ECLI:NL:RBDHA:2026:9623

ECLI:NL:RBDHA:2026:9623

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer NL25.30892
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Irak. Jezidi. Desertie militaire dienst. Vluchtelingenkamp Duhok/KAR. Normale woon- of verblijfplaats.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.30892

geboren op [geboortedatum] ,

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),

en

(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In de nacht van 2 op 3 augustus 2014 is IS het dorp van eiser binnengevallen en is hij vervolgens met zijn gezin naar de berg Sinjar gevlucht. Eiser en zijn gezin hebben twaalf dagen op de berg verbleven en zijn vervolgens naar Duhok gereisd. Tot aan zijn vertrek uit Irak heeft eiser in een vluchtelingenkamp in Duhok gewoond. Eiser behoort tot de jezidi bevolkingsgroep en is daarom niet veilig in het kamp of in Irak. Daarnaast vreest eiser voor de ideeën van IS. Eiser heeft van 2006 tot 2014 in militaire dienst gezeten. Vervolgens is eiser in 2019 opnieuw in dienst gegaan tot aan zijn vertrek in 2022. Hij was werkzaam als soldaat en hield de wacht bij de militaire basis.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Vlucht voor ISIS en hieruit voortvloeiende problemen;

3. Problemen vanwege Jezidi geloof;

4. Problemen vanwege desertie militaire dienst.

Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aangetoond met documenten en de minister houdt deze gegevens aan. De minister acht de vlucht voor ISIS en de daaruit voortvloeiende problemen geloofwaardig. Dat geldt ook voor de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. De minister heeft de problemen vanwege desertie uit de militaire dienst niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft ten aanzien van dit asielmotief volgens de minister onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring kunnen geven. Ook vormen eisers verklaringen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Uit eisers verklaringen volgt niet dat hij bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

De verwijzing naar de zienswijze

5. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Is er sprake van een schending van artikel 6 van het EVRM en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb ?

6. Eiser voert aan dat de termijnen van een week om beroep in te stellen tegen het bestreden besluit en een week om vervolgens de gronden in te dienen, veel te kort zijn. Er wordt met deze korte termijnen totaal geen rekening gehouden met de belangen van de gemachtigde. Volgens eiser is er geen sprake van een zorgvuldige procedure en vindt er door de korte termijnen geen eerlijke procedure plaats. Dit maakt dat zowel artikel 3:2 van de Awb als artikel 6 van het EVRM zijn geschonden. Ook is er sprake van een schending van artikel 3:46 van de Awb, omdat zowel de minister als de rechtbank niet hebben gemotiveerd waarom de termijnen voor het instellen van beroep en het indienen van de gronden zo kort zijn.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid en onder e, van de Vw. In dat geval is de termijn voor het instellen van beroep één week. In artikel 8.9 van het Procesreglement bestuursrecht staat dat een termijn van vijf werkdagen na verzending van de ontvangstbevestiging wordt gegeven voor het herstellen van een verzuim en dat deze termijn niet wordt verlengd. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het vervelend is dat de besluitvorming lang heeft geduurd, doet dit niet af aan de wettelijk vastgestelde termijnen. Daarbij heeft de gemachtigde van eiser in dit geval, in afwijking van het Procesreglement uitstel gekregen voor het indienen van de gronden. Van schending van artikel 6 van het EVRM dan wel de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Is het onredelijk om het huidige beleid voor jezidi’s toe te passen?

7. Eiser voert aan dat hij zijn asielaanvraag al op 5 oktober 2022 heeft ingediend en dat er op 5 april 2023 een besluit op zijn aanvraag had moeten zijn genomen. De asielaanvraag had daarom op grond van de beleidsregels zoals die op 5 april 2023 golden, beoordeeld moeten worden. In het beleid dat toen gold werden jezidi’s aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Volgens eiser is hij door het forse tijdsverloop in een slechtere positie gebracht. Jezidi asielzoekers die tegelijk met eiser in Nederland zijn aangekomen en die wel tijdig een besluit op hun asielaanvraag hebben gekregen, hebben op basis van het oude beleid waarschijnlijk een verblijfsvergunning gekregen. Dit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van deze zittingsplaats van 4 februari 2025. In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank ziet in het tijdsverloop tussen de aanvragen en de bestreden besluiten geen bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gebleken is dat de beslissingen zijn uitgesteld vanwege het voornemen om de rechten van eisers te frustreren. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten om op basis van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de minister op te dragen oud beleid toe te passen. Het ten tijde van de aanvragen geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend.

Heeft de minister het vierde asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht?

8. Eiser voert aan dat hij een pas van het leger en een verlofbrief heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in militaire dienst heeft gezeten. Als eiser terugkeert naar Irak, zal hij als gedeserteerde worden beschouwd. Hij zal worden bestraft omdat hij zonder toestemming de militaire dienst heeft verlaten.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte de gestelde problemen als gevolg van desertie uit de militaire dienst ongeloofwaardig geacht. De minister heeft hierbij van belang mogen achten dat eiser tijdens het verhoor bij de AVIM, het aanmeldgehoor en het nader gehoor tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de militaire dienst van 2006 tot 2016. Ook over de militaire dienst van 2019 tot 2022 heeft eiser tijdens de verschillende gehoren tegenstrijdig verklaard. Verder heeft de minister bij de beoordeling mogen betrekken dat uit de overgelegde militaire pas en verlofbrief niet valt af te leiden dat eiser tot aan zijn vertrek uit Irak in het leger heeft gediend. De minister heeft hier ter zitting nog aan toegevoegd dat de militaire pas een kopie betreft en dat uit onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat als het document als een origineel document zou zijn aangeboden, het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is.

Situatie in het ontheemdenkamp

9. De rechtbank stelt vast dat de minister het vluchtelingenkamp waar eiser in Duhok heeft verbleven, beschouwt als de normale woon- of verblijfplaats van eiser. In haar uitspraak van 4 februari 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2025 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. In de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van onder andere 27 februari 2025, 8 juli 2025 en 18 augustus 2025 is dit standpunt herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.

De rechtbank constateert dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een Thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Blijkens het Thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 op dat moment resterende formele vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering te sluiten. Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt, maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, zoals eiser heeft verzocht. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen twaalf weken n de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?