RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19247 en NL26.19342
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het
inreisverbod is geregistreerd onder nummer NL26.19342 en het beroep tegen de
maatregel van bewaring onder nummer NL26.19247. Het beroep tegen de maatregel van
bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van
schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
Over bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring)
Lichter middel
2. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd in beroep niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
3. Voor zover eiser stelt dat hem de kans gegeven had moeten worden om zelf te vertrekken, mogelijk via het IOM is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de maatregel voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het onttrekkingsrisico te ondervangen. De enkele stelling van eiser dat hij zelf wil terugkeren naar Oezbekistan is daartoe onvoldoende, gelet op het feit dat eiser op 2 december 2025 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd heeft gekregen, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven. Bovendien beschikt hij over onvoldoende middelen om zijn terugreis te bekostigen en heeft verweerder kunnen overwegen dat er onvoldoende vertrouwen is dat eiser zelfstandig zal vertrekken. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt of dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is.
Ambtshalve toets
5. Ook ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring
op enig moment onrechtmatig was.
Over bestreden besluit 1 (inreisverbod)
6. Ter zitting is vastgesteld dat het beroep met zaaknummer NL26.19342 enkel gericht is tegen het inreisverbod van 6 april 2026, aangezien het terugkeerbesluit van 2 december 2025 reeds in rechte vast staat.
7. Eiser stelt dat het inreisverbod onvoldoende gemotiveerd is. Onder het kopje ‘zienswijze’ wordt het gehoor met eiser weergegeven. Daarna volgt enkel een opsomming van de zware en lichte gronden die aan eiser worden tegengeworpen. Daarmee wordt niet gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser wordt opgelegd.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser niet binnen 28 dagen na het uitvaardigen van het terugkeerbesluit is vertrokken. Gelet hierop is verweerder gehouden om aan eiser een inreisverbod uit te vaardigen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het afzien van of verkorten van de duur van het inreisverbod. Het inreisverbod van twee jaren is voldoende gemotiveerd en op juiste gronden opgelegd.
Conclusie
9. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.