RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46886
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 25 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft heirtegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, gezamenlijk met de zaak NL25.46891, op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn broer, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat er is geen werk voor hem in Sharia in Koerdistan. Eiser kan ook niet naar Sinjar omdat daar drie partijen aanwezig zijn, namelijk Hashd Alshabi, Pesmerge en JPK. Er waren daar bombardementen en als je je daar niet aansluit bij een partij dan honger je uit. Bovendien had de PKK gevraagd of eiser zich bij hen wilde aansluiten. Dit wilde eiser niet en daarom is hij teruggegaan naar Sharia. Eiser kon zichzelf ook niet inschrijven bij het ministerie in Mosul omdat hij Jezidi is. Eiser zou geld moeten betalen aan iemand om zijn zaak of de procedure te regelen. Aangezien ze eiser niet konden registreren voor school is eiser werk gaan zoeken maar eiser kon geen werk vinden en daarom heeft hij het land verlaten. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep zijn niet beoordeeld op geloofwaardigheid; deze wordt in het midden gelaten.
Standpunt van eiser
5. Eiser moet terugkeren naar het vluchtelingenkamp Sharya in de KAR waar hij tot voor zijn vertrek verbleef. De minister heeft dit kamp aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Eiser stelt dat de leefomstandigheden in het vluchtelingenkamp maken dat dit zou leiden tot een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De beleidswijziging zoals neergelegd in WBV 2024/12 waarin is besloten dat de tentenkampen in de KAR als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden beschouwd doet onvoldoende recht aan de feitelijke situatie in Irak.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank stelt voorop dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 4 februari 2025 heeft geoordeeld dat de minister niet inzichtelijk heeft gemotiveerd wat maakt dat sinds medio 2024, anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van tentenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats. De beleidswijziging zoals neergelegd in WBV 2024/12 is in die uitspraak daarom onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht.
De rechtbank constateert dat ook uit het besluit dat voorligt ter toetsing niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen - of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s - heeft onderzocht of dat is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Ter zitting is door de gemachtigde van de minister enkel opgemerkt dat de minister hoger beroep heeft ingediend tegen voornoemde uitspraak en zijn standpunt handhaaft. Dit maakt dat de rechtbank in deze zaak geen aanleiding ziet om tot een ander oordeel te komen dan verwoord in de uitspraak van 4 februari 2025. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR sinds medio 2024 als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt.
Het standpunt van de minister dat de door eiser aangevoerde omstandigheden humanitair van aard zijn en dat deze geen rol spelen bij de toets of sprake is van een normale woon- of verblijfplaats, maakt niet dat de minister deze omstandigheden niet dient te beoordelen bij de vraag of terugkeer naar de ontheemdenkampen in de KAR leidt tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, waaronder het criterium zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. In het licht van het thematisch ambtsbericht – waaruit onder andere blijkt dat in de kampen sprake is van slechte leefomstandigheden, terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties en een gebrek aan basisvoorzieningen, medische zorg en psychosociale ondersteuning – heeft de minister nagelaten om te motiveren waarom eiser bij terugkeer naar de KAR, gezien de humanitaire omstandigheden in de KAR en gegeven de hiervoor vastgestelde ontbrekende motivering waarom de KAR sinds medio 2024 als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt, niet een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Het beroep is gegrond. De beroepsgronden behoeven daarom voor het overige geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
7. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.