RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53012
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voor wat betreft de geloofwaardigheidsbeoordeling in onderhavige zaak niet in strijd met het Unierecht gehandeld. De minister heeft verder niet ten onrechte de gestelde homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op [datum] een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook was een tolk aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is in Marokko opgegroeid en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Eiser heeft verklaard dat hij op [leeftijd] leeftijd tot het besef kwam dat hij op mannen valt. Eiser heeft in [jaartal] een relatie gehad met [naam 2] . Toen dit werd ontdekt heeft zijn familie hem mishandeld. In [jaartal] heeft eiser Marokko verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-identiteit, nationaliteit en herkomst;
-seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. Maar eisers asielmotieven leiden niet tot een verblijfsvergunning asiel op de zogenoemde a- of b-grond, omdat niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De seksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen zijn ongeloofwaardig. De verklaringen van eiser zijn niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook een verdere beoordeling van eisers verklaringen leidt niet tot het alsnog aannemen van geloofwaardigheid. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Eiser voldoet daarmee ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, Vw. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als ongegrond.
Het oordeel van de rechtbank
Inhoud van het beroepschrift. 5. Ter zitting heeft eisers gemachtigde -desgevraagd- verklaard dat hij bij het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van ChatGpt (Generative Pre-trained Transformer) en dat hij dusdoende de inhoud van het beroepschrift met generatieve kunstmatige intelligentie heeft opgemaakt en ingediend. Hij is bij de voorbereiding van de zitting tot de conclusie gekomen dat de in het beroepschrift opgenomen verwijzingen naar -ook Europese- jurisprudentie vanaf bladzijde 9 van het beroepschrift onjuist zijn. Hij heeft de rechtbank verzocht dit deel van het beroepschrift, dat, zo stelt de rechtbank vast, het subsidiaire standpunt bevat, niet mee te nemen in haar beoordeling.
De rechtbank betreurt de handelwijze van gemachtigde. Deze manier van werken heeft er namelijk wel toe geleid dat de vertegenwoordiger van de minister bij de voorbereiding van de zitting genoodzaakt was de verwijzingen te bekijken, om, zoals de rechtbank altijd verwacht, ter zitting van mogelijk commentaar of een reactie te voorzien, en waar deze vertegenwoordiger op wordt aangesproken als zo’n reactie uitblijft. Ook de werkzaamheden van de rechtbank zijn hier onmiskenbaar door beïnvloed. Het behoort volgens de rechtbank tot de verantwoordelijkheid van een procespartij, in dit geval de gemachtigde van eiser, om het van toepassing zijn van aangehaalde jurisprudentie te verifiëren. Gelet op deze verklaring zal de rechtbank de verwijzingen naar jurisprudentie waarvan buiten kijf is dat deze niet relevant is, vanaf bladzijde 9 van het 20 pagina’s tellende beroepschrift buiten beschouwing laten en deze inhoudelijk niet bespreken.
WI 2024/6 en het Unierecht
6. Eiser betoogt primair dat de minister met de door hem gehanteerde werkwijze zoals vastgelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6, kort samengevat en voorzover relevant, in strijd handelt met (artikel 4 van )de Kwalificatierichtlijn, artikel 10, derde lid, onder b van de Procedurerichtlijn en de artikelen 4 en 18 van het Handvest. Volgens eiser ontbreekt een integrale beoordeling. Hij verwijst naar en citeert uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14853). Eiser verwijst met name naar de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 van deze uitspraak, waarvan hij de inhoud als herhaald en ingelast wenst te beschouwen. Hij meent dat WI 2024/6 niet in lijn is met het Unierecht. Eiser voert voorts aan dat hem daarom het voordeel van de twijfel dient te worden gegeven. Hij wijst verder op gestelde prejudiciële vragen en Europese jurisprudentie.
De rechtbank ziet ook in deze procedure geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister geen integrale beoordeling heeft verricht of in strijd met het Unierecht heeft gehandeld. Dat over WI 2024/6 divergerende rechterlijke oordelen– ook binnen deze zittingsplaats- zijn gegeven of prejudiciële vragen zijn gesteld, maakt dit niet anders. De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraken uit de afgelopen periode, waaronder ECLI:NL:RBDHA:2026:4905 en 2026:8269.
Anders dan eiser stelt, volgt uit het onderhavige bestreden besluit niet dat de minister enkel heeft beoordeeld of eiser aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid Vw voldoet. Evenmin heeft de minister overwogen dat in het geval aan één voorwaarde niet wordt voldaan dit automatisch tot de beslissing leidt dat het relaas ongeloofwaardig is. De minister heeft, met andere woorden, geen checklist afgewerkt, maar heeft, overeenkomstig WI 2024/6, eerst de relevante elementen geïnventariseerd en heeft vervolgens het asielrelaas van eiser inhoudelijk gewogen en beoordeeld waarbij verklaringen en bewijsmiddelen zijn betrokken. De minister heeft daarbij uiteengezet dat ook andere bewijsmiddelen (zoals landeninformatie, medische informatie) bij voorbaat niet zijn uitgesloten en, als deze niet tot een voldoende onderbouwing leiden, worden meegewogen in de verdere beoordeling. De minister heeft eisers verklaringen inhoudelijk en in samenhang beoordeeld en heeft daarbij deugdelijk gemotiveerd waarom deze onvoldoende inzicht geven in de persoonlijke beleving en ervaringen van eiser. Van een louter afvinkmatige beoordeling is dan ook geen sprake. Eiser heeft daarbij onvoldoende geconcretiseerd welke relevante elementen in zijn zaak niet zouden zijn betrokken of niet zouden zijn gewogen.
Geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid
7. Ter zitting heeft eiser -subsidiair- toegelicht dat de kern van zijn beroep erin is gelegen dat hij afkomstig is uit een land, Marokko, waar homoseksualiteit strafbaar is en dat daardoor op een andere wijze over seksuele gerichtheid wordt gesproken dan in Nederland. Volgens eiser is onvoldoende duidelijk hoe de minister bij de beoordeling van zijn verklaringen rekening heeft gehouden met zijn culturele achtergrond en referentiekader.
De minister heeft toegelicht dat bij de beoordeling van de gestelde seksuele gerichtheid uitdrukkelijk is aangesloten bij de Werkinstructie 2019/17. Deze werkinstructie vormt volgens de minister een geschikt instrument voor het onderzoeken en beoordelen van een gestelde seksuele gerichtheid. De minister geeft aan dat volgens WI 2019/17 een individuele beoordeling plaatsvindt, waarbij het zwaartepunt ligt bij de antwoorden van de vreemdeling over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de gestelde geaardheid, de betekenis daarvan voor de vreemdeling zelf en zijn omgeving, de situatie voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en de wijze waarop de eigen ervaringen van de vreemdeling passen binnen dat algemene beeld. WI 2019/17 verlangt geen stereotyp ‘coming-out verhaal, zoals eiser meent’ Uit de werkinstructie volgt juist dat bij de vraagstelling en beoordeling rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Iedere vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader, onder meer bepaald door opleidingsniveau, culturele achtergrond en levensfase.
Volgens de minister is eiser er, ondanks deze contextuele benadering, niet in geslaagd om met zijn verklaringen voldoende inzicht te geven in zijn persoonlijke beleving van de door hem gestelde homoseksualiteit.
Persoonlijke beleving, zelfacceptatie, relaties
8. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt. De minister heeft eisers verklaringen beoordeeld met inachtneming van WI 2019/17, waarbij oog is geweest voor de culturele en maatschappelijke context van eiser. De minister heeft afdoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser met zijn verklaringen in overwegend algemene termen is gebleven en weinig inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving, ontwikkeling en de betekenis van zijn gestelde gerichtheid op het moment waarop hij zich realiseerde op mannen te vallen. Zo verklaart eiser dat hij zich ‘rustig, opgelucht en gelukkig voelde’, zonder dit te concretiseren naar zijn eigen persoonlijke beleving, afgezet tegen de omstandigheden in Marokko. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de verklaringen oppervlakkig blijven en onvoldoende inzicht geven in het persoonlijke proces. De minister heeft ook, anders dan eiser stelt, zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag heeft verklaard over zijn relaties, met name over [naam 2] , met wie eiser, naar eigen zeggen, [periode] een relatie heeft gehad. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij nauwelijks concreet kan maken wat hem in [naam 2] aantrok en wie [naam 2] voor hem was, terwijl dit -bij een relatie die eiser zelf als een belangrijk keerpunt presenteert- wel verwacht mag worden.
De rechtbank volgt eiser niet zijn stelling dat onder de gegeven omstandigheden niet van hem kon worden verwacht dat hij meer inzicht zou geven in zijn persoonlijke beleving en acceptatie. De minister stelt terecht dat niet is gebleken dat eiser vanwege psychische omstandigheden of andere belemmeringen niet in staat was om hierover te verklaren. Dat relaties in Marokko heimelijk moeten zijn en dat eiser daarom terughoudend is, leidt niet tot een andere conclusie. De minister heeft immers niet enkel details over identiteit of openbare uitingen verlangd, maar heeft vooral gevraagd naar de persoonlijke inkleuring en betekenisgeving van de relatie(s). Uit het nader gehoor blijkt evenmin dat eiser de tolk niet kon verstaan of begrijpen of dat hij moeite had om de vragen te beantwoorden. Dat homoseksualiteit in Marokko strafbaar is en maatschappelijk wordt afgekeurd, heeft de minister in zijn beoordeling betrokken. Dit gegeven leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat van eiser geen nadere persoonlijke toelichting mocht worden verwacht.
Kennis LHBTI-organisaties
9. Anders dan eiser stelt, heeft de minister het ontbreken van kennis over LHBTI-organisaties in Marokko niet als zelfstandige afwijzingsgrond gehanteerd, maar als een element dat in samenhang met de overige verklaringen meegewogen en is eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat zijn kennis hierover zeer summier is, nu hij stelt te zijn opgegroeid als homoseksueel in Marokko. De minister heeft dit eiser mogen tegenwerpen. Dat er door eiser geen onderzoek is gedaan, omdat eiser dit te moeilijk vindt, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De minister betrekt daarbij niet ten onrechte dat eiser heeft verklaard dat hij in Marokko ook personen van de LHBTI gemeenschap heeft ontmoet en dat dan verwacht mag worden dat eiser zich verdiept zou hebben in de situatie voor LHBTI in Marokko.
Conclusie geloofwaardigheid
10. De minister stelt zich, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de toepassing van het voordeel van de twijfel. Daarbij heeft de minister in het bijzonder mogen betrekken dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel zijn en dat eiser zijn verzoek niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend zonder daarvoor een verschoonbare reden te geven. De minister heeft dan ook, in onderlinge samenhang bezien, de gestelde seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig gevonden. Dit leidt tot de slotsom dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.
Terugkeerbesluit
11. Eisers betoog dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat hij bij terugkeer naar Marokko risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en dat de minister nader onderzoek had moeten doen, slaagt niet. Hiervoor is al geoordeeld dat de minister terecht heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voldoet. Dit betekent dat terugkeer naar Marokko geen reëel risico op refoulement met zich brengt. Het terugkeerbesluit is dan ook niet in strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond en heeft aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Wolthuis, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.