RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9169
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser en over de afwijzing van het verzoek om het inreisverbod dat de minister aan eiser heeft opgelegd op te heffen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft voor de vierde keer asiel aangevraagd en hij heeft tijdens deze aanvraag geen relevante nieuwe elementen of bevindingen naar voren gebracht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 november 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 18 februari 2026 in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft verder besloten om het inreisverbod, dat hij op 9 november 2022 aan eiser heeft opgelegd, niet op te heffen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Voorgeschiedenis
4. Eiser heeft op 3 juni 2015 voor de eerste keer asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser bij uitspraak van 11 maart 2016 ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft op 4 november 2018 opnieuw asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser tot twee keer toe niet heeft gereageerd op verzoeken van de minister om informatie te verstrekken. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft het beroep van eiser op 1 maart 2019 ongegrond verklaard.
6. Eiser heeft op 13 maart 2019 voor de derde keer asiel aangevraagd. Hij heeft daarbij verklaard dat hij in de eerste asielprocedure onjuiste informatie heeft gegeven over zijn nationaliteit en herkomst. Verder heeft eiser verklaard dat hij betrokken is geweest bij de PKK en daardoor problemen heeft ondervonden in Turkije. De minister heeft de aanvraag afgewezen en aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser op 23 december 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder andere het volgende overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn betrokkenheid bij de PKK niet aannemelijk heeft gemaakt.”
(…)
“Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder de problemen vanwege eisers betrokkenheid bij de PKK niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden.”
(…)
“Ten aanzien van de geloofwaardig geachte deelname aan de protesten is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de protesten ten tijde van eisers deelname massaal zijn geweest en dat het mede vanwege de marginale rol van eiser niet aannemelijk is dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan. Gelet op het zeer geringe aandeel van eiser in de demonstratie is ook niet aannemelijk dat eiser op grond daarvan voor vervolging te vrezen heeft indien zijn deelname aan de demonstratie bekend zou raken bij de autoriteiten.”
(…)
“Verweerder heeft (…) kunnen overwegen dat (…) eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gewetensbezwaren heeft tegen de militaire dienst en problemen zal ondervinden.”
(…)
“Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens het vervullen van de dienstplicht zal worden ingezet tegen zijn eigen volk.”
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiser heeft op 4 november 2025 de onderhavige aanvraag gedaan. Hij heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat de reden voor zijn aanvraag is dat hij van Koerdische afkomst is en dat ze in Turkije geen Koerden willen. Verder heeft eiser verklaard dat hij in Turkije niets heeft, dat hij al elf jaar in Nederland is en dat al zijn familie in Europa woont. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij vreest voor de militaire dienst. In de zienswijze heeft eiser daaraan toegevoegd dat uit recente landeninformatie blijkt dat men door deelname aan demonstraties in de negatieve belangstelling kan komen te staan van de Turkse autoriteiten. In de beroepsgronden heeft eiser nog toegevoegd dat hij in Turkije gevaar loopt door zijn politieke overtuiging.
Het bestreden besluit
8. De minister heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Eiser heeft namelijk bij zijn vorige aanvraag al een beroep gedaan op zijn Koerdische etniciteit en de militaire dienstplicht. De afwijzing van deze aanvraag staat in rechte vast. Eiser heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag volgens de minister geen enkele inhoudelijke reden opgegeven voor het doen van een nieuwe asielaanvraag. Er is ook geen sprake van nieuw beleid of nieuwe landeninformatie, zoals eiser in de zienswijze betoogt. Uit het ambtsbericht waarnaar eiser verwijst, blijkt namelijk niet dat sprake is van een veranderde situatie ten opzichte van de periode van eisers vorige asielaanvraag. Eiser heeft volgens de minister ook niet uitgelegd hoe de informatie uit het ambtsbericht zich verhoudt tot zijn persoonlijke situatie. In de vorige asielprocedure zijn de problemen vanwege deelname aan demonstraties namelijk ongeloofwaardig geacht. Tot slot volgt de minister niet eisers stelling in de zienswijze dat hij bij terugkeer naar Turkije extra risico loopt door zijn kwetsbaarheid, gebrek aan ondersteunend netwerk, Koerdische etniciteit, ervaringen met discriminatie, politieke overtuiging en politieke activiteiten. Ook dit betreffen volgens de minister geen relevante nieuwe elementen of bevindingen. Eiser heeft dit in zijn vorige procedure ook aangevoerd en heeft dit in de onderhavige procedure niet nader onderbouwd.
De minister heeft verder besloten om het zware inreisverbod niet op te heffen. Volgens de minister heeft eiser zijn verzoek om opheffing niet onderbouwd en zijn er ook verder geen redenen om aan te nemen dat er grond is om het inreisverbod op te heffen.
Is sprake van relevante nieuwe elementen of bevindingen?
9. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 blijkt dat men door het deelnemen aan demonstraties in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten kan komen te staan. Dit speelde volgens eiser nog niet ten tijde van de vorige procedure. De minister heeft in die procedure de politieke activiteiten, zoals deelname aan demonstraties, geloofwaardig bevonden. Gelet op de nieuwe landeninformatie en het daarop aangepaste landenbeleid moet volgens eiser geconcludeerd worden dat hij bij het voortzetten van zijn al ontplooide politieke activiteiten gegronde vrees heeft voor vervolging. Eiser verwijst verder naar het arrest S&A tegen Nederland. Daaruit volgt volgens eiser dat ook een opvatting, gedachte of mening die nog niet heeft geleid tot negatieve belangstelling onder het begrip politieke overtuiging kan vallen. De minister moet op grond van dit arrest onderzoek verrichten naar alle relevante persoonlijke omstandigheden en de algemene context van het land van herkomst. De enkele overweging van de minister dat de problemen die zijn ontstaan door de deelname aan demonstraties eerder al ongeloofwaardig zijn geacht, is gelet daarop volgens eiser niet voldoende. Volgens eiser kan nieuw recht in de jurisprudentie namelijk worden aangemerkt als nieuw element. Op grond van het arrest FMS e.a. kan ook het bestaan van een arrest of een nationale uitspraak op grond waarvan een eerdere afwijzing strijdig met het Unierecht blijkt te zijn, worden aangemerkt als nieuw element. Eiser voert verder aan dat hij bij terugkeer naar Turkije extra risico loopt door zijn kwetsbaarheid, gebrek aan ondersteunend netwerk, Koerdische etniciteit, ervaringen met discriminatie, politieke overtuiging en politieke activiteiten. Verder loopt eiser bij terugkeer naar Turkije gelet op alle omstandigheden een reëel risico op ernstige schade.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag op grond van het arrest LH aan de hand van twee fasen moet worden beoordeeld. In de eerste fase moet worden onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet de minister beoordelen of die nieuwe elementen of bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden geoordeeld dat eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft al eerder, bij zijn aanvraag van 13 maart 2019 zijn betrokkenheid bij de PKK, vrees vanwege deelname aan demonstraties en militaire dienstplicht en problemen in verband met zijn gestelde kwetsbaarheid en Koerdische etniciteit naar voren gebracht. De beoordeling van deze asielmotieven staat in rechte vast. Eiser heeft in de onderhavige asielprocedure geen nieuwe informatie over deze asielmotieven aangedragen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister met betrekking tot de pas in de zienswijze aangedragen vrees in verband met eisers deelname aan demonstraties in het verleden, heeft kunnen verwijzen naar het oordeel van de rechtbank in de vorige procedure van eiser. Uit de informatie uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht blijkt niet dat de situatie veranderd is ten opzichte van eisers vorige asielaanvraag. Eiser heeft ook niet toegelicht wat de informatie voor zijn persoonlijke situatie zou betekenen en waarom deze informatie (alsnog) tot de conclusie zou moeten leiden dat hij vanwege zijn deelnames aan demonstraties in het verleden nu alsnog in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zou komen te staan. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank ook op dit punt geen nieuwe relevante elementen of bevindingen naar voren gebracht.
Eisers verwijzing naar rechtspraak van het Hof leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank begrijp de beroepsgrond aldus dat volgens eiser het naar aanleiding van het arrest S&A gewijzigde beleid over ‘(fundamentele) politieke overtuiging’ moet worden gezien als nieuw element. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling niet leiden tot de conclusie dat eiser nieuwe relevante elementen of bevindingen heeft aangedragen. Allereerst heeft eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag en in de zienswijze op geen enkele wijze naar voren gebracht dat hij te vrezen zou hebben als gevolg van zijn gestelde politieke overtuiging. Verder heeft eiser ook in beroep niet gemotiveerd wat deze gestelde politieke overtuiging inhoudt en waarom de eerdere beoordeling van zijn asielmotieven (waaronder de deelname aan demonstraties) in het licht van het gewijzigde beleid over (fundamentele) politieke overtuiging niet juist zou zijn en nu wel tot de conclusie zou kunnen leiden dat eiser bij terugkeer gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister tot slot kunnen overwegen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank ziet daarvoor in het dossier en gelet op het voorgaande ook geen aanknopingspunten.
Had de minister het inreisverbod moeten opheffen?
11. Eiser voert aan dat de minister het zware inreisverbod ten onrechte niet heeft opgeheven. Er is volgens eiser geen sprake meer van een actuele bedreiging voor de openbare orde. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom daarvan nog wel sprake zou zijn.
12. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de enkele, niet onderbouwde stelling van eiser dat hij geen actuele bedreiging meer is voor de openbare orde geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod op te heffen. De enkele herhaling van deze stelling in beroep leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.