[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum]
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.9553. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 2 februari 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 3 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
Vooraf 5. Allereerst betoogt eiser ten onrechte dat de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, omdat de minister zou stellen dat eiser al internationale bescherming zou genieten in Duitsland. De aanvraag is immers door de minister niet in behandeling genomen, en wel op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Duitsland de asielaanvraag van eiser nog moet behandelen.
Verder verwijst eiser in de gronden van beroep naar hetgeen hij heeft gesteld in de zienswijze. De inhoud daarvan wenst hij als herhaald en ingelast te beschouwen. In dit verband merkt de rechtbank op dat de enkele verwijzing naar en herhaling van de zienswijze niet kan worden aangemerkt als beroepsgrond en geen gemotiveerde weerlegging is van de reactie van de minister op de zienswijze, zoals weergegeven in het bestreden besluit.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat een Dublinclaim voor Spanje of Frankrijk minder voor de hand ligt dan een Dublinclaim voor Duitsland. Eiser was namelijk eerder in Spanje en Frankrijk en is pas daarna naar Duitsland gegaan.
De rechtbank volgt het betoog niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister in beginsel mag afgaan op informatie uit Eurodac over de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat. In het voornemen van 4 februari 2026 staat vermeld dat de minister onderzoek heeft gedaan in het Eurodac-systeem, waaruit is gebleken dat eiser een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend. Daarnaast hebben de Duitse autoriteiten middels het hiervoor onder 4. genoemd claimakkoord deze verantwoordelijk erkend. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat Duitsland zijn verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag ten onrechte heeft vastgesteld. De enkele stelling dat eiser via Spanje en Frankrijk naar Duitsland is gegaan, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser beroept zich op het zogenoemde arrest X. van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, waarin is benadrukt dat lidstaten een actieve onderzoeksplicht hebben wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat overdracht kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser aangehaalde bronnen geen aanleiding geven tot het verlaten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land, waardoor de vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die een vreemdeling heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan de minister kennis heeft. Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te leiden.
De Afdeling heeft in de uitspraken van 14 februari 2025 en 8 oktober 2025 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen in dat kader.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg, of rechtsbijstand, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Zo heeft eiser toegang tot rechtsbijstand in Duitsland. Hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reële kans van slagen heeft, biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid aan de lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als eiser vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is, dan kan hij hierover procederen en klagen in Duitsland. De enkele stelling van eiser dat in Duitsland geen effectief gevolg wordt gegeven aan klagen, maakt dat oordeel niet anders. De situatie in Duitsland zoals die in het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 naar voren komt, geeft geen aanleiding om van de hiervoor onder 7.2. genoemde jurisprudentie af te wijken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat uit het hiervoor genoemde AIDA-rapport blijkt dat sprake is van een relevante verslechtering van de omstandigheden in Duitsland ten opzichte van de situatie die al eerder door de Afdeling is beoordeeld. Ook heeft eiser niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten, na overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister niet gehouden was om nader onderzoek te doen als bedoeld in het arrest X.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om van de overdracht aan Duitsland af te zien vanwege een onevenredige hardheid. Voor zover eiser meent dat de door hem naar voren gebrachte problemen op het gebied van rechtsbijstand en het klachtenrecht ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. In de enkele stelling van eiser dat hij eerder in Duitsland in de illegaliteit verbleef en daar heeft gewerkt en daarom bij terugkeer in de problemen zal komen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat de minister de asielaanvraag aan zich dient te trekken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.