16. ECLI:NL:RBDHA:2025:24554.
17 Algemeen Ambtsbericht Iran 2023, pagina’s 114 tot en met 119.
18 Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
30. De minister heeft bij zijn beoordeling van het risico vanwege ondervraging echter de geloofwaardig geachte politieke overtuiging van eiser niet kenbaar betrokken. Daarmee heeft de minister niet kenbaar betrokken welke gevolgen een ondervraging bij terugkeer kan hebben in het licht van de politieke overtuiging van eiser. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser heeft aangevoerd dat bij de ondervraging ook de inhoud van elektronische gegevensdragers kunnen worden onderzocht. De rechtbank wijst in dit verband ook op de in de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 202620 genoemde informatie, waaruit naar voren komt dat mensen onder druk worden gezet om inloggegevens van hun social media accounts af te staan. De minister heeft dit niet kenbaar bij zijn besluit betrokken. Hoewel uit de door eiser overgelegde social media screenshots blijkt dat hij weinig politieke content heeft gepost, is het aan de minister om in het besluit kenbaar in te gaan op hoe aannemelijk het is dat de Iraanse autoriteiten alsnog van de politieke overtuiging van eiser op de hoogte raken door ondervraging en mogelijk onderzoek van zijn social media accounts bij terugkeer, en welke gevolgen dat voor eiser zou kunnen hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM op grond van zijn politieke overtuiging als hij bij terugkeer op de luchthaven aan ondervraging wordt onderworpen.
Conclusie en gevolgen
31. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade op grond van zijn politieke overtuiging. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en zal de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op het inmiddels ingestelde besluitmoratorium voor Iran, stelt de rechtbank de termijn waarbinnen de minister een nieuw besluit moet nemen vast op acht weken na afloop van het besluitmoratorium.
32. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
20. ECLI:NL:RVS:2026:1326.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.