ECLI:NL:RBDHA:2026:9481

ECLI:NL:RBDHA:2026:9481

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer NL25.43303
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

beroep, asiel, arrest T.Q., 8 EVRM, horen, gegrond

Uitspraak

[naam] , eiser,V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. Bij besluit van 12 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser met ingang van 2 januari 2019 tot 8 oktober 2021 een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder a, Vb (AMV-buitenschuld). Met dit besluit heeft de minister tevens beslist dat eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van overige humanitaire gronden krijgt en ook geen uitstel van vertrek om medische redenen. Aan eiser is verder een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. van der Woude-Bouius als waarnemer van zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis

4. Op 2 januari 2019 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Ten tijde van de asielaanvraag

was eiser minderjarig.

Bij besluit van 15 april 2019 heeft de minister de hiervoor genoemde asielaanvraag

afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. In dit besluit is tevens

opgenomen dat eiser Nederland binnen 28 dagen dient te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit). Het namens eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats

Zwolle, bij uitspraak van 7 mei 2019 ongegrond verklaard. Het besluit van 15 april 2019 is door de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2019 in rechte onaantastbaar geworden.

Op 1 maart 2021 heeft de minister -onder verwijzing naar het arrest van het Hof

van 14 januari 2021 in de zaak T.Q. tegen Nederland- het hiervoor onder 3.1. genoemd

besluit ingetrokken, voor zover dit het terugkeerbesluit betreft.

Eiser heeft op 19 november 2021 in een M35-O formulier verzocht om het besluit

van 15 april 2019 naar aanleiding van het arrest T.Q. te herzien. Eiser is voorafgaand aan het herzieningsverzoek meerderjarig geworden. Bij besluit van 14 december 2021 heeft

de minister beslist op eisers verzoek. De minister heeft het herzieningsverzoek opgevat als

een herhaalde aanvraag en heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe

elementen of bevindingen heeft aangevoerd. De minister heeft eisers aanvraag daarom niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft zich daarbij ook op het standpunt gesteld dat het arrest T.Q. niet tot een andere beslissing leidt, nu aan eiser uitstel van vertrek is verleend en de minister zich hiermee heeft gehouden aan het arrest T.Q. In het besluit van 14 december 2021 is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 8 februari 2022 gegrond verklaard. In die uitspraak heef de rechtbank geoordeeld dat de minister het verzoek van eiser niet op de juiste wijze heeft beoordeeld en dat de minister het herzieningsverzoek alsnog in behandeling moet nemen en als zodanig moet beoordelen.

Bij besluit van 16 februari 2024 is de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk

verklaard en het herzieningsverzoek afgewezen.

Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen ingediende beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 februari 2024 vernietigd. Volgens de rechtbank kleefden aan dat besluit een aantal motiverings- en onderzoeksgebreken. De rechtbank heeft -samengevat- geoordeeld dat het herzieningsverzoek opnieuw ten onrechte is aangemerkt als een opvolgende asielaanvraag en ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het arrest T.Q. een uitleg is van hoe de Terugkeerrichtlijn altijd al had moeten worden uitgelegd en dat al vanaf 15 januari 2019 -achteraf bezien- onjuist is gehandeld door de minister door geen onderzoek te doen naar adequate opvang. Dit onderzoek is feitelijk pas op 23 november 2022 opgestart. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het onderzoek naar adequate opvang onvoldoende voortvarend heeft verricht, dat hij dit gegeven moet betrekken bij het verzoek om herziening en dat de opvang in ‘Maison de Bonheure’ niet kan worden aangemerkt als adequate opvang. Het door de minister verrichtte onderzoek naar adequate opvang was volgens de rechtbank onzorgvuldig.

Onderhavige procedure

5. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 heeft de minister eiser met terugwerkende kracht van 2 januari 2019 tot 8 oktober 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder a, Vb (AMV buitenschuld). Verder is -voor zover van belang - beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM en dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten. Volgens de minister zijn de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden niet zodanig bijzonder dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van zijn privéleven in Nederland. De belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit. Verder slaagt het beroep op artikel 6 van het EVRM volgens de minister niet, omdat de minister artikel 6 niet van toepassing acht op onderhavige bestuursrechtelijke procedure.

Had de minister eiser moeten horen in het kader van artikel 8 van het EVRM?

6. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het besluit. Volgens eiser heeft de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onzorgvuldig onderzoek verricht naar de belangen van eiser. De minister heeft zich volgens eiser ten onrechte gebaseerd op gehoren uit 2019 terwijl het bestreden besluit dateert van 12 augustus 2025. Eiser stelt verder dat horen het uitgangspunt is bij een beoordeling in het kader van 8 van het EVRM.

De minister stelt zich op het standpunt dat er door eiser niets naar voren is gebracht op grond waarvan de minister aanleiding had moeten zien om eiser in het kader van artikel 8 EVRM te horen.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of uitzetting van eiser al dan niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM dient te worden gekeken naar alle actuele feiten en omstandigheden van dat moment. Het horen van een vreemdeling is een belangrijk middel om alle relevante feiten en omstandigheden boven tafel te krijgen. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de WI 2022/20. Hierin staat onder meer dat het uitgangspunt om te horen te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Dit zijn bijvoorbeeld zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt en zaken waarin het verblijf van een vreemdeling wordt beëindigd. Dat deze werkinstructie ziet op de hoorplicht in bezwaar, laat onverlet dat het horen van groot belang kan zijn in zaken waarin de feitelijke situatie een grote speelt bij de beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser ten onrechte niet heeft gehoord. In het voornemen heeft de minister voornamelijk gewezen op verklaringen van eiser tijdens de gehoren van januari en april 2019. Van een beoordeling van de actuele situatie ten tijde van het voornemen is de rechtbank niet gebleken. De minister heeft ook na de door eiser ingediende zienswijze, waarin in elk geval is aangegeven dat eiser een relatie heeft, hij en zijn partner toekomstplannen maken, hij de Nederlandse taal beheerst en een sociaal leven heeft opgebouwd in Nederland, niet besloten om eiser uit te nodigen voor een gehoor om alle relevante feiten en omstandigheden helder te krijgen. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het voorgaande onzorgvuldig heeft gehandeld, te meer nu eisers verklaringen tijdens de gehoren dateren van 2019 en het bestreden besluit ruim zes jaar later is genomen. De rechtbank acht verder van belang dat uit het bestreden besluit volgt dat enkele feiten en omstandigheden die zien op het opgebouwde privéleven onduidelijk zouden zijn gebleven dan wel onvoldoende zouden zijn onderbouwd, zodat het op de weg van de minister had gelegen om eiser hierover nader te horen. De minister heeft in het bestreden besluit en ook ter zitting ten onrechte gesteld dat het op de weg van eiser lag om de minister op de hoogte te stellen van eventuele veranderde of relevante omstandigheden en dat eiser dit heeft nagelaten. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat er voor eiser tot aan het voornemen geen enkele reden bestond om de minister te informeren over de sociale contacten die hij in Nederland is aangegaan en om aan te geven in hoeverre er sprake was van privéleven en of familie- en gezinsleven. Een besluit of een voornemen met overwegingen die zien op artikel 8 van het EVRM was tot dan toe immers nog niet aan de orde. Dit is eerst met het voornemen aan de orde geweest en eiser heeft de minister middels de zienswijze ook geïnformeerd over de relevante omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank had het dan ook op de weg van de minister gelegen om bij onduidelijkheden eiser nader te horen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De rechtbank overweegt verder dat eiser terecht heeft aangevoerd dat de minister in zijn besluit naar de maatstaf van bijzondere omstandigheden verwijst. Deze maatstaf is alleen van toepassing als het verblijf vanaf de totstandkoming van het familie- of privéleven al onzeker was. Zie bijvoorbeeld de arresten van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 108, en 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, paragraaf 79. De rechtbank overweegt dat aan eiser met terugwerkende kracht van 2 januari 2019 tot 8 oktober 2021 een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ is verleend, zodat er voor een gedeelte van het verblijf sprake is geweest van rechtmatig verblijf. Ook om die reden kan het bestreden besluit geen stand houden.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister in de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en dat dit in het nadeel van eiser meeweegt. De rechtbank stelt in dit verband vast dat -ondanks het ontbreken van een uittreksel uit het justitiële documentatie- onbetwist is gebleven dat eiser niet veroordeeld is voor het plegen van een misdrijf. Volgens het bestreden besluit zou de justitiële documentatie bestaan uit een tweetal overtredingen waarvoor eiser een geldboete heeft gekregen. Dat eiser zich tot twee keer toe schuldig zou hebben gemaakt aan een overtreding en daarvoor beboet is, is echter onvoldoende om aan te nemen dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. De rechtbank wijst in dit verband naar artikel 3.77, eerste lid, sub c, Vb waaruit volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde als de vreemdeling is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf. De rechtbank wijst verder op werkinstructie 2020/16 paragraaf 6.2, waaruit eveneens volgt dat sprake moet zijn van een misdrijf om in het kader van de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een rol te kunnen spelen. Nu in het onderhavige geval geen sprake is van een misdrijf maar een overtreding, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en dat dit in de belangenafweging in zijn nadeel meeweegt. Het bestreden besluit komt ook om die reden in aanmerking voor vernietiging.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan de minister is om eiser te horen omtrent alle relevante feiten en omstandigheden in het kader van artikel 8 van het EVRM en om vervolgens een belangenafweging te maken tussen de belangen eiser bij verblijf in Nederland en de belangen van de Nederlandse Staat bij vertrek van eiser naar zijn land van herkomst. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?