ECLI:NL:RBDHA:2026:9475

ECLI:NL:RBDHA:2026:9475

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer NL24.21116
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vreemdelingenrecht. Beroep ongegrond. Verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd ingetrokken door verbreken relatie. Melding door referente is leidend en niet datum uitschrijving BRP. Terugwerkende kracht niet in strijd met Besluit nr. 1/80. Geen verblijfsrecht onder Besluit nr. 1/80.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.21116

(gemachtigde: mr. M. Wiersma),

en

de minister van Asiel en Migratie , verweerder

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij [naam 1] (referente). Verweerder trekt de verblijfsvergunning in met terugwerkende kracht tot 24 juli 2023, omdat de relatie van eiser volgens referente op die datum is geëindigd. Eiser is het niet eens met de intrekking. Hij voert onder meer aan dat verweerder – gelet op Besluit nr. 1/80 – de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht mocht intrekken. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht heeft kunnen intrekken. Besluit 1/80 staat daaraan niet in de weg. Ook anderszins heeft eiser geen verblijfsrecht op grond van Besluit 1/80. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Eiser krijgt wel een schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 28 november 2023 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ met terugwerkende kracht tot 24 juli 2023 ingetrokken. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen die intrekking.

Met het bestreden besluit van 19 april 2024 is verweerder bij dat besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. [naam 2], de neef van eiser, is ter ondersteuning van eiser meegekomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en heeft op 24 juni 2022 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ gekregen vanwege zijn huwelijk met referente. Op 27 juli 2023 heeft referente verweerder geïnformeerd dat de relatie per 24 juli 2023 is verbroken. Met het voornemen van 10 oktober 2023 heeft verweerder eiser geïnformeerd voornemens te zijn de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 24 juli 2023 in te trekken omdat de relatie toen is verbroken. Eiser heeft geen zienswijze ingediend.

Met het besluit van 28 november 2023 heeft verweerder de verblijfsvergunning per 24 juli 2023 ingetrokken. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 19 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder houdt voor wat betreft de intrekkingsdatum vast aan de datum van het verbreken van de relatie op 24 juli 2023 en niet aan de datum van uitschrijving van eiser van het woonadres van referente in de Basisregistratie Personen (BRP) op 1 september 2023. Er is volgens verweerder geen beletsel om de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in te trekken. Voor zover eiser stelt dat hij aan artikel 6 van Besluit nr. 1/80 verblijfsrechten ontleent, stelt verweerder vast dat eiser deze stelling niet heeft onderbouwd met stukken. Uit de voor verweerder toegankelijke informatie blijkt dat eiser een dienstbetrekking heeft gehad tot 21 mei 2023 bij [bedrijf 1] en vanaf 18 september 2023 bij [bedrijf 2] Verweerder stelt vast dat daarmee niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 van Besluit nr. 1/80, zodat eiser ook op die grond niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

Toetsingskader

4. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken of niet worden verlengd als aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning niet meer wordt voldaan. Een verblijfsvergunning wordt niet ingetrokken met terugwerkende kracht als de vreemdeling met de Turkse nationaliteit verblijfsrecht heeft op grond van Besluit nr. 1/80. Dat verblijfsrecht kan ontstaan als de vreemdeling minimaal één jaar legaal arbeid heeft verricht voor dezelfde werkgever en die werkgever werkgelegenheid heeft.

Het wettelijk kader van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Is de relatie tussen eiser en referente beëindigd per 24 juli 2023 of 1 september 2023?

5. Eiser stelt dat de relatie tussen hem en referente is geëindigd op het moment dat hij is uitgeschreven van het woonadres van referente. Dat was op 1 september 2023. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van de datum waarop referente heeft aangegeven dat de relatie is beëindigd. Eiser heeft daarover ter zitting verklaard dat eiser en referente tot het moment van uitschrijving hebben geprobeerd om hun relatie te redden, maar dat de relatie toen definitief is geëindigd.

De rechtbank stelt vast dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk feitelijk of juridisch is verbroken. Omdat referente verweerder op 27 juli 2023 heeft geïnformeerd dat de relatie per 24 juli 2023 feitelijk is geëindigd en zij op die melding niet is teruggekomen, heeft verweerder die datum kunnen aanhouden als het moment van het feitelijk verbreken van de gezinsband (het huwelijk) en dus als intrekkingsdatum van de verblijfsvergunning. Dat eiser nog tot 1 september 2023 op het woonadres stond ingeschreven en stelt tot die tijd een relatie met referente te hebben gehad, doet daar niet aan af. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de relatie na de melding heeft voortgeduurd, zodat verweerder ook daarom niet hoefde te twijfelen aan de datum van de feitelijke verbreking van de relatie op 24 juli 2023.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kan de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht worden ingetrokken?

6. Eiser stelt dat de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Daarbij verwijst eiser naar de standstill bepaling zoals neergelegd in artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Eiser geeft aan dat op grond van deze bepaling geen nieuwe beperkingen mogen worden opgelegd aan Turkse werknemers ten opzichte van hun positie op 1 december 1980.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of verweerder de verblijfsvergunning van eiser in dit geval met terugwerkende kracht heeft kunnen intrekken, artikel 13 van het Besluit nr. 1/80 geen rol speelt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Unal bepaald dat bij een intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan, moet worden nagegaan of de vreemdeling op de datum van het intrekkingsbesluit een verblijfsrecht kan ontlenen aan – in dit geval – artikel 6, eerste lid, onder het eerste streepje van Besluit nr. 1/80. Als dat zo is, dan kan de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Dit is ook zo vastgelegd in paragraaf B1/6.3 van de Vc. Om rechten te kunnen ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 dient sprake te zijn van een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt behoort en tenminste een jaar legale arbeid heeft verricht voor dezelfde werkgever, die nog steeds werk voor hem heeft. De rechtbank overweegt dat eiser niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit (28 november 2023) minimaal één jaar legaal arbeid heeft verricht bij dezelfde werkgever en die werkgever ook na dat jaar werkgelegenheid biedt. Hoewel eiser in het bezwaarschrift heeft toegezegd nadere stukken te overleggen voor de stelling dat hij aan artikel 6 van het Besluit nr. 1/80 voldoet, heeft hij dat zowel in bezwaar als in beroep nagelaten. Ook anderszins kan niet worden vastgesteld dat eiser aan artikel 6 voldoet. Hoewel verweerder in Suwinet heeft achterhaald dat eiser heeft gewerkt, blijkt daaruit niet dat eiser één jaar lang heeft gewerkt bij dezelfde werkgever. Eiser heeft namelijk van 24 april 2023 tot 21 mei 2023 bij [bedrijf 1] en van 18 september 2023 tot 31 december 2023 bij [bedrijf 2] gewerkt. Dat is minder dan een jaar. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet blijkt dat eiser rechten kan ontlenen aan Besluit nr. 1/80 en kon in die situatie de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht intrekken.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van overschrijding van de redelijke termijn?

7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het is vaste rechtspraak dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder, te weten op 20 december 2023. Op de datum van de uitspraak is de termijn met (afgerond) vier maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Omdat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden, heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 500,-.

Voor de toerekening geldt dat de bezwaarfase een half jaar mocht duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 19 april 2024. Verweerder is daarmee binnen de termijn voor de behandeling van de bezwaarfase gebleven. De overschrijding wordt volledig toegerekend aan de rechtbank. De Staat moet dus € 500,- aan eiser betalen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht mocht intrekken.

Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Eiser heeft ook recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat deze proceskosten vergoeden. Voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding is geen griffierecht verschuldigd. De Staat hoeft daarom geen griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 500,-;

- veroordeelt de Staat tot betaling van de proceskosten aan eiser van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Besluit nr. 1/80

Artikel 6

1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

– na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

Artikel 13

De Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

Artikel 18

1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;

Artikel 19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)

Artikel 3.14

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan:

a. de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;

Artikel 3.17

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)

Paragraaf B1/6.2.

(…)

Op grond van artikel 19 Vw trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op de in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a en c tot en met i, Vw genoemde gronden.

Paragraaf B1/6.3.

De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in met ingang van de datum waarop niet (meer) werd voldaan aan de voorwaarden.

Paragraaf B7/3.1.5.

De IND neemt aan dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk tussen de vreemdeling en de referent feitelijk of juridisch is verbroken.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?