 2025 te Amsterdam en/of in Nederland en/of in Turkije en/of in Duitsland, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [aangever] via whatsapp meerdere berichten te sturen met de volgende teksten:"Ik laat uw dochter [aangever 2] vermoorden” en/of “ik roei uw hele familie uit” en/of “ik hang jullie op aan de Dam in Amsterdam als voorbeeld voor de wereld” en/of “ik roei uw bloedlijn uit” en/of “ik brand uw hele huis/familie uit” en/of “je hebt maar één zoon, ik laat hem ontvoeren, ik begin met je zoon, daarna met je dochters, daarna neem ik jullie hoofden, ik verkracht jouw bloedlijn, ik verbrand je levend en/of ik vijl jullie huid eraf, ze zullen zelfs jullie botten niet vinden”, in elk geval teksten en/of berichten van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
4Hij op of omstreeks 10 april 2025 te ’s-Gravenhage en/of in Nederland en/of in Turkije en/of in Duitsland [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [aangever 2] via whatsapp meerdere berichten te sturen met de volgende teksten: “Ze gaan allemaal één voor één dood, inclusief jij, je kan je man, je vader, je moeder en al die anderen. Ik persoonlijk, vader van je kind [verdachte] , [geboortedatum 1] 1989 geboren [geboorteplaats] ga dat persoonlijk regelen. Ga niet meer stoppen tot dat ik dood val. Zeg tegen hem dat als ik hem zie dat ik hem ga neuken, verkrachten en ophangen en al die vingers, handen hoofden, lichamen ga ik eerst hakken en dan verbranden, ik weet ook waar jij en je familie woont toch of ik of jullie gaan dood”, in elk geval teksten en/of berichten van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
5Hij op of omstreeks 15 mei 2025 te ’s-Gravenhage en/of in Nederland en/of in Turkije en/of in Duitsland, een of meer medewerker(s) van de basisschool [school] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die medewerker(s) telefonisch de woorden toe te voegen “ dat hij een bom op de school zou gooien als hij zijn zoon niet te zien krijgt en/of geslachtsdelen zal afhakken en/of dat hij 100 Hollandse kindjes zou ontvoeren en elkedag het hoofd van een blond kindje met blauwe ogen naar politiebureau Heemstraat zou sturen en/of dat ze nog vier kansen zouden krijgen en als die verspeeld zouden zijn dat hij dan een molotovcocktail of een bom op school zou gooien,” in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
6Hij op of omstreeks 15 mei 2025 te ’s-Gravenhage en/of in Nederland en/of in Turkije en/of in Duitsland een medewerker van Veilig Thuis te weten [naam 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met gijzeling en/of met brandstichting door die medewerker telefonisch de woorden toe te voegen dat als hij niet direct terug zou bellen hij, verdachte, zijn vrouw en kind zou ontvoeren en als er niemand thuis zou zijn, dan zou hij zijn huis in de fik steken, in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
7Hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 14 juli 2025 te ’s-Gravenhage en/of in Nederland en/of in Turkije en/of in Duitsland [naam 2] (meermalen) heeft bedreigd met verkrachting en/of met enig misdrijf tegen het levengericht en/of met gijzeling en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting door tegen die [naam 2] (telefonisch) en/of via chatgesprekken het volgende te zeggen:- “wil je dat ik morgen ook jou en je kinderen erbij laat vermoorden” en/of- “jij wilt vermoord worden” en/of- “ik slacht jou kankerhond” en/of- “ik ga toch jullie allemaal kapot maken” en/of- “ga jullie allemaal verkrachten en verkopen” en/of- “en anders verkoop ik jullie. Als dat niet helpt dan vermoord ik jullie” en/of- “ik ga jou laten verkrachten aan dieren. Daarna gooi ik jou voor de leeuwen” en/of- “ik ga jouw kinderen ontvoeren” en/of- “alles in brand steken” en/of- “De week is morgen om, ga je nog 1000 euro storten of moet een van je kinderen volgende week ontvoeren” en/of- “ik laat jou vermoorden” en/of- “ik laat jou verkrachten” en/of- Ja klopt ik moet haar gewoon laten vermoorden dan is alles afgelopen. Jou ook erbij dan heb ik gelijk 5 kinderen voor me zelf in plaats van 1,althans woorden/teksten van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of door haar (via de telefoon) een afbeelding van een mes te sturen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 en 3 tot en met 7 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van de feiten 1 en 3 tot en met 7 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat de verdachte de heer [naam 3] op 15 mei 2025 naar de school van zijn zoon, [minderjarige] , heeft gestuurd ter uitvoering van het onttrekken aan het wettig gezag van [minderjarige] . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij via [naam 3] met [minderjarige] wilde spreken voor zijn verjaardag, maar dat hij hem niet wilde meenemen. Die verklaring vindt steun in het dossier. De rechtbank is daarom met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal daarvan dan ook worden vrijgesproken.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten 1 en 3 tot en met 7 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025159494, onderzoek GUL25 / DH1R025045, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 315).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Feiten 1, 3 tot en met 7
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 7 april 2026.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 4 september 2025
(p. 236-243).
Feit 1
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 mei 2025 (p. 106-123).
Feit 3
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 15 mei 2025
(p. 19-21).
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 mei 2025 (p. 24-29);
Feit 4
6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 15 mei 2025
(p. 14-17).
Feit 5
7. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , opgemaakt op 16 mei 2025
(p. 61-63).
8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 mei 2025 (p. 102-105).
Feit 6
9. Het proces-verbaal van aangifte [naam 1] , opgemaakt op 19 mei 2025 (p. 67-69).
Feit 7
14. Het proces-verbaal van aangifte [naam 2] , opgemaakt op 27 mei 2025 (p. 42-51).
15. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 oktober 2025 (p. 259-264).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1Hij op 22 mei 2025 te Turkije, een medewerker van de politie met een terroristisch misdrijf en enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, heeft bedreigd, door tegen die politiemedewerker te zeggen: “en jullie zijn medeplichtig als ik daar een terreuraanslag ga plegen en “Ik ga een terreuraanslag doen. Ik ga een terreurgroepering vormen daar. En dat hebben jullie gecreëerd” en als antwoord op de vraag waar hij, verdachte dat wil gaan doen “Heel Nederland. Misschien wel op Schiphol. Misschien wel Hollands Spoor. Misschien wel Centraal Station” en “jullie kunnen niet alle scholen veiligheid garanderen. Een Molotov cocktail is heel gauw gemaakt. Elke school daar. Oké vooral waar veel blonden zitten. Wassenaar, Kijkduin, Scheveningen, Leiden, Amsterdam. Ik heb er nog veel meer. Jullie kunnen niet alles veilig maken daar,”;
3Hij op 15 mei 2025 te Turkije, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door die [aangever] via whatsapp meerdere berichten te sturen met de volgende teksten:"Ik laat uw dochter [aangever 2] vermoorden” en “ik roei uw hele familie uit” en “ik hang jullie op aan de Dam in Amsterdam als voorbeeld voor de wereld” en “ik roei uw bloedlijn uit” en “ik brand uw hele huis/familie uit” en “je hebt maar één zoon, ik laat hem ontvoeren, ik begin met je zoon, daarna met je dochters, daarna neem ik jullie hoofden, ik verkracht jouw bloedlijn, ik verbrand je levend en ik vijl jullie huid eraf, ze zullen zelfs jullie botten niet vinden”;
4Hij op 10 april 2025 te Turkije [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door die [aangever 2] via whatsapp meerdere berichten te sturen met de volgende teksten: “Ze gaan allemaal één voor één dood, inclusief jij, je kan je man, je vader, je moeder en al die anderen. Ik persoonlijk, vader van je kind [verdachte] , [geboortedatum 1] 1989 geboren [geboorteplaats] ga dat persoonlijk regelen. Ga niet meer stoppen tot dat ik dood val. Zeg tegen hem dat als ik hem zie dat ik hem ga neuken, verkrachten en ophangen en al die vingers, handen hoofden, lichamen ga ik eerst hakken en dan verbranden, ik weet ook waar jij en je familie woont toch of ik of jullie gaan dood”;
5Hij op 15 mei 2025 te Turkije, medewerkers van de basisschool [school] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door die medewerkers telefonisch de woorden toe te voegen “dat hij een bom op de school zou gooien als hij zijn zoon niet te zien krijgt en geslachtsdelen zal afhakken en dat hij 100 Hollandse kindjes zou ontvoeren en elke dag het hoofd van een blond kindje met blauwe ogen naar politiebureau Heemstraat zou sturen en dat ze nog vier kansen zouden krijgen en als die verspeeld zouden zijn dat hij dan een molotovcocktail of een bom op school zou gooien,” in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en strekking;
6Hij op 15 mei 2025 te Turkije een medewerker van Veilig Thuis te weten [naam 1] , heeft bedreigd en met gijzeling en met brandstichting door die medewerker telefonisch de woorden toe te voegen dat als hij niet direct terug zou bellen hij, verdachte, zijn vrouw en kind zou ontvoeren en als er niemand thuis zou zijn, dan zou hij zijn huis in de fik steken;
7Hij in de periode van 1 februari 2025 tot en met 14 juli 2025 te Nederland en Turkije [naam 2] meermalen heeft bedreigd met verkrachting en met enig misdrijf tegen het levengericht en met gijzeling en met zware mishandeling en met brandstichting door tegen die [naam 2] (telefonisch) en via chatgesprekken het volgende te zeggen:- “wil je dat ik morgen ook jou en je kinderen erbij laat vermoorden” en- “jij wilt vermoord worden” en- “ik slacht jou kankerhond” en- “ik ga toch jullie allemaal kapot maken” en- “ga jullie allemaal verkrachten en verkopen” en- “en anders verkoop ik jullie. Als dat niet helpt dan vermoord ik jullie” en- “ik ga jou laten verkrachten aan dieren. Daarna gooi ik jou voor de leeuwen” en- “ik ga jouw kinderen ontvoeren” en- “alles in brand steken” en- “De week is morgen om, ga je nog 1000 euro storten of moet een van je kinderen volgende week ontvoeren” en- “ik laat jou vermoorden” en- “ik laat jou verkrachten” en- Ja klopt ik moet haar gewoon laten vermoorden dan is alles afgelopen. Jou ook erbij dan heb ik gelijk 5 kinderen voor me zelf in plaats van 1,
althans woorden/teksten van gelijke bedreigende aard en strekking en door haar (via de telefoon) een afbeelding van een mes te sturen.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat ‘behandeling bij de Waag’ aan de bijzondere voorwaarden moet worden toegevoegd. Dit vanwege hechtingsproblematiek en narcistische trekken.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en dat het van belang is dat de behandeling van de verdachte zo snel mogelijk wordt opgestart.
Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de verdediging verzocht om het contactverbod met [minderjarige] achterwege te laten en om te bepalen dat de elektronisch toezicht op het contact- en het locatieverbod nog maximaal een half jaar van kracht is. Met de door de officier van justitie aanvullend genoemde bijzondere voorwaarde van behandeling bij de Waag is de verdachte het eens.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen van meerdere personen. Hij heeft herhaaldelijk bedreigende, dwingende en diep beledigende berichten verzonden en hij heeft ook gedreigd met het plegen van terroristische misdrijven. De verdachte heeft onder meer bedreigingen geuit richting zijn ex-partner [aangever 2] – de moeder van zijn zoon [minderjarige] – zijn ex-schoonvader [aangever] en zijn ex-partner [naam 2] , hetgeen de ernst van de bedreigingen vergroot doordat deze zich in een intieme en persoonlijke context voor hebben gedaan. De bedreigingen van de verdachte beperkten zich bovendien niet tot slachtoffers die in een persoonlijke relatie met hem staan; ook medewerkers van de school van zijn zoon, van Veilig Thuis en van de politie zijn door de verdachte ernstig bedreigd.
Door zijn handelen is het gevoel van veiligheid van alle slachtoffers ernstig aangetast. Uit het dossier en het door [naam 2] ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht blijkt dat het gedrag van de verdachte ten aanzien van [naam 2] over een langere periode zodanig van aard was, dat zij zich genoodzaakt heeft gezien onder te duiken in een crisis vrouwenopvang gedurende een periode van vijf maanden. [naam 2] bevond zich daar gelet op de ernst van de bedreigingen in een streng regime en kon daardoor niet naar buiten. Ook haar dochter kon in die periode niet naar school. Als resultaat van het gedrag van de verdachte heeft [naam 2] haar leven dus niet meer kunnen leiden zoals ze dat wilde. Hiermee heeft de verdachte de persoonlijke levenssfeer van dit slachtoffer en haar kinderen op indringende wijze aangetast. Uit de toelichting bij het ingediende verzoek tot schadevergoeding blijkt dat bij [naam 2] een depressieve stoornis met kenmerken van een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en zij nog steeds in angst leeft.
De rechtbank kent aan al het voorgaande bij haar strafoplegging een zwaarwegende betekenis toe.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen in verband met een geweldsdelict in de huiselijke sfeer.
Persoon van de verdachte
Uit het Pro Justitia-rapport, opgemaakt op 7 januari 2026 door gezondheidszorgpsycholoog drs. T. 't Hoen, volgt dat ten tijde van het ten laste gelegde bij de verdachte sprake was van een (manisch) psychotische ontregeling (zeer waarschijnlijk) passend bij een psychotische stoornis door het gebruik van cannabis en alcohol en bovendien van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. De verdachte was daardoor onvoldoende in staat om zijn gedrag op een meer gezonde wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De onderzoeker is van mening dat de verdachte, ook als hij niet onder invloed was, als gevolg van zijn reeds ingezette (manisch) psychotische ontregeling in die periode problematisch gedrag vertoonde. De alcohol zal dit uiteraard wel hebben versterkt. De onderzoeker adviseert om de verdachte vanuit gedragskundig oogpunt het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. De onderzoeker schat het risico op vergelijkbaar delictgedrag in als matig, als de verdachte geen passende behandeling en begeleiding krijgt. Het risico dat hij bij oplopende stress en problemen weer terugvalt op het gebruik van middelen en daardoor opnieuw een ontregeling plaats gaat vinden, schat de onderzoeker, ondanks verdachtes uitgesproken voornemen nooit meer alcohol of drugs te gebruiken, in als reëel.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 9 februari 2026, waaruit het advies volgt om, mede gelet op het psychologisch onderzoek, bij schorsing en/of een voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:
• Meldplicht bij reclassering
• Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
• Contactverbod
• Contactverbod met GPS en slachtofferdevice
• Locatieverbod met elektronisch toezicht
• Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
• Beheersing middelengebruik
De voorlopige hechtenis van de verdachte is per 16 februari 2026 geschorst onder de hierboven genoemde voorwaarden. In een e-mail van 1 april 2026 heeft de reclassering laten weten dat de huidige voorwaarden volstaan. De verdachte heeft een meewerkende houding en begaat geen overtredingen.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Hierin staat als uitgangspunt voor een woordelijke bedreiging een geldboete vermeld. In dit geval vindt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden strafverhogend. De verdachte heeft meerdere personen herhaaldelijk en ernstig bedreigd met enkele van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, waaronder de dood en een terroristisch misdrijf. De rechtbank hecht bijzonder gewicht aan zowel de aard van de bedreigingen als aan de intensiteit waarmee deze zijn geuit. Daartegenover staat dat de rechtbank bij de strafoplegging ook waarde toekent aan het Pro Justitia-rapport, waaruit het advies volgt om het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen vanwege zijn psychische problematiek.
Gelet op de ernst van de feiten en hetgeen wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 420 dagen waarvan 199 dagen voorwaardelijk - met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht - en daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren. Het onvoorwaardelijke strafdeel daarmee is gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis in Duitsland (vanaf 11 juli 2025) en Nederland (vanaf 3 september 2025 tot en met 16 februari 2026), zijnde 221 dagen. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering en daarnaast de aanvullende voorwaarde van behandeling zoals door de officier van justitie is geëist.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden – zoals die al van kracht zijn als schorsingsvoorwaarden – te wijzigen, zoals door de verdediging is verzocht. Het contactverbod met [minderjarige] zoals opgenomen in het dictum bevat een uitzondering voor contact voor zover dat wordt geïnitieerd door Veilig Thuis, een instelling voor jeugdzorg en/of de reclassering. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eventuele ontwikkelingen met betrekking tot gezag en omgang kunnen worden gerealiseerd door een verzoek tot aanpassing van de bijzondere voorwaarden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat elektronische monitoring noodzakelijk is, zo lang als de reclassering dat nodig acht.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Mr. Fakiri heeft zich namens [naam 2] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 41.605,80, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 605,80 aan materiële schade en € 41.000 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om de immateriële schadevergoeding van € 41.000 aanzienlijk te matigen en voert daartoe het volgende aan.
Uit de onderbouwing blijkt niet zonder meer dat het gestelde geestelijk letsel van [naam 2] het gevolg is van het tenlastegelegde feit. Verder blijkt dat sprake is van kenmerken van PTSS en niet van de diagnose PTSS. Om die reden kan niet worden uitgegaan van de zwaarste categorie bij geestelijk letsel in de vorm van een PTSS zoals genoemd onder 14.2 van de Rotterdamse Schaal. Daarnaast ziet deze categorie op situaties met blijvende en zeer ingrijpende gevolgen. Een onderbouwing dat het geestelijk letsel van [naam 2] zodanig ernstig is ontbreekt. De verdediging verzoekt de rechtbank om aansluiting te zoeken bij de richtlijnen van de Rotterdamse Schaal inzake bedreigingen, waarbij in ernstige gevallen – waarbij sprake is van aantasting in de persoon – een vergoeding wordt voorgeschreven tot circa € 1.500.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 605,80 aan gederfde inkomsten gevorderd.
Dit deel van de vordering is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 7 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is een bedrag van € 41.000 aan immateriële schade gevorderd.
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat [naam 2] voldoende concrete gegevens heeft aangevoerd waaruit volgt dat zij psychische schade heeft opgelopen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [naam 2] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 7 bewezenverklaarde feit. Dat de bij [naam 2] vastgestelde depressieve stoornis met kenmerken van PTSS blijkens de brief van de behandelend psycholoog van [naam 2] ook deels zijn oorzaak vindt in eerdere gebeurtenissen tussen [naam 2] en de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde bedreigingen en de gediagnostiseerde stoornis. Wel is de rechtbank van oordeel dat aansluiting bij categorie (a), zeer ernstig, niet passend is. Uit de brief van de psycholoog van bij wie [naam 2] in behandeling is blijkt immers niet dat de gevolgen voor [naam 2] blijvend zijn. Zij is in behandeling met het oog op herstel en re-integratie in haar eigen sociale netwerk. Ook uit de verklaring van de trajectbegeleider van [naam 2] bij [instelling] leidt de rechtbank af dat, hoewel de impact van de gebeurtenissen op het leven van [naam 2] nog steeds groot is, zij onder begeleiding stapjes zet richting een zelfstandig leven. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij categorie (b), ernstig, van de Rotterdamse schaal ingeval van een PTSS. De rechtbank acht de daarin genoemde ondergrens van € 16.000,- ingeval van [naam 2] billijk en zal de geleden immateriële schade vaststellen op dat bedrag.
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank sluit niet uit dat de benadeelde partij meer schade heeft geleden. Voor de bepaling daarvan is echter, in het licht van de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing vereist. De benadeelde partij daartoe de gelegenheid geven zou leiden tot een onevenredige benadeling van het strafproces. Zij kan zich daarvoor wenden tot de civiele rechter.
Totaal toegewezen schade
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 16.605,80, bestaande uit € 605,80 aan materiële schade en € 16.000 aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de schade toewijzen met ingang van 1 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 7 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij zal daarom tegenover het slachtoffer [naam 2] aansprakelijk zijn voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 16.605,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 2] .
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1: bedreiging met een terroristisch misdrijf en met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
en
ten aanzien van feiten 3 tot en met 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
en
ten aanzien van feit 6: bedreiging met gijzeling en met brandstichting;
en
ten aanzien van feit 7: bedreiging met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht en met gijzeling en met zware mishandeling en met brandstichting;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 420 (vierhonderdvijfentwintig) dagen;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 199 (tweehonderdvijf) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met
zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod, zolang de reclassering dat nodig vindt. Met elektronische monitoring via enkelband en Slachtofferdevice kan de reclassering het genoemde slachtoffer informeren als de veroordeelde dichtbij komt;
- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in gedeeltes van Den Haag (Laak en Spoorwijk, Wateringseveld (sportvereniging zoon) en rondom de [school] ), zolang de reclassering dat nodig vindt. De locatieverboden staan beschreven in de bijlage. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres [adres 3] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Fivoor en de Waag en/of een soortgelijke zorginstelling op, door of namens de behandelaar(s) aan te geven, tijdstippen en plaats, zolang de behandelaar(s) of de reclassering dit noodzakelijk acht(en). De verdachte zal daartoe tevens meewerken aan een eventuele intakeprocedure. De verdachte zal zich gedurende deze behandeling houden aan de aanwijzingen van de behandelaar(s). De behandeling is gericht op de psychische problematiek, verslavingsproblematiek en coping. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
voor zover - ter beoordeling van voormelde zorginstelling in overleg met de
reclassering - zich een crisis bij de verdachte voordoet, zich eenmalig zal laten
opnemen ter bestrijding van die crisis, waarbij de behandeling tevens kan bestaan
uit detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek, voor de duur van
maximaal zeven weken of zoveel korter als de zorginstelling in overleg met de
reclassering noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik
en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen,
genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen
onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen
bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt
hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
de voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 2] deels toe tot een bedrag van € 16.605,80 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 16.605,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van honderdacht (108) dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. L.E. Kramer en A. Dorrani, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2026.