[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Inleiding
1. De minister heeft op 27 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft op 30 maart 2026 tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
De omzetting van de maatregel
3. Eiser voert aan dat de eerdere maatregel die op 4 februari 2026 is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw te laat is omgezet. De asielaanvraag van eiser is op 18 maart 2026 kennelijk ongegrond verklaard, waarna pas op 27 maart 2026 de maatregel is opgeheven en de rechtsgrond is omgezet. Deze onrechtmatigheid werkt volgens eiser door in deze maatregel.
4. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een aan een eerdere maatregel van bewaring klevend gebrek de daaropvolgende maatregel niet alleen al daarom van aanvang af onrechtmatig maakt. Dat is wel het geval wanneer gebreken in de eerdere maatregel een ernstige schending opleveren van het fundamentele recht van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te worden als zijn bewaring onrechtmatig is.
De rechtbank overweegt dat de onrechtmatigheid van de eerdere maatregel van
4 februari 2026 niet in rechte is vastgesteld. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling of deze onrechtmatigheid doorwerkt in de rechtmatigheid van deze maatregel. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op
29 november 2022 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
7. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 3i, 4a, 4b, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn.
De rechtbank is van oordeel dat grond 3a feitelijk juist is. Eiser heeft verklaard op illegale wijze Europa te zijn binnengekomen en beschikt niet over een geldig reisdocument of een geldig visum om Nederland in te reizen. Hieraan heeft de minister terecht de conclusie verbonden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is ingereisd. Dat eiser recent via een Dublin-overname Nederland is binnengekomen, maakt niet dat de eerdere onrechtmatige grensoverschrijding hem niet kan worden tegengeworpen. Daarnaast is grond 3b feitelijk juist. Eiser is op 22 september 2021 zonder kennisgeving met onbekende bestemming vertrokken en heeft op 8 december 2022 zelfstandig zijn woonruimte verlaten. Dat het niet zijn intentie was om zich aan het toezicht te onttrekken, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook is grond 3c feitelijk juist. Eiser heeft op 29 november 2022 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen en heeft hieraan geen gevolg gegeven. De enkele stelling van eiser dat hij dit besluit niet heeft ontvangen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Verder zijn de gronden 3d en 3e feitelijk juist. Eiser onderneemt onvoldoende daadwerkelijke actie ter vaststelling van zijn identiteit en heeft bij de Zwitserse autoriteiten andere persoonsgegevens opgegeven. Dat eiser een verklaring over zijn identiteit en nationaliteit heeft afgelegd en stelt dat de identiteitsgegevens die hij nu opgeeft juist zijn, en dat hij spijt heeft van eerder onjuiste verklaringen, maakt dit niet anders. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn huidige identiteitsverklaring. Tot slot is grond 3i feitelijk juist. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan een eerdere bewaringsmaatregel verklaard niet te kunnen en willen terugkeren naar Algerije. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 27 maart 2026 heeft eiser bevestigd dat dit nog steeds het geval is.
Verder stelt de rechtbank vast dat eiser de lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden onrechtmatig aan eiser zijn tegengeworpen.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is, anders dan eiser heeft gesteld, in de maatregel uitdrukkelijk gemotiveerd dat geen minder dwingende maatregel doeltreffend kan worden toegepast. Dat eiser al lange tijd in Nederland (onder meer strafrechtelijk) in detentie verblijft en dat daarom volgens hem een meldplicht op zijn plaats is, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de psychische en medische omstandigheden van eiser kenbaar zijn gemaakt en voldoende zijn betrokken bij de beoordeling van de maatregel. Eiser is door de minister gewezen op het feit dat, mochten zich onverhoopt medische omstandigheden voordoen, alle benodigde medische faciliteiten op het Detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. Eiser heeft ook al eerder een intake gehad bij de medische dienst op voornoemde locatie. In dat verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra als gelijkwaardig kan worden aangemerkt aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op de vierde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 30 maart 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast is op 31 maart 2026 de lp-aanvraag doorgezonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarbij is verzocht om een presentatie. Op 3 april 2026 is gerappelleerd op deze lp-aanvraag. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
10. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit of dat deze belangen en dit beginsel een nadere beoordeling behoeven.De rechtbank betrekt hierbij dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat sinds de oplegging van het terugkeerbesluit sprake is van een andere situatie met betrekking tot deze belangen en dit beginsel. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.