ECLI:NL:RBDHA:2026:9633

ECLI:NL:RBDHA:2026:9633

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer AWB 24/5578
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Aanvraag visum voor kort verblijf afgewezen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/5578

(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

(gemachtigde: mr. J.L.A.F van Halteren).

1. Deze zaak gaat over een aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond acht. Bovendien bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert hiertoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat het geval is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [persoon A] (de referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 3 maart 2023 heeft hij een visum voor kort verblijf aangevraagd om de referent (zijn oom) in Nederland te bezoeken.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii en onder b) van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Verweerder acht het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Bovendien heeft verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. Er is volgens verweerder namelijk niet gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

Juridisch kader

Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt, voor zover van belang, een visum geweigerd:

a. indien de aanvrager:

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een weigeringsgrond aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat twee weigeringsgronden zich voordoen slechts terughoudend kan toetsen.

Heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren?

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko. Eiser heeft, anders dan verweerder stelt, wel voldoende sociale en economische binding met Marokko. Eiser woont al zijn hele leven in Marokko en is volledig ingebed in het leven daar. Zijn ouders, broers en zussen wonen daar ook. Bovendien heeft hij daar werk als automonteur. Dit blijkt ook uit de overgelegde werkgeversverklaring van 4 april 2024. De loonbetaling ging contant en de werkgever van eiser was niet bereid om eiser loonstroken ter beschikking te stellen. Verweerder kan daarom niet van eiser verlangen dat hij loonstroken en bankafschriften overlegt. Dit getuigt ook van een Nederlandse en daarmee te hoge toetsingsmaatstaf. Met zijn inkomen ondersteunt eiser zijn ouders. Bovendien beschikt eiser over een bankrekening die enkel in Marokko gebruikt kan worden. Het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, is gebaseerd op de niet geconcretiseerde aanname dat Marokko een risicoland is wat illegale immigratie betreft. Dit wringt des te meer nu Marokko en de Europese Unie op 13 juni 2013 een ‘Mobility Partnership’ hebben afgesloten waarbij versoepelingen van het visumbeleid zijn toegezegd aan Marokkaanse onderdanen. Tot slot wijst eiser erop dat de referent zich garant heeft gesteld en dat de referent in het verleden niet onbetrouwbaar is gebleken.

Met inachtneming van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser voldoende sociale en economische binding heeft met Marokko en dat daarom getwijfeld wordt aan zijn voornemen om tijdig terug te keren.

Ten aanzien van de economische binding met Marokko overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderbouwd heeft kunnen achten dat eiser in Marokko werkt als automonteur. Verweerder heeft er in dat verband op gewezen dat in de ‘Checklijst aanvraag Schengenvisum in Marokko voor toeristisch bezoek’ staat dat er loonstroken, bankafschriften én een werkgeversverklaring overgelegd moeten worden wanneer de visumaanvrager werkt in loondienst. Verweerder heeft de overgelegde werkgeversverklaring daarom onvoldoende kunnen achten. De omstandigheid dat er op die werkgeversverklaring een salaris wordt genoemd maakt dit niet anders. Feit blijft immers dat eiser geen loonstroken en/of bankafschriften heeft overgelegd. De rechtbank betrekt hierbij ook dat eiser zijn stellingen dat zijn werkgever het salaris contant uitbetaalt en niet bereid was om hem loonstroken ter beschikking te stellen niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder mocht daardoor van eiser verlangen dat hij loonstroken en/of bankafschriften zou overleggen. Tevens is niet gebleken dat eiser geen andere stukken kon overleggen ter onderbouwing van zijn gestelde dienstverband en het door hem ontvangen inkomen. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn stelling dat hij beschikt over een bankrekening die enkel in Marokko gebruikt kan worden ook niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien ziet de rechtbank zonder nadere toelichting niet in hoe dit eiser economisch aan Marokko zou binden.

Ten aanzien van de sociale binding met Marokko overweegt de rechtbank dat verweerder van belang heeft mogen achten dat eiser 31 jaar oud is en geen partner en/of kinderen heeft waarvoor hij verantwoordelijkheid draagt. Verweerder heeft tevens van belang mogen achten dat niet is gesteld of gebleken dat eiser de zorg draagt voor zijn in Marokko wonende ouders, broers of zussen. Eiser heeft zijn stelling dat hij de kostwinner is in het gezin van zijn ouders, gelet op wat er onder 5.2.1. is overwogen, bovendien niet aannemelijk gemaakt. Dat eiser al zijn hele leven in Marokko woont en volledig is ingebed in het leven daar heeft verweerder tot slot niet aan hoeven merken als een zwaarwegende maatschappelijke verplichting op basis waarvan eiser gehouden is om terug te keren naar Marokko.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. Dat het standpunt van verweerder is gebaseerd op de niet geconcretiseerde aanname dat Marokko een risicoland is wat illegale immigratie betreft, kan de rechtbank niet volgen. Verweerder heeft in het bestreden besluit immers uiteengezet waarom specifiek eiser, met zijn persoonlijke situatie, niet voldoet aan de voorwaarden voor visumverlening. De omstandigheid dat de referent zich garant heeft gesteld en de stelling dat de referent zich in het verleden niet onbetrouwbaar heeft getoond, hebben verweerder – in het licht van wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de sociale en economische binding – niet tot een andere conclusie hoeven leiden. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat Marokko en de Europese Unie op 13 juni 2013 een ‘Mobility Partnership’ hebben afgesloten. Uit het door eiser overgelegde document blijkt namelijk niet van concrete toezeggingen over versoepelingen van het visumbeleid. Bovendien neemt dit niet weg dat eiser aan de geldende voorwaarden voor visumverlening dient te voldoen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Kon verweerder het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in redelijkheid onvoldoende aangetoond achten?

Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond zijn. Hij heeft namelijk een officiële verklaring van de Marokkaanse autoriteiten overgelegd waaruit blijkt dat de referent zijn oom is. Hiermee heeft hij de familierechtelijke relatie tussen hem en de referent aannemelijk gemaakt.

De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen dat alleen al de twijfel aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko de afwijzing van de aanvraag kan dragen. Zodoende kan in het midden blijven of verweerder het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in redelijkheid onvoldoende aangetoond kon achten.

Had verweerder eiser moeten horen in bezwaar?

Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar.

Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft verweerder eiser niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiser was er in het primaire besluit al op gewezen dat de sociale en/of economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond is dan wel zeer gering is gebleken. Nu eiser deze factoren in bezwaar niet nader heeft onderbouwd, heeft verweerder van horen kunnen afzien. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk ongegrond verklaard.

De beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder eiser een dwangsom moeten toekennen wegens niet tijdig beslissen?

Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Verweerder kan volgens eiser geen beroep doen op artikel 4:17, zesde lid, van de Awb. In dit artikel gaat het namelijk om een kennelijk niet-ontvankelijke of een kennelijk ongegronde aanvraag, terwijl het hier gaat om een (volgens verweerder) kennelijk ongegrond bezwaar.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 7:14 van de Awb volgt dat paragraaf 4.1.3.2, waar artikel 4:17 van de Awb onderdeel van is, ook van toepassing is op de bezwaarfase. Dat betekent dat verweerder een beroep kon doen op artikel 4:17, zesde lid, van de Awb. Verweerder heeft eiser dan ook terecht geen dwangsom toegekend.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk en (ook) geen visum krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?