[naam], verzoeker,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Onder welke voorwaarden kan een verzoek tot vergoeding van de proceskosten worden ingediend?
2. Verzoeker heeft zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen ingetrokken, omdat de minister door het nemen van een besluit tegemoet is gekomen aan zijn verzoek. Verzoeker heeft daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
3. Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten.
Voldoet het beroep van verzoeker aan de voorwaarden?
4. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 het in deze zaak toepasselijke
wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 heeft geoordeeld, is zij nu van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië, in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
5. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel
31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan verlengen tot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen uitstellen in individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
6. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als
opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af.
7. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. In de zaak van eiser is de aanvraag ingediend op 6 december 2023. De beslistermijn was voordat het BVM van kracht werd al verstreken. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit had moeten nemen op de asielaanvraag. Eiser heeft de minister op 8 mei 2025 in gebreke gesteld, de beslistermijn was toen nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep zou niet-ontvankelijk zijn verklaard wanneer verzoeker dit beroep niet had ingetrokken.
8. Het beroep van verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden, het verzoek om een
proceskostenveroordeling zal dan ook worden afgewezen.
9. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de minister in zijn brief van 21 januari
2026 aangeeft bereid te zijn de proceskosten van verzoeker te vergoeden. Wat daar ook van zij, het maakt de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de ingebrekestelling niet anders. Verzoeker kan zich tot de minister richten met betrekking tot de door hem getoonde bereidheid.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen.
Beslissing
- De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.