RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiser,
[naam 2], V-nummer: [v-nummer], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63366 en NL25.63367
en
beiden van Servische nationaliteit en hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzingen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 20 juli 2023 afzonderlijk een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 19 december 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eisers hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 maart 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Ook het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is daarbij behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten. Op het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen ten grondslag in Servië verschillende problemen te hebben ondervonden. Op 6 februari 2022 is het huis van eisers door onbekenden in brand gestoken. Op 15 maart 2023 is eiser aangevallen door een groep van zeven jongeren omdat zij hem geld afhandig wilden maken. In de nacht van 7 op 8 mei 2023 is eiseres, terwijl eiser niet thuis was, voor de ogen van hun kinderen door drie mannen verkracht. Eisers stellen dat de mannen die het huis in brand hebben gestoken wél dezelfde personen zijn die eiseres hebben verkracht. Eiser stelt discriminatie te hebben ondervonden in Servië vanwege zijn afkomst. Eiser werd uitgescholden als zigeuner en beledigd vanwege zijn Roma-afkomst door zijn schoolgenoten, werkgenoten en buren. Ook werd eiser vlak voor het Suikerfeest of de Ramadan uitgescholden als hij zich kleedde zoals de moslims dat voorschrijven en eiser mocht zijn baard niet laten groeien. Als eiser dit deed, werd hij uitgescholden.
Het bestreden besluit
4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig zijn, evenals de ondervonden discriminatie en onheuse bejegening, en de verkrachting van eiseres. De brandstichting en de mishandeling van eiser zijn volgens de minister niet geloofwaardig.
Heeft de minister de brandstichting en het gestelde motief daarachter niet geloofwaardig kunnen achten?
5. Ten aanzien van de brandstichting en de onderliggende reden hiertoe blijven eisers van mening dat zij gevolgd kunnen worden in hun vermoedens. Niet valt in te zien dat om andere redenen de brand zou zijn gesticht. Ook valt niet in te zien dat de gebeurtenissen niet dermate ernstig zijn dat deze geen invloed kunnen hebben gehad op de beleving van eisers en het uiteindelijk daarover weten te verklaren.
De rechtbank oordeelt dat de minister het motief voor de woningbrand niet ten onrechte niet geloofwaardig acht. De rechtbank verwijst daarbij naar de overwegingen zoals neergelegd in de besluitvorming. Dat niet valt in te zien dat om andere reden de brand zou zijn gesticht kan hier niet aan af doen. De minister heeft – onder andere door zich op het door eisers zelf ingebrachte krantenartikel te baseren waaruit volgt dat de brand is ontstaan door een versleten installatie - eisers niet hoeven volgen in hun stelling dat de woningbrand doelbewust is gesticht en dat daaraan discriminatoire motieven ten grondslag lagen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat hoewel uit het medisch advies volgt dat eiser moeite heeft om over bepaalde zaken te praten, dit onvoldoende verklaring is voor het gebrek aan, of de wisselende en vage verklaringen van eiser op dit punt. Dit geldt ook voor het enkele tijdsverloop sinds de brand. De minister heeft daarom van eiser mogen verwachten dat hij concreet en eenduidig verklaart.
Heeft de minister de mishandeling van eiser niet geloofwaardig kunnen achten?
6. Eisers stellen dat de minister met betrekking tot de verklaringen die hierover zijn afgelegd meer rekening had moeten houden met het tijdsverloop en het traumatische karakter van de gebeurtenis. De verschillen tussen de verklaringen van eisers zijn te duiden.6.1. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiser en eiseres over de aanval en mishandeling op wezenlijke punten uiteenlopen en daarvoor geen afdoende verklaring gegeven is. Zo heeft eiser verklaard door jeugd te zijn mishandeld, een groep van 6 of 7 jongens, terwijl eiseres verklaart dat haar echtgenoot is mishandeld door twee mannen en dat dezelfde mannen waren die de woningbrand hebben gesticht en haar hebben verkracht. Ook de plaats waar de mishandeling van eiser zou hebben plaatsgevonden verschilt in de verklaringen van eisers: in een flatgebouw (eiser) of op een stuk verlaten grond (eiseres). Bovendien wordt eerst aangegeven dat de mishandeling plaatsvond omdat de daders geld wilden, maar wordt later daarover verklaard dat het ook te maken zou hebben met de Roma-afkomst van eiser. In zoverre eiseres stelt dat zij door haar trauma’s beperkt wordt in haar vermogen om te verklaren, overweegt de rechtbank dat dit niet volgt uit het medische advies. Ook is niet van dergelijke trauma’s gebleken via het behandeltraject van eiseres. Gelet hierop heeft de minister de mishandeling van eiser niet ten onrechte niet geloofwaardig kunnen achten.
Heeft de minister kunnen concluderen dat de ondervonden discriminatie, niet zwaarwegend genoeg is?
7. Eisers stellen dat de ondervonden discriminatie sociaal en structureel gezien een ernstig probleem vormt. Aard en omvang zijn daarbij niet relevant; discriminatie mag nimmer worden geaccepteerd. Voor Servië geldt dat discriminatie van Roma en moslims diepgeworteld is in historische, politieke en sociale structuren. Aan deze omstandigheid is niet te ontkomen. Niet valt in te zien dat van eisers verlangd mag worden met nog meer individuele ervaringen aan te tonen dat ook zij slachtoffer zijn geworden van deze ‘werkelijkheid’.
De rechtbank overweegt dat de minister eisers volgt in hun stelling dat zij in het verleden te maken hebben gehad met discriminatie. Dit staat niet ter discussie. Daargelaten of deze discriminatie als systematisch moet worden aangemerkt, is het aan eisers om aannemelijk te maken dat sprake is van discriminatie die dusdanig zwaarwegend is dat gesproken kan worden van vervolging. Daar zijn eisers naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De minister heeft in dat kader kunnen overwegen dat de discriminatie die eisers hebben meegemaakt, niet een dusdanig ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden heeft opgeleverd dat het voor eisers onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser heeft scholing gevolgd in Servië en heeft gewerkt. Eisers hadden een woonruimte, toegang tot medische voorzieningen en documenten waarmee zij op een gecontroleerde wijze het land hebben kunnen verlaten.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiseres bij terugkeer geen risico op ernstige schade loopt?
8. Eiseres volhardt in haar stelling dat het niet vinden/zoeken van adequate bescherming van de zijde van de autoriteiten, samenhangt met de gangbare mores in Servië. Er is veelal onder Roma vrouwen weinig vertrouwen in de politie. Dit wordt ingegeven door de angst voor het risico op intimidatie, bedreiging of verdere mishandeling zodra een klacht wordt ingediend. Hierbij speelt mee dat politieagenten vaak ook de vooroordelen over Roma delen; hetgeen kan leiden tot het bagatelliseren van klachten of het beschuldigen van het slachtoffer. Dat eiseres geen bescherming heeft gezocht bij de autoriteiten kan haar daarom niet worden tegengeworpen.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de enkele stelling van eiseres dat de autoriteiten niet in staat of bereid zijn bescherming te bieden vanwege haar etnische afkomst, onvoldoende is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres haar etniciteit zal zorgen voor volledige uitsluiting van rechtsbescherming. Van eiseres mag verwacht worden dat zij zich tot de Servische autoriteiten wendt voor bescherming. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat er geen aanleiding is om aannemelijk te achten dat eiseres bij terugkeer naar Servië opnieuw slachtoffer zal worden of dat de autoriteiten haar geen bescherming kunnen of willen bieden.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.