ECLI:NL:RBDHA:2026:9587

ECLI:NL:RBDHA:2026:9587

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-03-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer NL25.49205
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asiel, geloofwaardigheidsbeoordeling, IB 2022/102, vrees voor de dood vanwege voodoo, artikel 3 van het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49205

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft daarnaast een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.

De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Hij heeft op 2 januari 2024 asiel aangevraagd in Nederland.

Het asielrelaas

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft problemen met zijn oom na een incident met het neefje van eiser. Eiser was met zijn neefje mango’s aan het plukken toen zijn neefje viel, waarna hij naar het ziekenhuis is gebracht en na een week is overleden. De oom van eiser geeft hem de schuld van het incident en wil eiser met voodoo vermoorden. De vader van eiser is ook door zijn oom vermoord, door middel van voodoo.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Problemen met oom.

Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder heeft de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de oom in het midden gelaten en dit uitsluitend beoordeeld op zwaarwegendheid, zoals beschreven in paragraaf C1/4.1, punt 5, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser uit Gambia komt op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn en om een risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser wordt niet aangemerkt als een vluchteling zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag). De gestelde problemen kunnen volgens verweerder op voorhand niet leiden tot een asielvergunning omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De asielmotieven van eiser zijn niet te herleiden tot een van de situaties zoals genoemd in C2/3.3 Vc. De vrees van eiser ziet op de voodoopraktijken van zijn oom en dit valt niet binnen de redenen voor de verlening van subsidiaire bescherming. Het voorgaande brengt verweerder tot de conclusie dat er zich geen asielgrond voordoet in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser moet Nederland binnen vier weken verlaten. Eiser moet terugkeren naar Gambia.

Het beroep

4. Eiser voert (kort samengevat) de volgende beroepsgronden aan. Verweerder heeft ten onrechte de problemen van eiser met zijn oom niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Met de enkel verwijzing naar de redenen voor de verlening van subsidiaire bescherming heeft verweerder niet uitgelegd waarom de problemen van eiser daar niet onder vallen. Verweerder dient bij de risicobeoordeling de verklaringen van eiser als uitgangspunt te nemen. Dit heeft verweerder niet of onvoldoende gedaan. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen nieuw voornemen uitgebracht. Verweerder heeft in het bestreden besluit nieuwe standpunten ten aanzien van de zwaarwegendheid ingenomen. Eiser heeft hier in de besluitvorming niet op kunnen reageren. Dit is in strijd is met artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ook heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat voodoo niet valt onder de reikwijdte van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat eiser zich elders kan vestigen en/of de bescherming van de autoriteiten kan inroepen.

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 3.119 Vb

5. Voor zover eiser betoogt dat verweerder op grond van artikel 3.119 van het Vb een nieuw voornemen had moeten uitbrengen, faalt dit betoog. Artikel 3.119 van het Vb bevat een procedurele zorgvuldigheidseis die ertoe strekt dat, in geval één van de in dat artikel genoemde omstandigheden zich voordoet, een nieuw voornemen wordt uitgebracht om te voorkomen dat een vreemdeling in het uiteindelijke besluit wordt overvallen door nieuwe feiten of door een nieuwe weging of beoordeling zonder dat hij, voordat dat besluit is genomen, daarop heeft kunnen reageren. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116. Uit paragraaf C2/2.12 van de Vc volgt dat alleen een nieuw voornemen wordt uitgebracht als het eerder uitgebrachte voornemen niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel bevat. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. De aanvraag wordt namelijk afgewezen op de grond dat de verklaringen van eiser niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Verweerder stelt zich nog steeds op het standpunt dat de voodoopraktijken van eiser niet vallen onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM. Met het aanvullend besluit is de afwijzingsgrond van de asielaanvraag niet gewijzigd. Verweerder heeft wel aanvullend overwogen dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de autoriteiten en dat sprake is van een vestigingsalternatief. Dit is geen nieuwe afwijzingsgrond. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken van een situatie als bedoeld in artikel 3.119 van het Vb. Verweerder was dus ook niet gehouden een nieuw voornemen uit te brengen. De beroepsgrond slaagt niet.

IB 2022/102

6. Het beleid dat is neergelegd in IB 2022/21 houdt in dat verweerder de geloofwaardigheid van asielmotieven in het midden kan laten wanneer op voorhand duidelijk is dat verklaringen, wanneer geloofwaardig, niet zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging (zie paragraaf C1/4.1 en C1/4.4 van de Vc en IB 2022/102). Alle verklaringen van de vreemdeling moeten dan als uitgangspunt genomen worden voor de beoordeling van de zwaarwegendheid. Het is niet mogelijk de geloofwaardigheid van slechts een deel van de verklaringen in het midden te laten. Daarbij moet verweerder concreet motiveren op grond waarvan wordt geoordeeld dat de problemen niet ernstig genoeg zijn om in aanmerking te komen voor bescherming of dat de vreemdeling bescherming kan inroepen in zijn land van herkomst. Als het gaat om dat laatste, moet aan de hand van actuele landeninformatie worden gemotiveerd dat er bescherming mogelijk is voor het specifieke probleem van de vreemdeling. Dit is een individuele beoordeling waarbij moet worden ingegaan op de omstandigheden van de vreemdeling en waarbij recente informatie over het land van herkomst moet worden betrokken. Verweerder moet daarbij rekening houden met de persoonlijke achtergrond, herkomst en sociale omgeving van de vreemdeling. De rechtbank toets het besluit alsof verweerder de geloofwaardigheid van het element heeft aangenomen. Voor zover eiser dit aanvoert, betekent dit niet dat de geloofwaardigheid van de problemen met zijn oom daarmee worden aangenomen, de verklaringen worden uitdrukkelijk in het midden gelaten. Dat verweerder de enige grond voor het niet beoordelen van de geloofwaardigheid eigenlijk intrekt door te stellen dat de oom van eiser een actor van vervolging zou kunnen zijn in het kader van artikel 6 van Richtlijn 2011/95/EU, volgt de rechtbank niet. Verweerder stelt zich namelijk niet op het standpunt dat de oom van eiser daadwerkelijk een actor van vervolging is. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 3 EVRM

De vrees voor de dood als gevolg van voodoo-praktijken betreft een subjectieve angst die niet objectief te toetsen is binnen de context van de westerse samenleving. Er is geen wetenschappelijk of medisch bewijs dat voodoo in deze context, waarin eiser vreest direct door de voodoo van zijn oom om het leven te komen, daadwerkelijk tot de dood kan leiden. Hierdoor ontbreekt een objectieve grondslag voor deze vrees. De niet objectiveerbare angst voor de dood vanwege voodoo is in deze context door verweerder terecht niet aangemerkt als een vrees die valt onder artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat uit de uitspraak van rechtbank Den Haag van 3 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:996, niet volgt dat voodoo praktijken in deze omstandigheden wel onder artikel 3 van het EVRM kunnen vallen. In deze uitspraak is het asielrelaas van eiser- de vrees voor voodoo, namelijk ongeloofwaardig bevonden en daarmee heeft de vreemdeling bij terugkeer ook niet te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In de onderhavige procedure spelen andere feiten en omstandigheden, nu de geloofwaardigheid van het relaas van eiser in het midden wordt gelaten.

Aanvullend merkt de rechtbank op dat eiser zijn vrees niet met documenten heeft onderbouwd. Ook stelt verweerder zich ten overvloede terecht op het standpunt dat eiser zich ergens anders in Gambia kan vestigen en dat eiser bescherming van de Gambiaanse autoriteiten in kan roepen. Verweerder heeft dit voldoende zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd.

8. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?