RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van 20 april 2026 tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37995
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet vanwege zijn politieke activiteiten of zijn verblijf in Nederland in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. Verder heeft eiser op zichzelf genomen terecht aangevoerd dat de minister zijn verzoek om heroverweging niet heeft beoordeeld, maar heeft de minister in beroep alsnog voldoende uitgelegd waarom dit verzoek kan worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 26 augustus 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend en bij die aanvraag verzocht om heroverweging van het besluit van 28 april 2014 en in beroep tevens om heroverweging van het besluit van 22 juli 2019.
De minister heeft met het bestreden besluit van 24 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van deze zaak
3. Eiser heeft op 15 augustus 2013 een eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van
23 augustus 2013 is deze aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste
lid, van de Vw 2000. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 25 september 2013 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 november 2013 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2013 bevestigd. Het besluit van 23 augustus 2013 staat daarmee in rechte vast.
Eiser heeft op 25 maart 2014 een tweede asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 28 april 2014 afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 23 augustus 2013, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of bevindingen. Bij uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats, van 12 februari 2015 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het daartegen door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2015 ongegrond verklaard. Het besluit van 28 april 2014 staat daarmee in rechte vast.
Eiser heeft op 7 december 2018 een derde asielaanvraag ingediend. Deze is bij besluit van 22 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 28 augustus 2019 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen hoger beroep ingesteld zodat het besluit van 22 juli 2019 in rechte vast staat.
Eiser heeft op 26 augustus 2021 zijn vierde asielaanvraag ingediend. Als
nieuw element heeft eiser aangevoerd dat hij een fundamentele politieke overtuiging heeft,
inhoudende het streven naar een Tamil Eelam – een eigen land voor Tamils – en dat hij
daardoor in de negatieve aandacht staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Eiser heeft
gesteld dat hij aan de jaarlijkse Heldendag, de fietsenmars en Black July deelneemt.
Daarnaast heeft eiser ter onderbouwing een uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 27 mei 2021 en een publicatie van de Gazette van 25 februari 2021 overgelegd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Bij besluit van 28 april 2022 heeft de minister de vierde asielaanvraag van eiser van 26 augustus 2021 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank op 27 september 2022 gegrond verklaard omdat de minister het toetsingskader onjuist heeft toegepast. De minister had daarmee onvoldoende gemotiveerd dat eisers politieke overtuiging ongeloofwaardig is. Bij uitspraak van de rechtbank is de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Bij besluit van 25 augustus 2023 is eisers asielaanvraag opnieuw afgewezen. Op 6 oktober 2023 heeft de minister dit besluit ingetrokken. Met het huidige bestreden besluit van 24 september 2024 heeft de minister wederom een afwijzend besluit genomen op de vierde asielaanvraag van 26 augustus 2021.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende asielmotief:1. politieke overtuiging en activiteiten in Nederland.
De minister concludeert dat eisers asielmotief geloofwaardig is. Volgens de minister heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in Nederland. Daarom heeft de minister in het bestreden besluit eisers vierde asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of komt te staan?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka geen gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM vanwege de politieke activiteiten die hij in Nederland (heeft) verricht. Ten eerste staan de organisaties waarbij eiser is betrokken in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten. Dat geldt ook voor eiser zelf. Verder wil eiser zich na een terugkeer naar Sri Lanka op eenzelfde manier politiek kunnen uiten als hier en zal dat tot vervolging leiden.
Staat eiser in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten?
6. Ter onderbouwing van zijn stelling dat eiser op dit moment al in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat wijst eiser erop dat Tamil Forum Nederland en diens voorganger Tamil Coordination Committee (TCC) door de Sri Lankaanse autoriteiten als terroristische organisaties worden gezien. Deze autoriteiten tolereren geen uiting van separatistische opvattingen. Dat eiser op actieve en openlijke wijze een onafhankelijke Tamil-staat nastreeft, wat genoegzaam blijkt uit foto’s en materiaal op sociale media (Facebook), en in Nederland deelneemt aan activiteiten die door de Sri Lankaanse overheid als separatistisch worden aangemerkt, is voldoende om in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten te staan. De Sri Lankaanse autoriteiten zien de politieke overtuiging van eiser als separatistisch streven, dat zij niet tolereren. Op grond van de antiterreurwet, Prevention of Terrorism Act (PTA), hebben zij bevoegdheden om die separatisten te kunnen vervolgen omdat het Tamil Forum en het TCC in Sri Lanka verboden zijn – waarbij de voorzitter van het TCC als terrorist is aangemerkt. De rol van eiser tijdens de herdenkingen en bijeenkomsten in Nederland was het maken van foto’s, waarbij hij ook kleding met het logo van de Tamiltijgers droeg. Omdat eiser zijn activiteiten in het openbaar en op specifieke data verricht, kan eenieder daarvan kennisnemen en beelden op sociale media publiceren. De Sri Lankaanse autoriteiten monitoren de diaspora ook nauwgezet. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd dat een negatieve belangstelling alleen zou zien op personen met een leidinggevende rol of personen die specifieke kritiek uiten op de Sri Lankaanse autoriteiten. Dit standpunt is door het Upper Tribunal van het Verenigd Koninkrijk verlaten en vindt volgens eiser ook geen steun in het thematisch ambtsbericht.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser bij de Sri Lankaanse autoriteiten in de negatieve belangstelling staat en om die reden bij terugkeer te vrezen zou hebben. De minister heeft in de besluitvorming gewezen op rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat met name activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka omdat zij een significante rol spelen in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka naar een onafhankelijke Tamil-staat of het doen herleven van het gewapende conflict in Sri Lanka, bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan. Dat geldt niet voor iedere terugkerende Tamil. Dat die uitspraken van de Afdeling gebaseerd zijn op de uitspraak van het Upper Tribunal van 5 juli 2013 en het Upper Tribunal terugkomt van haar uitspraak in haar uitspraak van 27 mei 2021, en dat daarom de uitspraken van de Afdeling geen stand houden, volgt de rechtbank niet. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 mei 2025 is dit punt eerder beoordeeld. Uit de uitspraak van het Upper Tribunal en het thematisch ambtsbericht volgt dat de aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten zich nog altijd richt op Tamils die een significante (‘belangrijke’) rol spelen in het streven naar een onafhankelijk Tamil Eelam. Daarvan kan sprake zijn als iemand een belangrijke positie heeft in een verboden organisatie, maar ook als hij in de opinievorming een belangrijke rol speelt. De zinsnede in het thematisch ambtsbericht over personen die zich ‘openlijk hadden uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam’ moet in die context worden gelezen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het dan om uitlatingen die breed kenbaar worden, zodat de betreffende persoon een belangrijke rol speelt in de opinievorming over Tamil Eelam. Anders dan eiser stelt, volgt uit de uitspraak van het Upper Tribunal of het thematisch ambtsbericht niet dat inmiddels eenieder die ‘zichtbaar’ deelneemt aan demonstraties of iedereen die een mening uit, in de negatieve belangstelling komt te staan. Eiser heeft dat ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser een dergelijke significante rol speelt. Eiser heeft deelgenomen aan de jaarlijkse Heldendag, de fietsenmars en Black July, waarbij eiser heeft verklaard dat zijn rol bij demonstraties enkel die van deelnemer was en dat hij zich niet onderscheidde van andere demonstranten. Niet valt in te zien dat eiser bij de Sri Lankaanse autoriteiten in dat verband zou opvallen. Dat eiser zichtbaar is op foto’s van demonstraties maakt dat niet anders, omdat hij daarmee nog niet een prominent figuur wordt. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn activiteiten en de berichten die hij op Facebook heeft geplaatst, dat laatste mede in aanmerking genomen het aantal volgers van zijn account. Verder heeft eiser verklaard geen lid te zijn van één van de stichtingen in Nederland die zich inzetten voor Tamils.
Hieruit volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn politieke activiteiten door de Sri Lankaanse autoriteiten worden gemonitord of dat hij (door die activiteiten) in de negatieve aandacht van die autoriteiten staat.
Loopt eiser bij aankomst in Sri Lanka een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling?
7. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer ondervraagd zal worden en te maken kan krijgen met detentie, mishandeling en afpersing. Hiervoor verwijst eiser naar het rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada, getiteld "Sri Lanka; situation and treatment of returnees, including failed asylum seekers (2020 - March 2022)" van 2 mei 2022. Ook uit het thematisch ambtsbericht van juni 2024 (pagina 70) volgt dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka in de verhoogde aandacht van de autoriteiten komt te staan. Immers, het feit dat eiser met een vervangend reisdocument, namelijk een laissez-passer, zal moeten terugkeren, maakt reeds dat hij in de verhoogde aandacht komt te verkeren.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat een ondervraging bij aankomst op het vliegveld op zichzelf nog geen met het EVRM strijdige behandeling vormt en dat uit het thematisch ambtsbericht volgt dat terugkeerders doorgaans na een korte ondervraging de luchthaven konden verlaten. Ook in het geval eiser zou terugkeren zonder in het bezit te zijn van een paspoort, maar met een vervangend reisdocument, volgt uit het thematisch ambtsbericht niet dat dat leidt tot gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit paragraaf 6 van het thematisch ambtsbericht volgt dat de Sri Lankaanse autoriteiten aandacht hadden voor terugkeerders die gebruik maakten van een vervangend reisdocument, meer dan voor terugkeerders die met een paspoort reisden. Maar ook de categorie terugkeerders zonder paspoort kon na een ondervraging doorgaans de luchthaven verlaten. Tot slot is van belang dat eiser Sri Lanka niet illegaal heeft verlaten en hij, zoals hiervoor al overwogen, ook niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.
Zal eiser bij terugkeer ontoelaatbaar worden beperkt in zijn politieke overtuiging?
8. Eiser betoogt verder dat hij als Tamil Eelam-aanhanger zijn opvatting bij terugkeer in Sri Lanka niet (zonder terughoudendheid) kan uiten en dat hij vervolgd zal worden vanwege zijn politieke overtuiging. De minister heeft in dit verband onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen sterke politieke overtuiging heeft. Eisers familie was betrokken bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) en hijzelf heeft ook enige tijd in een LTTE-kamp verbleven. Ook na aankomst in Nederland is eiser onverminderd politiek actief gebleven. Verder voert eiser in dit kader aan dat hij betwist dat hij geen sterke politieke overtuiging zou hebben. Eiser merkt op dat hij deelneemt aan demonstraties, herdenkingsdagen en sportevenementen, waarmee hij duidelijk uiting geeft aan zijn politieke overtuiging. Hoewel de Tamil Eelam-beweging in Nederland goed georganiseerd is en er voor eiser geen rol is weggelegd, doet dit niets af aan zijn betrokkenheid. Het feit dat hij minder vaardig is met sociale media zegt niets over de diepgang van zijn innerlijke overtuiging. Het feit dat hij geen lid is van de TCC (een stichting kent geen leden), zegt evenmin iets over de diepgang van zijn innerlijke overtuiging. Gelet hierop heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van een sterke politieke overtuiging. Van eiser kan dan ook niet worden verwacht dat hij zich bij terugkeer terughoudend gaat opstellen. Er is in Sri Lanka niet of nauwelijks een Tamil Eelam-beweging, omdat dit verboden is. De Tamilbevolking in Sri Lanka wordt onderdrukt en monddood gemaakt. Dat is volgens eiser ook de reden dat er tegenwoordig nauwelijks nog veroordelingen plaatsvinden voor het openlijk uitkomen voor een Tamil Eelam.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2023 volgt dat bij een beroep op vluchtelingschap wegens een politieke overtuiging niet meer als eis gesteld mag worden dat sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. Dit laat onverlet dat bij de beoordeling van de zwaarwegendheid moet worden betrokken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Bij deze beoordeling van de gegrondheid van de vrees is de sterkte van die politieke overtuiging en de mate waarin deze overtuiging wordt of eventueel zal worden geuit een relevant element. Hierbij moeten de specifieke persoonlijke situatie van een vreemdeling en de meer algemene context van het land van herkomst worden betrokken. Het is echter niet vereist dat de overtuiging zo diepgeworteld is dat een vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst het uiten ervan niet achterwege zou kunnen laten en daardoor slachtoffer zou kunnen worden van daden van vervolging.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eisers politieke overtuiging niet dermate sterk is dat hij in dat verband bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging. Uit het thematisch ambtsbericht volgt dat in Sri Lanka een veelheid aan politieke partijen actief was die de Tamilbevolking vertegenwoordigden. Het naoorlogse politieke Tamil-leiderschap voerde geen campagne meer voor een onafhankelijk Tamil Eelam. Het politieke debat verschoof richting decentralisatie, het terugdringen van de militaire invloed in het noorden en oosten, en de teruggave van ingenomen land aan de burgers van die gebieden. Demonstraties en herdenkingen van slachtoffers van de burgeroorlog werden toegelaten, zolang niet werd opgeroepen tot een onafhankelijk Tamil Eelam of symbolen van de LTTE werden getoond. Beoordeeld moet dus worden of het aannemelijk is dat eiser na terugkeer naar Sri Lanka geen genoegen zal nemen met de standpunten van die bestaande, legale, partijen die de belangen van de Tamilbevolking vertegenwoordigen, en daadwerkelijk zodanige activiteiten zal willen ontplooien dat hij slachtoffer zal worden van vervolging. Zoals de minister terecht heeft gesteld is dat niet aannemelijk. Ten eerste is eiser pas na de afwijzing van zijn eerdere asielaanvragen in Nederland politiek actief geworden. De verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn beweegredenen daarvoor zijn algemeen en oppervlakkig en zijn niet met persoonlijke en authentieke verklaringen onderbouwd.
Verder blijkt uit eisers verklaringen dat zijn activiteiten in Nederland beperkt zijn gebleven en dat hij niet zelf initiatieven heeft ontplooid. Om die reden is ook niet aannemelijk dat eiser daadwerkelijk de wens heeft om in Sri Lanka wel persoonlijk initiatieven te ontplooien voor een onafhankelijk Tamil Eelam. Hij is ook specifiek gehoord met betrekking tot de activiteiten die hij in Sri Lanka zou willen verrichten. Eiser heeft verklaard dat hij soortgelijke activiteiten in Sri Lanka wil verrichten als in Nederland. Verder is eiser in Nederland pas begonnen met zich politiek te uiten, terwijl hij heeft verklaard dat hij ongeveer vanaf 2013/2014 een politieke overtuiging ontwikkelde. Voorts heeft hij verklaard dat hij bij terugkeer in Sri Lanka een partij of een groep zou vormen voor de Tamil Eelam en dan zou demonstreren met veel Tamil mensen. Eiser heeft dergelijke activiteiten echter noch geïnitieerd noch verricht in Nederland. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een partij wil oprichten in Sri Lanka. Voor zover eiser nog heeft gesteld dat het dragen van de Tijgervlag onderdeel is van zijn politieke overtuiging en het tonen van deze vlag tijdens demonstraties in Sri Lanka nog (wel) steeds verboden is, volgt uit algemene landeninformatie dat het tonen van de Tijgervlag in sommige gevallen leidt tot arrestatie en/of kortdurende detentie. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat het (enkele) tonen van de Tijgervlag leidt tot een vervolging in de zin van artikel 1(A), tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag. Geconcludeerd kan worden dat dus niet gebleken is dat eiser zijn opvattingen bij terugkeer in Sri Lanka op een wijze zal willen uiten die maakt dat hij vervolgd zal worden vanwege zijn politieke overtuiging. Eisers betoog slaagt daarom niet.
Heeft de minister ten onrechte geen heroverweging gemaakt van de eerdere besluiten van 28 april 2014 en 22 juli 2019?
9. Eiser voert aan dat de minister de eerdere besluiten van 28 april 2014 en 22 juli 2019 had moeten heroverwegen. De gemachtigde van eiser heeft op zitting toegelicht dat hoewel in de toelichting op de herhaalde asielaanvraag enkel het verzoek tot heroverweging van het besluit van 28 april 2014 wordt genoemd, toch beide besluiten worden bedoeld. Eiser betoogt het volgende. De minister heeft ten onrechte nagelaten om de heroverweging te laten plaatsvinden op basis van het recht dat gold ten tijde van de besluiten. Verder heeft de minister ten onrechte geen toepassing gegeven aan informatiebericht (IB) 2024/42. Dit maakt dat het bestreden besluit in strijd met IB 2024/42 is genomen. Op zitting heeft de gemachtigde betoogd dat IB 2025/25 is bedoeld. Het Hof van Justitie heeft op 21 september 2023 een uitspraak gedaan die van toepassing is op de situatie van eiser, waarna de Afdeling op 17 januari 2024 uitspraak heeft gedaan. Eiser betoogt dat hieruit volgt dat de minister het nieuwe toetsingskader niet heeft toegepast in het besluit in de vorige procedure van eiser. Daardoor is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, wat aanleiding moet geven voor een heroverweging van de besluiten van 28 april 2014 en 22 juli 2019. Eiser voert ook aan dat de minister hierbij een beoordeling had moeten maken van de politieke overtuiging, zoals is bedoeld in artikel 10, eerste lid aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn.
Dit betoog slaagt. Een verzoek om heroverweging is iets anders dan een opvolgende aanvraag. Met een verzoek om heroverweging stelt de vreemdeling immers dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht moet worden ingewilligd, terwijl de vreemdeling met een opvolgende asielaanvraag stelt dat hij vanwege nieuwe feiten en bevindingen nu (wel) in aanmerking komt voor een asielstatus. Doet de vreemdeling tegelijkertijd een opvolgende asielaanvraag en een verzoek om heroverweging, dan moet de minister daar gelijktijdig op beslissen. Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 7 juli 2024 heeft de minister een werkwijze opgesteld. Ten tijde van het beluit volgde die uit IB 2025/6, inmiddels is dat IB 2025/25. Uit de uitspraken en de informatieberichten volgt dat in beginsel wordt beoordeeld of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het is niet in geschil dat de minister in het bestreden besluit niet op het verzoek – zoals geformuleerd in de toelichting bij de herhaalde aanvraag – om heroverweging van het besluit van 28 april 2014 heeft beslist, terwijl dat wel had gemoeten. Dat geldt niet voor het besluit van 22 juli 2019 nu dat niet uit de herhaalde aanvraag blijkt, maar pas in beroep is aangevoerd. Het bestreden besluit is in zoverre gebrekkig en de rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek, zoals de minister heeft verzocht, te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister zich op de zitting alsnog op het standpunt heeft gesteld dat het nog altijd niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat en daarom geen aanleiding bestaat om de eerdere afwijzing van eisers asielaanvraag te heroverwegen. De rechtbank kan dat standpunt, gelet op wat zij hierboven heeft overwogen, volgen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat besluiten moeten worden beoordeeld naar het recht zoals dat op dit moment geldt, zodat het standpunt van eiser dat de minister de besluiten had moeten heroverwegen en beoordelen aan het destijds geldende recht niet slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat de minister niet op het verzoek om heroverweging heeft beslist. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om heroverweging. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit echter in stand (zie onder 9.2). Dat betekent dat eiser uiteindelijk geen gelijk krijgt en de afwijzingen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om heroverweging in stand blijven.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten van elk € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin niet is beslist op het verzoek van eiser om heroverweging;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.