RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59026
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar)
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) heeft verlengd wegens onderduiken.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft op 20 april 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij besluit van 17 juli 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 november 2025 (NL25.32439) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep ongegrond verklaard.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de overdrachtstermijn tot achttien maanden verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser is ondergedoken.
Overwegingen
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd. Daartoe wijst hij erop dat verweerder moet bewijzen dat sprake was van onderduiken. Daarvan is volgens Europese rechtspraak pas sprake als eiser bewust en actief zou hebben vermeden om beschikbaar te zijn voor overdracht. Het begrip ‘onderduiken’ moet strikt worden geïnterpreteerd om een vreemdeling te beschermen tegen willekeurige verlengingen. Volgens eiser leidt een langere overdrachtstermijn tot onzekerheid en mogelijke detentie, wat hij in strijd acht met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Daarnaast merkt eiser op dat zijn gemachtigde het bestreden besluit vanwege de verzending per post pas op de laatste dag van de beroepstermijn heeft ontvangen. Doordat verweerder nalaat besluiten als deze aan het rechtbankportaal of het IND-portaal toe te voegen, tracht verweerder de overdracht te vertragen om verantwoordelijkheid te ontlopen.
Bekendmaking van het bestreden besluit
5. Het bestreden besluit dateert van 26 november 2025. Verweerder heeft het besluit per reguliere post verzonden. Vast staat dat eisers gemachtigde het besluit heeft ontvangen en daartegen tijdig beroep heeft kunnen instellen. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder het besluit niet (tevens) op andere wijze aan de gemachtigde heeft verstrekt, geen grond voor de conclusie dat verweerder getracht heeft de overdracht te vertragen om verantwoordelijkheid te ontlopen.
Verlenging van de overdrachtstermijn
Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht van de vreemdeling kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd, als de vreemdeling is ondergedoken.
Het is vaste jurisprudentie dat sprake is van onderduiken als een vreemdeling doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oogmerk om deze te voorkomen. Daarvan is in ieder geval sprake wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen (zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 in de zaak Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630).
Eiser is bij aanvang van zijn asielprocedure geïnformeerd over zijn verplichtingen. In het door eiser ondertekende M35H- formulier, waarmee hij asiel heeft aangevraagd, staat dat hij bekend is met de verplichting om (wijzigingen in) zijn woon- of verblijfplaats en adres zo spoedig mogelijk aan de IND door te geven en om bij vertrek naar het buitenland dit voor het vertrek door te geven aan de IND. Uit de door verweerder overgelegde gegevens blijkt dat eiser op 25 november 2025 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vetrokken’. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat uit een notitie van dezelfde dag volgt dat er een kamercontrole is geweest waarbij eiser niet op zijn kamer is aangetroffen en geconstateerd is dat er geen spullen van eiser meer in de kamer lagen. Verweerder heeft gesteld dat eiser zijn vertrek uit de opvang niet heeft gemeld. Er was voor eiser een vlucht naar Spanje geboekt voor 26 november 2025. Verweerder heeft de vlucht geannuleerd en op 26 november 2025 de Spaanse autoriteiten laten weten dat de overdrachtstermijn wegens onderduiken wordt verlengd. Eiser heeft niet betwist dat hij de opvang heeft verlaten zonder daar melding van de maken. Het is de rechtbank niet gebleken wat de reden voor eisers vertrek is geweest.
De rechtbank is, gelet op het onder 6.2. overwogene, van oordeel dat nu eiser de opvang heeft verlaten zonder de Nederlandse autoriteiten van zijn vertrek op de hoogte te stellen, terwijl hij bekend was met zijn verplichting om zijn vertrek te melden, eiser doelbewust ervoor heeft gezorgd dat hij buiten het bereik is gebleven van de autoriteiten met het oogmerk om overdracht aan Spanje te voorkomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan de autoriteiten. Verweerder heeft dan ook terecht de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot achttien maanden.
7. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.