ECLI:NL:RBDHA:2026:9615

ECLI:NL:RBDHA:2026:9615

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer NL26.9694 en NL26.9695
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

interstatelijk vertrouwensbeginsel, indirect refoulement, art. 3 en 6 EVRM, art. 4 Handvest, art. 17 Dvo, AIDA-rapport

Uitspraak

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor behandeling van de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1991 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat ten aanzien van Spanje niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser zijn er in Spanje tekortkomingen in de opvang en is het voor personen die terugkeren op grond van de Dublinverordening (Dublinclaimanten) niet altijd mogelijk om toegang tot de opvang te krijgen. Daarnaast verwacht eiser dat hij bij terugkeer in vreemdelingenbewaring zal worden gesteld. Eiser verwijst in dit verband naar de AIDA-rapporten (update 2022 en 2023) over Spanje. Eiser stelt dat het recht op een eerlijk proces, op grond van artikel 6 van het EVRM niet door de Spaanse autoriteiten wordt gerespecteerd. Eiser stelt geen recht te hebben op gratis rechtsbijstand in Spanje, aangezien dit afhankelijk is van een beoordeling door de Spaanse autoriteiten. Volgens eiser is het dan het recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in een juridische procedure illusoir, met name wanneer de Spaanse autoriteiten een eigen belang hebben bij de uitkomst van de asielprocedure. Daarnaast stelt eiser dat bij terugkeer naar Spanje er indirect refoulement dreigt en hij door de Egyptische autoriteiten zal worden onderworpen aan een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Tot slot wenst eiser, mede gelet op zijn medische omstandigheden, niet te worden overgedragen aan Spanje en dat verweerder de asielaanvraag van eiser in Nederland dient te behandelen, op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 november 2025 het meest recente AIDA-rapport betrokken en geconcludeerd dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de eerdere uitspraken van de Afdeling. Hoewel het lastig kan zijn voor Dublinclaimanten om toegang te krijgen tot opvangvoorzieningen en de asielprocedure, blijkt niet dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling.

De Spaanse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen. Daarmee garanderen de Spaanse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Eiser heeft niet met concrete eigen ervaringen onderbouwd dat hij geen toegang tot de procedure of opvang zal krijgen in Spanje. Daarbij wordt verweerder gevolgd in zijn standpunt dat eiser gesteld heeft dat hij persoonlijk niet ervaren heeft dat hij geen toegang tot huisvesting heeft kunnen krijgen.

6. De stelling van eiser dat niet is gebleken dat klagen bij de hogere autoriteiten in Spanje wel leidt tot het verstrekken van opvang aan Dublinclaimanten, volgt de rechtbank niet. Eiser verklaart dat hij een schriftelijk klacht heeft kunnen indienen bij de Spaanse autoriteiten. Hieruit blijkt dat het voor eiser mogelijk is om zo nodig te klagen. Voorts is niet gebleken dat de Spaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Het enkele feit dat eiser eerder wel heeft geklaagd, maar deze klacht volgens hem niet het gewenste effect heeft gehad is hiervoor onvoldoende. Mocht eiser in Spanje problemen ervaren, wat betreft de toegang tot opvang of wanneer hij door gebrek aan financiële middelen niet in de noodzakelijke levensbehoeften kan voorzien, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Spaanse autoriteiten. Dit geldt ook ten aanzien van eisers stelling dat het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het EVRM door de Spaanse autoriteiten niet wordt gerespecteerd.

7. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kent Spanje vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland en staan deze voorzieningen ook ter beschikking aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om aan te tonen dat dit niet het geval is. Hierin is eiser niet geslaagd. Verweerder stelt dat, als eiser daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, de Spaanse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht zullen worden ingelicht over eisers medische situatie. Verweerder hoefde gelet op het voorgaande geen individuele garanties bij de Spaanse autoriteiten te vragen

8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Spanje vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023 en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024. Uit deze uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor is overwogen kan ten aanzien van Spanje nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Spanje een risico is op indirect refoulement.

9. De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande en hetgeen eiser heeft aangevoerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat moet worden afgezien van overdracht aan Spanje wegens een onevenredige hardheid. Hoewel eiser medische stukken in het geding heeft gebracht, zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand