ECLI:NL:RBDHA:2026:9622

ECLI:NL:RBDHA:2026:9622

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer NL25.63118
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep asiel ongegrond. Oezbekistan. Verklaringen zijn niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.63118

geboren op [geboortedatum]

V-nummer: [v-nummer] ,

van Oezbeekse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),

en

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser krijgt een inreisverbod voor de duur van twee jaren.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.

Eiser heeft verklaard tot de Farsi-bevolkingsgroep te behoren. In 2020 heeft eiser een slagerij geopend. Om de plek op de markt te behouden, heeft eiser een krediet afgesloten bij de bank. Omdat de rente van dit krediet hoger uitviel dan aanvankelijk gedacht, heeft eiser samen met zijn compagnon een nieuw krediet afgesloten bij [man] . Zijn compagnon is er vervolgens met een groot bedrag vandoor gegaan. Hierdoor is eiser in de problemen geraakt met de afbetaling van de schuld aan [man] . Eiser wil de schuld niet betalen. Daarom wil [man] hem vermoorden. Bij terugkeer vreest eiser voor [man] .

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2. de problemen vanwege de schuld;

3. de discriminatie vanwege eisers etnische afkomst.

De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig.

Volgens de minister is het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat [man] hem wil vermoorden vanwege de schuld en eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat [man] heel machtig is en alles kan. Evenmin heeft eiser onderbouwd waarom [man] het gelijk te horen krijgt als eiser terugkeert naar Oezbekistan. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en daar heeft eiser geen goede verklaring voor. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d van de Vw 2000.

De discriminatie vanwege eisers afkomst acht de minister geloofwaardig, echter niet zwaarwegend genoeg. De geloofwaardig geachte asielmotieven maken volgens de minister niet dat eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.

De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw 2000. Eiser heeft namelijk niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was.

De verwijzing naar de zienswijze

5. Eiser wijst erop dat al wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd in dit beroep. De rechtbank overweegt hierover dat de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende is om punten uit de zienswijze te kunnen aanmerken als beroepsgrond(en) waar de rechtbank op in dient te gaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Deze algemene stelling van eiser is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich bij de beoordeling van het beroep dan ook alleen op wat eiser concreet tegen het besluit heeft aangevoerd en zal dit hierna beoordelen.

De problemen door de schulden van eiser bij [man]

6. Eiser heeft aangevoerd dat hij tijdens de gehoren en in de zienswijze aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over het steekincident. Naar aanleiding van het steekincident is eiser opgenomen in het ziekenhuis en na zijn vrijlating uit het ziekenhuis in januari 2022 zijn de belagers nog een keer langs geweest om eiser te bedreigen. Dat hierover verwarring is ontstaan, is te wijten aan de gemachtigde. Het door eiser overgelegde medische rapport, opgemaakt naar aanleiding van het steekincident, onderschrijft eisers verklaringen. Het kan niet zomaar terzijde worden geschoven door de minister. Dat eiser na januari 2022 nog in het land is gebleven, heeft te maken met de afgifte van het visum waar hij op moest wachten. Bovendien hield hij de belagers aan het lijntje door te zeggen dat hij hard aan het werk was om de schuldeisers af te betalen. Na eisers vertrek zijn de belagers eiser gezin gaan lastig vallen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers verklaringen over zijn problemen vanwege de schuld bij [man] niet ten onrechte niet geloofwaardig acht. De minister heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat eiser enkel vermoedt dat [man] achter de aanval met het mes zit. Eveneens heeft de minister kunnen stellen dat niet valt in te zien waarom eiser gedood zou moeten worden, omdat hij dan immers niet meer in staat zou zijn de schuld af te betalen aan [man] . Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat de vrienden van [man] vaker bij eiser zijn langsgekomen en eiser hebben gevraagd wanneer hij het geld betaalt en toen hebben nagelaten eiser te doden, terwijl zij daartoe toen wel de kans hadden. Bovendien is [man] na eisers vertrek uit Oezbekistan ook nog bij zijn vrouw geweest en heeft hij haar gevraagd wanneer eiser terugkomt. De minister heeft kunnen stellen dat uit deze vraagstelling geen dreiging blijkt. De minister heeft ook niet ten onrechte overwogen dat het steekincident voor eiser geen aanleiding is geweest het land te verlaten. Dat eiser in afwachting was van een visum en hij [man] aan het lijntje wilde houden, doet hier niets aan af.6.2. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de medische verklaring eisers gestelde problemen met Islam niet onderbouwt. Het document betreft een kopie en kan daarom niet op echtheid worden onderzocht. Bovendien blijkt uit de medische verklaring alleen dat eiser een steekwond heeft opgelopen en dat eiser hiervoor behandeld is. Deze informatie onderbouwt echter niet het causaal verband tussen het letsel en de door eiser gestelde problemen met [man] . De minister heeft het stuk dus niet, zoals eiser stelt, buiten de beoordeling gehouden, maar heeft zich gemotiveerd en terecht op het standpunt gesteld dat de medische verklaring eisers asielrelaas niet onderbouwt. Met deze motivering heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank ook dit document voldoende bij de beoordeling betrokken.

Het bestand op de USB-stick, door eiser in beroep overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Op de USB-stick is een filmpje te zien van - volgens eiser - eisers zoon, die zou verklaren: ’Gisteren zijn er 2 mannen bij mij gekomen, het blijkt dat je een schuld bij ze

hebt. Ik durfde niet iets tegen ze te zeggen. Stuur geld.’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister er allereerst op kunnen wijzen dat het niet verifieerbaar is of de jongen die in het bestand een verklaring aflegt de zoon van eiser is. Daarnaast - mocht het de zoon van eiser zijn - is geen sprake van een objectieve bron. Bovendien heeft eiser met het bestand niet concreet gemaakt of aannemelijk gemaakt dat hij vanwege de schulden bij [man] te vrezen heeft.

De machtige positie van [man]

7. Eiser heeft aangevoerd dat [man] machtig is. Dit blijkt uit feit dat de politie eiser niet heeft willen helpen en dat [man] eiser heeft laten neersteken. Eiser heeft aangegeven dat indien iemand door een messteek of kogel in het ziekenhuis belandt de politie een getuigenis komt opnemen. Toen eiser de aangifte jegens [man] wilde intrekken, heeft de politie aangegeven dat dat niets uitmaakte, omdat ze toch al niet van plan waren iets met de aangifte te doen. Dat [man] machtig is, blijkt ook uit feit dat [man] direct heeft gehoord dat eiser was geland in Boedapest. Dit is geen aanname, want eiser heeft via een kennis vernomen dat [man] op de hoogte was van de landing van eiser in Boedapest.

De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet kan verklaren waarom [man] zo machtig is als dat eiser stelt dat hij is. Ook kan eiser niet uitleggen hoe [man] zo rijk is geworden, hoe hij aan vrienden op belangrijke posities is gekomen en waarom hij de rechterhand is van de politie. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser aangifte heeft gedaan bij de politie, hetgeen duidt op het kunnen inroepen van bescherming door de autoriteiten. De minister heeft vervolgens kunnen stellen dat eiser niet consequent heeft verklaard over de intrekking van de aangifte. In zijn vrije relaas heeft eiser verklaard dat hij aangifte heeft gedaan toen hij in het ziekenhuis lag en vervolgens na overleg met [man] de aangifte heeft ingetrokken. Later heeft eiser echter verklaard dat de politie naar het ziekenhuis is gekomen, maar toen de aangifte niet wilde opnemen omdat eiser Iraniër is, hetgeen er op duidt dat eiser geen aangifte heeft gedaan. Deze verklaring staat echter weer haaks op eisers verklaring dat de politie tegen hem heeft gezegd dat hij de aangifte moest intrekken. Voorts stelt eiser in de zienswijze dat hij de aangifte heeft ingetrokken, omdat de vaders van eiser en [man] dat hadden afgesproken waardoor eiser meer tijd zou krijgen om de schuld af te betalen en dat de politie had gezegd dat het doen van aangifte geen zin had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser ook niet hoeven volgen in zijn verklaring dat [man] op de hoogte zal zijn van de aanwezigheid van eiser in Oezbekistan zodra hij daar landt. In dat verband heeft de minister kunnen stellen dat eiser niet heeft onderbouwd dat [man] wist dat eiser in Boedapest was geland. Eiser heeft zich immers enkel gebaseerd op een verklaring van een kennis. Mede om die reden heeft de minister eiser ook niet hoeven volgen in zijn verklaring dat [man] op de hoogte zal zijn van zijn aankomst in Oezbekistan. Niet ten onrechte stelt de minister dat eiser niet via een TikTok-filmpje (dat hij tijdens het nader gehoor heeft overgelegd) aannemelijk heeft gemaakt dat [man] rijk en machtig is. Niet bekend is namelijk wie de man is die op het filmpje staat.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?