ECLI:NL:RBDHA:2026:9588

ECLI:NL:RBDHA:2026:9588

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer NL26.792
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin, Duitsland, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.792

(gemachtigde: mr. M. Drenth),

en

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft op 6 januari 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.793).

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Mahmoudzadeh Anuar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

Eiser heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1984. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 10 augustus 2025 ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 7 augustus 2024 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 9 oktober 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit verzoek op 15 oktober 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.

Bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden

3. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich dient te trekken. Er zijn ernstige tekortkomingen in de Duitse asielprocedure waardoor overdracht in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest. Eiser vreest voor indirect refoulement, omdat hij bang is dat Duitsland hem naar Azerbeidzjan zal uitzetten. Eiser beroept zich verder op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127 (arrest C.K.). Hij vreest dat in Duitsland het risico op suïcide weer zal opspelen. In Nederland voert eiser elke twee weken een gesprek met een psycholoog. Daarnaast gebruikt hij medicatie. Tijdens eisers eerdere verblijf in Duitsland is hij ook medisch behandeld in een kliniek, maar die behandeling sloeg niet goed aan. Eiser vindt dat hij daar niet goed is geholpen. Ter onderbouwing heeft eiser zijn medisch dossier overgelegd, een afsprakenkaart en een brief van de LWL-Klinik Münster in Duitsland, gedateerd 7 augustus 2025. Op de zitting heeft eiser in het bijzonder gewezen op de registraties in het medisch dossier met de data 10 september 2025, 14 oktober 2025, 18 november 2025 en 27 januari 2026. Eiser stelt dat overdracht desastreus voor hem zal uitpakken en meent dat verweerder, gelet op zijn medische informatie en zijn verklaringen tijdens het Aanmeldgehoor Dublin nader onderzoek had moeten doen naar zijn medische situatie en het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies had moeten vragen. Tot slot stelt eiser dat vanwege zijn bijzondere individuele omstandigheden overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.

Beoordeling door de rechtbank

Interstatelijk vertrouwensbeginsel 4.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, bevestigd dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt om terecht te komen in een met artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd over het asielsysteem en de opvangvoorzieningen in Duitsland. Verder heeft hij ook niet aan de hand van zijn verklaringen over zijn eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Duitsland aannemelijk gemaakt dat voor Dublinclaimanten in Duitsland sprake is van een situatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest.

Nu verweerder gelet op het voorgaande terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk is of dat klagen bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Medische omstandigheden

Eiser doet een beroep op het arrest C.K. Uit dit arrest volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

Naar het oordeel van de rechtbank treft eisers beroep op het arrest C.K. geen doel. Uit de brief van de LWL-Klinik Münster volgt dat eiser tijdens zijn eerdere verblijf in Duitsland is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis en een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij in de kliniek opgenomen is geweest. Uit de brief volgt verder dat eiser deze medische behandeling zonder toestemming zelf heeft afgebroken door de kliniek te verlaten. Uit het medisch dossier en de afsprakenkaart volgt dat eiser in Nederland ook wordt behandeld vanwege psychische klachten. Eiser heeft elke twee weken een gesprek met een psycholoog en hij gebruikt medicatie. Hoewel de rechtbank op basis van deze informatie aannemelijk acht dat eiser kampt met psychische problematiek, heeft eiser de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand onvoldoende aangetoond. Uit de medische informatie in het dossier volgt namelijk niet dat er in Nederland (ook) een of meerdere diagnoses zijn gesteld, om welke diagnose(s) het gaat en hoe eisers behandeling in Nederland verloopt. Verder heeft eiser met de verstrekte medische informatie ook niet aannemelijk gemaakt dat een overdracht aan Duitsland zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheidstoestand. Er is namelijk geen informatie verstrekt over de door eisers behandelaar te verwachten gevolgen van een overdracht zelf voor eisers psychische situatie. Gelet op het voorgaande is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De verklaring van eiser ter zitting dat hij suïcide zal plegen als hij naar Duitsland moet, is op zichzelf onvoldoende, nu er geen informatie is waaruit blijkt dat eisers behandelaar het risico dat eiser suïcide zal plegen als gevolg van zijn overdracht als reëel of hoog inschat. Verweerder is daarom niet gehouden om nader onderzoek te doen en hoeft dus geen BMA-advies over eiser op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Verweerder mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat eiser in Duitsland een adequate behandeling kan krijgen voor zijn psychische klachten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Uit eisers verklaringen tijdens het Aanmeldgehoor Dublin en de verstrekte medische informatie blijkt dat eiser eerder in Duitsland medische zorg heeft gekregen. Zijn enkele stelling dat die medische behandeling niet goed aansloeg en zijn verwachting dat dit bij terugkeer niet anders zal zijn, is onvoldoende om aan te nemen dat er in Duitsland geen passende medische zorg voor hem is. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser medisch te behandelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Onevenredige hardheid

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc.

Hetgeen eiser over zijn medische situatie heeft aangevoerd, is hiervoor al beoordeeld. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd ook verder geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.E. Bos

Griffier

  • mr. J. Dommerholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?