ECLI:NL:RBDHA:2026:9545

ECLI:NL:RBDHA:2026:9545

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer NL25.63723
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel ongegrond. LHBTI. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister eiser had moeten aanmerken als afvallige, al dan niet toegedicht, en of de minister dit had moeten betrekken als asielmotief. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de eiser zijn gestelde problemen altijd heeft gepresenteerd als in relatie staand tot zijn vader en, in het verlengde daarvan, zijn directe omgeving. Op geen moment heeft eiser verklaard dat hij, vanwege zijn afvalligheid, te vrezen heeft voor vervolging of een risico loopt vanwege zijn positie in de samenleving.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63723

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 november 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag uit huis gezet te zijn door zijn vader wegens een geschil over eisers geloofsovertuiging. Eiser heeft als gevolg hiervan, van zijn 19e levensjaar tot en met zijn uitreis in 2023 op straat geleefd. In diezelfde periode is eiser in aanraking gekomen met de maffia, die hem verbaal en fysiek mishandelden. Eiser vermoedt dat de maffia het op hem gemunt hadden, omdat zijn oom bij hen aangesloten was en daardoor over de situatie gesproken kan hebben. Eiser is uiteindelijk in 2023 uit Marokko vertrokken. Bij terugkeer vreest eiser op straat te moeten slapen en niet geaccepteerd en buitengesloten te worden door zijn familie en de gemeenschap. Daarnaast vreest eiser in de gevangenis te belanden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat deze motieven geloofwaardig zijn. De verklaringen met betrekking tot eisers dakloosheid zijn niet aangemerkt als asielmotief nu dit een economisch motief is. Dit motief wordt derhalve niet verder beoordeeld.

Standpunt eiser

5. Eiser is van mening dat hij door zijn vader en zijn omgeving als afvallige wordt beschouwd. Immers, eiser werd door zijn ouders als een moslim opgevoed en zijn ouders gingen ervan uit dat hij als een moslim door het leven zou gaan. Toen hij zijn vader mededeelde dat hij niet meer geloofde werd hij het huis uitgezet en moest hij op straat leven. Eiser heeft verklaard dat hij niks deed met de godsdienst en dat hij niet meer geloofde sinds zijn 19e. Ook uit de vraagstelling blijkt dat de minister ervan uitgaat dat eiser eerst wel moslim was maar dat hij dit op zijn 19e heeft opgegeven. Gezien deze vragen en antwoorden is eiser van mening dat hij ervan uit mocht dat de minister hem ook als een afvallige beschouwde. Eiser had op zijn minst nader gehoord moeten worden.

Met betrekking tot het inreisverbod is eiser van mening dat er op de minister een hoorplicht rust met betrekking tot de omstandigheden op grond waarvan kan worden afgezien van een EU-inreisverbod. De minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord.

De rechtbank overweegt dat eiser zijn grond ten aanzien van de kennelijkheid van de ongegrondverklaring, ter zitting heeft ingetrokken.

Oordeel rechtbank

6. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister eiser had moeten aanmerken als afvallige, al dan niet toegedicht, en of de minister dit had moeten betrekken als asielmotief. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

Daartoe overweegt de rechtbank dat de eiser zijn gestelde problemen altijd heeft gepresenteerd als in relatie staand tot zijn vader en, in het verlengde daarvan, zijn directe omgeving. Op geen moment heeft eiser verklaard dat hij, vanwege zijn afvalligheid, te vrezen heeft voor vervolging of een risico loopt vanwege zijn positie in de samenleving. In deze context heeft eiser alleen gesteld dat het niet meer geloven problemen veroorzaakt met de hele samenleving en dat hij niet geaccepteerd zal worden. Daarmee legt eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende verband tussen zijn gestelde afvalligheid en een vrees voor vervolging om dit te kunnen aanmerken als asielmotief. Bij een gebrek aan dit verband heeft de minister een dergelijk motief ook niet hoeven lezen in de verklaringen van eiser. De minister heeft dit dan ook niet ten onrechte niet gedaan.

Eiser brengt eerst in de zienswijze dit verband – in minimale vorm - naar voren. Eiser stelt daar dat afvalligheid in Marokko strafbaar is, maar relateert ook daar zijn gestelde problemen voor het overige slechts aan de relatie met zijn vader. Onder verwijzing naar de rechtsoverweging hierboven, oordeelt de rechtbank dat de minister hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om de gestelde afvalligheid als motief aan te merken of om eiser hier nader over te horen.

Pas in beroep komt eiser met een toelichting. Daargelaten de vraag of eiser aangemerkt moet worden als afvallige, is de rechtbank van oordeel dat eiser in die toelichting blijft steken op dusdanige algemeenheden dat de minister heeft kunnen volstaan met de ter zitting gegeven toelichting dat ook als eiser wel als afvallige wordt gezien, hij geen gevaar loopt. In Marokko geldt een godsdienstvrijheid en het blijft aan eiser om aan te tonen en/of uit te leggen welke omstandigheden ertoe kunnen leiden dat hij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag heeft. Daar is eiser niet in geslaagd. Dat eisers vader mogelijk aangifte kan doen tegen hem, is niet voldoende.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de minister eiser uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om in de zienswijze individuele omstandigheden aan te voeren, in verband waarmee volgens hem aanleiding bestaat voor een verkorting van de duur van het inreisverbod. Anders dan eiser betoogt, was de minister niet gehouden eiser hier nader over te horen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Griffier

  • mr. D.G. van den Berg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?