Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/24
zaak- /rekestnummer: C/09/702023 / KG RK 26/558
Beslissing van 20 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag,
strekkende tot de wraking van
mr. D. Nobel,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 10 maart 2026, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van verzoekster van 9 april 2026.
Op 13 april 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de gemachtigde van verzoekster, mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag;
- [naam 1] en [naam 2] , namens Stichting Hof Wonen (hierna: Hof Wonen), de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder.
Verzoekster en de kantonrechter zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van de wrakingskamer verschenen.
De kantonrechter is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek van verzoekster, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
De wrakingskamer betreurt het dat zij geen (schriftelijke) reactie van de kantonrechter heeft ontvangen. Zij had het op prijs gesteld als de kantonrechter een schriftelijke reactie aan de wrakingskamer had toen toekomen of ter zitting zou zijn verschenen om te reageren op het wrakingsverzoek.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 11893526 \ RL EXPL 25-17465 tussen verzoekster en Hof Wonen (hierna: de hoofdzaak).
In de hoofdzaak heeft Hof Wonen – kort samengevat – gevorderd dat de huurovereenkomst tussen Hof Wonen als verhuurder en verzoekster als huurster ten aanzien van de woning aan het [adres] wordt vernietigd wegens bedrog of dwaling door verzoekster, dan wel wordt ontbonden wegens het niet nakomen van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en de wet door verzoekster. Tevens heeft Hof Wonen ontruiming van voornoemde woning en vergoeding van de door haar geleden schade gevorderd.
Verzoekster heeft tegen de vorderingen van Hof Wonen gemotiveerd verweer gevoerd en – onder andere – een beroep op psychische overmacht vanwege haar medische toestand gedaan.
Op 10 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij verzoekster en haar gemachtigde mr. E.R. Schenkhuizen, en Hof Wonen en haar gemachtigden zijn verschenen en gehoord. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft verzoekster de kantonrechter gewraakt.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek en het e-mailbericht van haar gemachtigde van 9 april 2026, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling door de gemachtigde van verzoekster, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.
a.
De kantonrechter is partijdig vanwege belangenverstrengeling.
b.
De kantonrechter heeft verzoekster geen ruimte gelaten uit te praten, terwijl zij de wederpartij wel heeft laten uitpraten.
c.
De wijze van vraagstelling door de kantonrechter draagt bij aan de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Verzoekster had moeite haar antwoorden volledig te geven en begreep de vragen niet altijd. Desondanks heeft de kantonrechter haar wijze van ondervraging voortgezet en heeft zij verzoekster niet in de gelegenheid gesteld om zich volledig uit te laten. Het geheel wekt de indruk dat verzoekster minder ruimte kreeg om haar standpunt toe te lichten dan de wederpartij, hetgeen in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.
d.
Verzoekster heeft gedurende de zitting uitvoerig gewezen op haar medische situatie, waaronder ernstige zichtproblemen, ziekenhuisopnames en beperkingen die direct relevant zijn voor de vraag of zij aan haar verplichtingen kon voldoen. Deze omstandigheden zijn echter niet als zelfstandige, zwaarwegende factor door de kantonrechter betrokken in de beoordeling of in de vraagstelling. Dit versterkt de indruk dat relevante feiten niet met de vereiste openheid en onbevangenheid zijn onderzocht.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
Het e-mailbericht van de gemachtigde van 9 april 2026
De wet schrijft voor dat alle omstandigheden die leiden tot het wrakingsverzoek tegelijk worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe omstandigheden ter onderbouwing van een wrakingsverzoek worden alleen in de beoordeling betrokken als deze pas na indiening van het verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden.
De door de gemachtigde van verzoekster aangevoerde gronden in zijn e-mailbericht van 9 april 2026 betreffen een nadere uitwerking en toelichting van de wrakingsgronden van verzoekster, zoals door haar verwoord tijdens de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, en betreffen geen nieuwe omstandigheden ter onderbouwing van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer zal dan ook hetgeen de gemachtigde van verzoekster in zijn e-mailbericht van 9 april 2026 heeft aangevoerd, betrekken bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
Inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek
Ad wrakingsgrond a.
De wrakingskamer overweegt dat het standpunt van verzoekster dat sprake is van belangenverstrengeling niet nader is gemotiveerd en niet concreet is onderbouwd. Deze stelling van verzoekster rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat sprake is van partijdigheid of de schijn van partijdigheid.
Wrakingsgrond a. kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
Ad wrakingsgronden b, c en d
De wrakingskamer overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de rechter die de zaak behandelt, ter zitting regie voert. De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. In deze regierol heeft de rechter een aanzienlijke vrijheid. Het staat een rechter daarom vrij om tijdens de behandeling van een zaak bepaalde punten uit het dossier waarover getwist wordt, aan de orde te stellen en daarover (meerdere) kritische vragen te stellen, indien de rechter dit relevant acht voor de beoordeling van de zaak. Bij die vrijheid hoort ook dat aan de ene partij soms meer vragen worden gesteld dan aan de andere. Het enkele feit dat verzoekster de wijze van behandeling en de kritische vraagstelling door de kantonrechter als onevenwichtig, onprettig en te kritisch heeft ervaren en wellicht daardoor overstuur en emotioneel is geraakt, levert geen grond op voor wraking.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 blijkt dat de kantonrechter zowel aan Hof Wonen als aan verzoekster en haar broer (kritische) vragen heeft gesteld. Ook blijkt dat de kantonrechter door verzoekster en door Hof Wonen is gecorrigeerd, toen zij mogelijk verkeerde informatie omtrent de medische toestand van verzoekster aan verzoekster voorhield.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 blijkt
verder dat alle partijen uitvoerig en evenwichtig aan het woord zijn geweest. Niet is
gebleken dat verzoekster en haar gemachtigde op een andere wijze zijn behandeld dan de
gemachtigde van Hof Wonen, dat Hof Wonen of haar gemachtigde bevoordeeld
zou zijn geweest of dat verzoekster minder in de gelegenheid is gesteld of geweest om haar
standpunt kenbaar te maken dan Hof Wonen. Dat de kantonrechter reeds enig inhoudelijk
oordeel heeft gegeven over het geschil tussen verzoekster en Hof Wonen, is niet gebleken.
Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit de door de kantonrechter gebruikte
bewoordingen in haar vraagstelling, zoals weergegeven in het proces-verbaal, wat er ook zij
van het gegeven dat verzoekster de wijze van vraagstelling kennelijk als confronterend heeft
ervaren.
De beslissing om een procesdeelnemer die aan het woord is, te onderbreken – zoals door verzoekster is gesteld - is naar het oordeel van de wrakingskamer geen inhoudelijke beslissing, maar een beslissing over de wijze van behandeling respectievelijk het verloop van de procedure en de zitting. Ook een dergelijke beslissing en manier van vragen stellen valt te beschouwen als een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de procedurele beslissingen van de rechter. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is slechts anders als - in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – de wijze van behandeling en vraagstelling niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid. Zoals hiervoor is uitgelegd, is de wrakingskamer niet gebleken dat daarvan sprake is.
Van het wekken van (de schijn van) vooringenomenheid ten opzichte van verzoekster is dan ook niet gebleken.
Wrakingsgronden b, c en d kunnen niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
Conclusie
Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar gemachtigde mr. E.R. Schenkhuizen;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.A. Keulen, mr. M. Nijenhuis, mr.drs. J.C.A.T. Frima, en in tegenwoordigheid van de griffier W.H. Ng en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.