ECLI:NL:RBDHA:2026:9537

ECLI:NL:RBDHA:2026:9537

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 26.18312
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vw 2000. Bewaring. Dublinclaimant. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de bewaringsrechter niet bevoegd is te toetsen aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bovendien slaagt het beroep op de arresten Ararat en Adrar niet, omdat die arresten over de Terugkeerrichtlijn gaan en het hier gaat om een bewaring op grond van de Dublinverordening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18312

(gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.

Zware en lichte gronden

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de zware gronden en lichte grond 4c niet betwist en ook uit de ambtshalve beoordeling door de rechtbank volgt dat in ieder geval deze gronden de maatregel kunnen dragen. Voor zover eiser betoogt dat geen risico op onderduiken bestaat, volgt de rechtbank dit betoog niet. De hiervoor genoemde gronden geven in principe grond om aan te nemen dat sprake is van risico op onderduiken. Eiser is er niet in geslaagd om dit rechtsvermoeden te weerleggen. Dat eiser over voldoende geld beschikte voor een kaartje met de Flixbus naar Slovenië en dat hij heeft gezegd dat hij terug wil naar dat land, is hiervoor onvoldoende. Eiser verblijft immers al geruime tijd in Nederland en heeft genoeg gelegenheid gehad om vrijwillig terug te keren. Daar komt bij dat hij tijdens zijn asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken.

Verdedigingsbeginsel

3. Eiser betoogt dat hij onjuist is geïnformeerd aan het begin van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Ten onrechte is tegen hem gezegd dat de advocaat alleen fysiek aanwezig kan zijn. Het is onbegrijpelijk dat niet is gezegd dat hij ook telefonisch kan worden bijgestaan. Een advocaat heeft slechts twee uur de tijd om bij het gehoor aanwezig te zijn. Het is daarom moeilijk om fysiek aanwezig te zijn. Daarvoor is er de telefonische optie. Al voor de twee uur termijn is verlopen is aangedrongen om het gesprek te laten plaatsvinden zonder advocaat. Volgens eiser is hij hierdoor in zijn verdedigingsbeginsel geraakt.

De minister betwist dat fouten zijn gemaakt. Bovendien betoogt de minister dat eiser hoe dan ook niet is zijn belangen is geschaad. Voorafgaand aan deze mededeling heeft eiser verklaard dat hij geen rechtsbijstand wil bij het gehoor. Eiser heeft voorafgaand aan het gehoor ook telefonisch met zijn advocaat gesproken. Bovendien had eiser de ruimte om aan te geven dat hij de komst van de advocaat wilde afwachten. Dat was voor hem niet nodig.

Daargelaten de vraag of eiser volledig is voorgelicht, is de rechtbank van oordeel dat hij niet in zijn belangen is geschaad laat staan dat hij is geraakt in zijn verdedigingsbeginsel. Uit het M110 proces-verbaal van gehoor van 1 april 2026 volgt immers dat eiser nog voor de mededeling over de aanwezigheid van de advocaat door de opsporingsambtenaar, heeft verklaard dat hij geen rechtsbijstand wenst. Hieruit volgt dus niet dat eiser is beïnvloed door de mededeling van de opsporingsambtenaar. Er bestaat daarom geen aanknopingspunt voor het oordeel dat hij in het verdedigingsbeginsel is geraakt.

Zicht op overdracht

4. Eiser betoogt dat geen sprake is van zicht op overdracht. Hij heeft nooit een asielaanvraag ingediend in Slovenië. Omdat er geen aanvraag is ingediend kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als hij wordt overgedragen aan Slovenië, loopt hij daarom het risico dat hij slachtoffer wordt van pushbacks. Hierdoor bestaat het reëel risico dat het verbod van non-refoulement wordt geschonden door de overdracht. Overdracht leidt dus tot schending van artikel 3 van het EVRM. De bewaringsrechter moet dit verbod ambtshalve beoordelen. Dit verbod staat daarom aan overdracht in de weg.

De minister stelt zich op het standpunt dat er geen ruimte bestaat voor toetsing van het overdrachtsbesluit en het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Voor zover eiser met zijn betoog een beroep doet op de arresten van het Europese Hof van Justitie van 4 september 2025 en van 17 oktober 2024, slaagt dit betoog niet. Deze arresten gaan over de toepassing van de Terugkeerrichtlijn. De bewaring van eiser is niet gegrond op de Terugkeerrichtlijn, maar vindt grondslag in de Dublinverordening. Met wat eiser betoogt, verlangt eiser dat de bewaringsrechter een beoordeling maakt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in een uitspraak van 20 november 2023 overwogen dat de bewaringsrechter niet bevoegd is om een inhoudelijk oordeel te geven over de rechtmatigheid van een besluit op een asielaanvraag. Dit betekent dat de bewaringsrechter geen oordeel mag geven over de vraag of in het geval van eiser van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser kan dit aanvoeren in een eventuele procedure over het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Daar komt bij dat eiser tijdens de zitting heeft verklaard dat hij terug wil gaan naar Slovenië, Slovenië op 15 december 2025 akkoord is gegaan met het terugnameverzoek van Nederland – met dit claimakkoord hebben de Sloveense autoriteiten gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen – en er een overdracht is gepland op 16 april 2026. Gezien deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat er geen zicht op overdracht is. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

5. Eiser betoogt dat de minister had moeten kiezen voor een lichter middel. Hij had voldoende geld voor een terugkeer naar Slovenië en hij had ook verklaard dat hij direct terug zou gaan naar Slovenië. Bovendien is er geen documentatie waaruit blijkt dat eiser overlast geeft.

De minister betoogt dat in de maatregel voldoende is gemotiveerd waarom er geen lichter middel is ingezet.

De rechtbank volgt ook dit betoog van eiser niet. De minister heeft in de bewaring voldoende en overtuigend uitgelegd waarom er geen aanleiding bestaat om een lichter middel in te zetten. Zo heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser tijdens zijn asielprocedure met onbekende bestemming vertrokken is. Bovendien verblijft eiser al geruime tijd onrechtmatig in Nederland. Hij heeft in deze tijd genoeg kansen gehad om vrijwillig te vertrekken naar Slovenië. Van deze gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Gezien deze omstandigheden en de eerdergenoemde zware en lichte gronden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om een lichter middel in te zetten.

Conclusie

6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de beroepsgronden van eiser niet tot de conclusie leiden dat de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank overweegt – tot slot – dat zij in het kader van de ambtshalve toets, waartoe zij gehouden is, evenmin onrechtmatigheden heeft vastgesteld.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. B.E.C. Bertens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.E. Schulmer

Griffier

  • mr. drs. B.E.C. Bertens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?