ECLI:NL:RBDHA:2026:9651

ECLI:NL:RBDHA:2026:9651

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 09/151833-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor zes strafbare feiten. De verdachte had meerdere grote hennepkwekerijen en heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit en water ten behoeve van zijn hennepkwekerijen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 391 dagen op, waarvan 130 dagen voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/151833-21

Datum uitspraak: 22 april 2026

Tegenspraak (art. 279 Sv)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

verblijfadres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 13 september 2021, 30 november 2021, 22 februari 2022 (alle pro forma) en 8 april 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. van der Leeuw en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte, mr. N.C.M.L. Bloebaum, naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 30 november 2021 medegedeeld voornemens te zijn om een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aanhangig te maken.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 22 februari 2022. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan de verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd:

3. De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 7 tenlastegelegde partieel nietig dient te worden verklaard. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het onderdeel dat ziet op de contante geldbedragen in te algemene bewoordingen is geformuleerd. Met uitzondering van het daarin genoemde geldbedrag van € 30.000,-, is op basis van de tenlastelegging en het dossier onvoldoende duidelijk op welke contante geldbedragen de verdenking van witwassen ziet.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdenking ten aanzien van de contante geldbedragen slechts ziet op het witwassen van het genoemde bedrag van € 30.000,- voor een verjaardagsfeest.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet de dagvaarding onder meer een opgave van het ten laste gelegde feit bevatten, met vermelding van tijd en plaats, en van de omstandigheden waaronder dat feit zou zijn begaan. De opgave van het feit in de tenlastelegging moet voldoende duidelijk en feitelijk zijn zodat het voor de verdachte, in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende begrijpelijk is waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken.

In het onder 7 tenlastegelegde wordt aan de verdachte onder meer verweten dat hij in de periode van 1 juli 2016 tot 8 juni 2021 “meerdere grote (contante) geldbedragen (waaronder €30.000 voor een verjaardagsfeest), althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en)” heeft witgewassen. Door de politie is onderzoek verricht naar de inkomsten en uitgaven van de verdachte. Daaruit blijkt, volgens de politie, dat de verdachte in de bovengenoemde periode over een groot aantal contante geldbedragen moet hebben beschikt en dat het onmogelijk is dat die contanten een legale herkomst hebben.

Het is op basis van de tenlastelegging, ook in het licht van het dossier, niet duidelijk op welke geldbedragen wordt gedoeld, met uitzondering van het bedrag van € 30.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarom voor de verdachte onvoldoende begrijpelijk waartegen hij zich moet verdedigen ten aanzien van de overige contante geldbedragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de overige contante geldbedragen partieel nietig is, nu niet is voldaan aan de eisen van artikel 261 Sv.

4. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 tenlastegelegde.

Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Verdere standpunten van de raadsvrouw komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Feiten 4 en 5: hennepkwekerij [adres 2]

Op 12 februari 2021 heeft de politie in de kelder van een pizzeria, op de [adres 2] , een hennepkwekerij aangetroffen. De verbalisanten hebben waarnemingen gedaan die duiden op een eerdere oogst. Namens Evides en Stedin is aangifte gedaan voor diefstal van water en elektriciteit op het voornoemde adres.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van deze feiten.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer vast is komen te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Uit het onderzoek op de terechtzitting en de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte het volgende af.

In afgetapte telefoongesprekken van de verdachte komt naar voren dat hij regelmatig telefonisch contact had met de eigenaar van de voornoemde pizzeria, [naam 1] (hierna: [naam 1] ). In een gesprek op 20 mei 2019 deelt de verdachte aan [naam 1] mee dat hij er over 20 minuten is, waarop de telefoon van de verdachte een half uur later verbindt met een zendmast in Monster. Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte blijkt dat deze tussen 20 mei 2019 en 27 september 2019 zestien keer verbonden was met zendmasten in Monster en dat het adres [adres 2] valt binnen het dekkingsgebied van die zendmasten.

Uit de afgetapte telefoongesprekken volgt verder dat de verdachte en [naam 1] in versluierde taal spreken over de hennepkwekerij. In een telefoongesprek op 9 juni 2019 vraagt [naam 1] aan de verdachte of hij ‘arpa’ (gerst) moet geven, omdat ‘ze dorst hebben’. De verdachte reageert daarop dat hij dat heeft gegeven voordat hij wegging. In hetzelfde gesprek zegt [naam 1] tegen de verdachte dat hij ermee wil stoppen, maar dat ze er ‘misschien nog 2 of 3 doen’ als onder andere zijn huur wordt betaald. Daarbij komt ook een derde persoon ter sprake, [naam 2] , die bang zou zijn dat er niets overblijft. De verdachte reageert daarop dat [naam 2] blij moet zijn als er 5000 voor hem overblijft wanneer hij geen ruk heeft gedaan. In telefoongesprekken op 29 en 30 juli 2019 bespreken [naam 1] en de verdachte hoe zij moeten omgaan met een aangekondigde afsluiting van het water. In dat gesprek vraagt [naam 1] wat er zal gebeuren als het water wordt afgesloten, waarop de verdachte zegt dat ‘die daar eraan zullen gaan’ vanwege de warmte. In een telefoongesprek op 12 augustus 2019 vraagt [naam 1] aan de verdachte of hij nog veel moet doen, omdat zijn klanten zo zullen komen. De verdachte reageert dat hij klaar is en eraan komt, maar [naam 1] zegt daarop dat er iemand is en dat hij die eerst zal moeten wegsturen. Op dat moment maakte de telefoon van de verdachte verbinding met een zendmast in Monster.

De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat de verdachte een essentiële en aansturende rol vervulde in het onderhoud van de kwekerij. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de rol die de verdachte vervulde van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachte(n). Daarom acht de rechtbank het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5: medeplegen van diefstal van elektriciteit en water

Bij het aantreffen van de hennepkwekerij aan de [adres 2] is gebleken dat de stroom voor de hennepkwekerij buiten de elektriciteitsmeter om werd verkregen door de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast te verbreken. Bovendien was op de toevoerleiding een illegale aansluiting gemaakt. Daarnaast is gezien dat een extra leiding om de watermeter was aangebracht (omloopleiding) zodat een juiste registratie van het waterverbruik niet (meer) mogelijk was.

Uit het tapgesprek van 29 juli 2019 tussen [naam 1] en de verdachte blijkt dat het water tijdelijk wordt afgesloten. [naam 1] zegt: je zal morgen moeten komen. De verdachte beaamt dat en zegt dat hij ‘ [bijnaam] ’ wel langs zal sturen. Uit dit tapgesprek leidt de rechtbank af dat de verdachte zich bezig hield met de wateraansluiting van de hennepkwekerij. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de essentiële en aansturende rol van de verdachte in het onderhoud van de kwekerij, in combinatie met de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat een hennepkwekerij veel elektriciteit en water verbruikt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte weet had van de illegale water- en stroomvoorziening en dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het opzettelijk wegnemen van een hoeveelheid water en elektriciteit ten bate van de kwekerij.

Op grond hiervan zal de rechtbank het onder 5 tenlastegelegde medeplegen van de diefstal van water en elektriciteit eveneens bewezen verklaren.

Feit 7: medeplegen van witwassen

Juridisch beoordelingskader

Voor een bewezenverklaring van witwassen in de zin van artikel 420bis e.v. Sr is vereist dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat daarvoor niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader dat in de rechtspraak is uitgekristalliseerd in een aantal stappen.

Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap 1), mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het voorwerp (stap 2). Deze verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn (stap 3). De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte een dergelijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring (stap 4). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal dan moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap 5). Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).

Verjaardagsfeest en Piaggio scooter

Uit onderzoek van het iCOV Rapportage Vermogen en Inkomen (hierna: iRVI) blijkt dat de verdachte tussen 2014 en 2018 geen vermogen bezat op zijn bankrekeningen en dat hij, behoudens een bescheiden inkomen in 2015 en 2016, geen geregistreerde inkomsten had. Uit iRVI onderzoek naar de partner van de verdachte, [partner van de verdachte] (hierna: [partner van de verdachte] ), is gebleken dat zij hem nauwelijks financieel behulpzaam kon zijn geweest, nu zij slechts een uitkering genoot en geen geregistreerd vermogen bezat.

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) onderzoek verricht naar mogelijke contante uitgaven voor een verjaardagsfeest van de zoon van de verdachte. Uit de TCI-informatie kwam naar voren dat de verdachte een verjaardagsfeest voor zijn zoon zou hebben georganiseerd voor een bedrag van € 30.000,-. Op het feest zouden meerdere bekende artiesten hebben opgetreden en de zoon van de verdachte zou een Vespa scooter als cadeau hebben gekregen van de verdachte.

In de telefoon van [partner van de verdachte] zijn beelden aangetroffen die bevestigen dat op 1 juni 2019 een verjaardagsfeest voor de zoon van de verdachte heeft plaatsgevonden, waar onder andere de artiesten Boef, Gio en Keizer hebben opgetreden. Uit navraag bij de evenementenlocatie is gebleken dat het huren van de zaal € 1.500,- heeft gekost en dat dit is voldaan door [naam 3] (hierna: [naam 3] ), ten behoeve van iemand anders. Verder is gebleken dat de verdachte een Piaggio Vespa Sprint scooter met kenteken [kenteken 1] op zijn naam had staan sinds 18 juli 2019.

Op de bankrekeningen van de verdachte en [partner van de verdachte] zijn geen betalingen zichtbaar met betrekking tot het verjaardagsfeest en de scooter, zodat de betalingen daaromtrent contant moeten zijn verricht.

Daar komt bij dat de rechtbank de onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren. Daaruit volgt dat de verdachte in de periode van 1 maart 2019 tot en met 12 februari 2021 (voorbereidings-)handelingen heeft verricht met betrekking tot de productie van hennep.

Op grond van die feiten en omstandigheden acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de contante geldbedragen die zijn uitgegeven voor het verjaardagsfeest en de scooter uit misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die voorwerpen.

De verdachte heeft hierover kort gezegd het volgende verklaard. Hij heeft het feest samen met [naam 3] georganiseerd. Omdat [naam 3] in de evenementenbranche zit, heeft hij de zaal en de optredens van Gio en Keizer voor een goede prijs kunnen regelen. Het optreden van Boef is geregeld door de neef van de verdachte, [neef van de verdachte] (hierna: [neef van de verdachte] ). Hij had eerder gratis diensten verleend aan Boef (tanden bleken), hetgeen ertoe leidde dat Boef het optreden kosteloos wilde doen. De totale kosten voor het feest kwamen neer op een bedrag van € 8.500,-. Het feest is bekostigd met het geld dat cadeau is gegeven door de 200 tot 250 aanwezigen op het feest. In totaal is een bedrag van circa € 22.000,- geschonken. Daarvan is het feest en ook de Piaggio scooter met kenteken [kenteken 1] betaald. De verdachte had de scooter al voorafgaand aan het feest gehaald, maar nadien pas betaald. Het was mogelijk om de scooter later te betalen omdat hij hem heeft gekocht van een bekende van [neef van de verdachte] , die met de verdachte mee was gegaan om te bemiddelen.

[naam 3] en [neef van de verdachte] zijn als getuigen gehoord bij de rechter-commissaris. Zowel [naam 3] als [neef van de verdachte] hebben verklaard dat de artiesten voor een vriendenprijs of zelfs kosteloos hebben opgetreden, wegens de goede band die de getuigen hebben met die artiesten. Verder hebben zij beiden verklaard dat het feest is betaald van de contante geldbedragen die de zoon van de verdachte cadeau heeft gekregen. [neef van de verdachte] heeft verklaard dat dit een gebruikelijke gang van zaken is en dat hij zelf een bedrag van € 500,- in een envelop heeft gegeven. Daarnaast heeft [neef van de verdachte] verklaard dat hij de verdachte heeft voorgesteld bij Scooter Exclusief Lammenschans, waar goede bekenden van hem werken, waardoor de verdachte een betere prijs zou hebben gekregen.

De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de contante uitgaven met betrekking tot het verjaardagsfeest. De rechtbank overweegt daartoe dat zijn verklaring wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [naam 3] en [neef van de verdachte] .

De betaling van de scooter, pas enkele dagen nadat de scooter door de verdachte is meegenomen, roept naar het oordeel van de rechtbank wel vragen op. Het had echter op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar dit onderdeel van de verklaring. Door de verdachte en [neef van de verdachte] is immers vermeld bij welk bedrijf de scooter is gekocht, zodat hun verklaringen geverifieerd hadden kunnen worden. Dat geldt ook voor de afspraken die zijn gemaakt met de artiesten die hebben opgetreden op het feest, waarover concrete informatie is gegeven door de verdachte en de getuigen.

Het uitblijven van nader onderzoek staat naar het oordeel van de rechtbank in de weg aan een bewezenverklaring, nu de lezing van de verdachte niet kan worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het medeplegen van witwassen van € 30.000,- voor het verjaardagsfeest en de Piaggio scooter met kenteken [kenteken 1] .

Mercedes AMG met kenteken [kenteken 2] en Rolex

De politie heeft naar aanleiding van TCI-informatie onderzoek verricht naar een mogelijke contante uitgave van de verdachte voor de aankoop van een Mercedes AMG in Duitsland, waarvoor hij meer dan € 40.000,- zou hebben betaald.

Uit het iRVI onderzoek inzake de verdachte is gebleken dat hij een Mercedes AMG met kenteken [kenteken 2] op naam had staan sinds 2 augustus 2019. In afgetapte telefoongesprekken van de verdachte komt naar voren dat hij de Mercedes heeft gekocht van een particulier in Duitsland. Uit onderzoek van de politie naar soortgelijke voertuigen die te koop werden aangeboden, is gebleken dat de verkoopprijs varieert van € 33.790,- tot

€ 42.950,-. Vanaf 11 januari 2021 stond de Mercedes op naam van medeverdachte [partner van de verdachte] .

Op het verblijfadres van de verdachte en [partner van de verdachte] is bij een doorzoeking op 8 juni 2021 een Rolex horloge aangetroffen. De nieuwwaarde van dit horloge is getaxeerd op € 13.600,-.

Zoals eerder is overwogen, beschikten de verdachte en [partner van de verdachte] nauwelijks over geregistreerde inkomsten en vermogen. Op de bankrekeningen van de verdachte en [partner van de verdachte] zijn geen betalingen zichtbaar met betrekking tot de Mercedes en de Rolex, zodat de betalingen daaromtrent contant moeten zijn verricht.

Ook in dit verband noemt de rechtbank dat de onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde feiten bewezen zullen worden verklaard, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte in de periode van 1 maart 2019 tot en met 12 februari 2021 (voorbereidings-) handelingen heeft verricht met betrekking tot de productie van hennep.

Op grond van die feiten en omstandigheden acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de contante geldbedragen die zijn uitgegeven aan de Mercedes en de Rolex uit misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die voorwerpen.

De verdachte heeft hierover kort gezegd het volgende verklaard. De verdachte is bevriend met [naam 4] (hierna: [naam 4] ), een kunstverzamelaar. De verdachte heeft in 2009 iemand aan [naam 4] geïntroduceerd, die later diverse schilderijen van hem heeft gekocht. Als vergoeding voor deze bemiddeling heeft de verdachte een schilderij gekregen. Omdat [partner van de verdachte] het schilderij niet mooi vond, heeft de verdachte het schilderij later aan [naam 4] terug gegeven en in ruil daarvoor het Rolex horloge gekregen. Vervolgens heeft de verdachte in 2017 of 2018 twee schilderijen van [naam 4] meegenomen en verkocht. Hij heeft de Mercedes gekocht met het geld dat hij met de verkoop van de schilderijen had verdiend. Omdat de verdachte de twee schilderijen van [naam 4] had meegenomen, had hij een schuld bij hem die in delen werd afbetaald. Er was geen afbetalingsregeling op papier gezet, dat ging in goed vertrouwen. De verdachte heeft de schilderijen verkocht aan kennissen die hij niet bij naam wil noemen.

Ook [naam 4] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft eveneens genoemd dat hij de verdachte in 2009 een schilderij heeft gegeven uit dank voor een bemiddeling en dat dit schilderij later is omgeruild voor een Rolex. Ook heeft hij verklaard dat de verdachte rond 2017 schilderijen had meegenomen en deze voor hem had verkocht. Maar vanaf hier lopen de verklaringen uiteen. Zo verklaart [naam 4] dat het om drie schilderijen ging, waar de verdachte het over twee schilderijen had. Voort heeft [naam 4] verklaard dat de schuld in 2021 is afbetaald terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij de schuld nog steeds aan het afbetalen is.

Naast dat er opmerkelijke verschillen in de verklaringen zitten, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte op andere, wezenlijke punten onvoldoende concreet en verifieerbaar. [naam 4] heeft verklaard dat hij individuele transacties niet bijhoudt in zijn administratie en dat de betalingen voor zijn schilderijen contant werden verricht. Toen hem werd gevraagd naar de transacties van de verdachte, verklaarde [naam 4] dat die niet op papier staan, maar alleen in zijn hoofd zitten. De rechtbank overweegt dat het uitsluitend noemen van een bron van herkomst of inkomsten (zoals de verkoop van een schilderij), onvoldoende is om te kunnen spreken van een concrete en verifieerbare verklaring. Omdat de verdachte en [naam 4] geen van de door hen gestelde transacties hebben gedocumenteerd, kunnen hun verklaringen niet worden geverifieerd.

De rechtbank overweegt verder dat [naam 4] op 6 juni 2025 door deze rechtbank is veroordeeld voor het witwassen van geldbedragen in de periode van 1 februari 2017 tot 22 september 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9951). Bovendien is gebleken dat de verdachte en [naam 4] tussen 24 september 2021 en 23 februari 2022 in dezelfde penitentiaire inrichting verbleven. Ten tijde van het indienen van de onderzoekswensen op 21 januari 2022, zijn de verdachte en [naam 4] daarom in de gelegenheid geweest om daarover te spreken met elkaar. Dat maakt in dit geval dat aan hiervoor genoemde verklaringen hoe dan ook weinig bewijswaarde toekomt.

Nu de verklaringen van de verdachte en [naam 4] op onderdelen van elkaar verschillen, op wezenlijke punten niet kunnen worden geverifieerd en het dossier een aanwijzing bevat dat de verklaringen mogelijk op elkaar zijn afgestemd, is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen onvoldoende aanleiding geeft tot nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.

Gelet op het voorgaande is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde Mercedes en Rolex onmiddellijk of middellijk uit enig (eigen) misdrijf afkomstig zijn.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2019 te Hazerswoude-dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 405 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2

hij in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2019 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) een hoeveelheid elektriciteit, die aan Liander NV, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3hij in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 oktober 2019 te Valkenburg, gemeente Katwijk, (telkens), in een loods gelegen aan de [adres 4] en of in een voertuig (VW Transporter ( [kenteken 3] ), stoffen en voorwerpen heeft afgeleverd, vervoerd, of voorhanden gehad, te weten: - lampen en- transformatoren en- droog netten en- sealzakken en- zakken meststof (Kristalen) en- een sealmachine en- een henneptent met henneprestenwaarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

4hij in de periode van 20 mei 2019 tot en met 12 februari 2021 te Monster, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 444 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5hij in de periode van 20 mei 2019 tot en met 12 februari 2021 te Monster, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen (telkens) een hoeveelheid elektriciteit en water die toebehoorden aan Westland Infra en/of Evides Waterbedrijf NV, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

7hij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 juni 2021 te Leiden, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, (telkens)- van voorwerpen, te weten een Rolex en een personenauto (Mercedes AMG [kenteken 2] )

- deze voorwerpen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft opgemerkt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van

15 maanden passend en geboden zou zijn. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 390 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen wegens een gebrek aan gronden.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft tussen 2016 en 2021 zes strafbare feiten gepleegd. Hij heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het hebben en ‘runnen’ van meerdere grote hennepkwekerijen en de daarmee verband houdende voorbereidingen en opslag. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit en water ten behoeve van zijn hennepkwekerijen.

Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het is algemeen bekend dat regelmatig gebruik van de uit hennepplanten verkregen stof de gezondheid van gebruikers kan schaden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het houden van een hennepkwekerij, waarbij sprake is van een niet-professioneel aangelegde elektrische installatie, (brand)gevaar kan opleveren. De verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door geldelijk gewin en is daarbij voorbijgegaan aan alle gevaren die met deze praktijken gepaard gaan.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Hiermee heeft de verdachte getracht opbrengsten van enig misdrijf te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus. Witwassen zorgt ervoor dat crimineel geld terechtkomt in het legale handelsverkeer en ondermijnt daardoor de integriteit van de legale economie en het vertrouwen dat daarin moet kunnen worden gesteld.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor het telen van hennep.

Persoon van de verdachte

Ter terechtzitting is namens de verdachte aangevoerd dat hij nog steeds zijn eigen bouwbedrijf heeft en daarvoor veel aan het werk is, onder andere in Duitsland. Verder verblijft de verdachte in de woning van zijn ouders in Leiderdorp.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn met bijna drie jaren is overschreden. De lange duur van de procedure is niet aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze overschrijding matiging van de straf tot gevolg moet hebben.

De straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn voldoende tot uitdrukking in de eis van de officier van justitie.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 391 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal bevelen dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven, nu het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft evenmin een standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst, als bijlage III aan dit vonnis gehecht, onder 2 genoemde voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp, de Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 4] , is voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank zal ten aanzien van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 6 en kan voorts niet vaststellen aan wie het voorwerp toebehoort.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 311, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 3, 11 en 11a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde partieel nietig, te weten met betrekking tot het onder het tweede gedachtestreepje ten aanzien van andere geldbedragen dan "€30.000 voor een verjaardagsfeest";

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 3:

stoffen en/of voorwerpen afleveren, vervoeren, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 5:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 7:

medeplegen van witwassen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 391 (DRIEHONDERDEENENNEGENTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 261 dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 130 (HONDERDDERTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de inbeslaggenomen goederen

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Bestelauto;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, te weten: Koffer voor wapen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.L. Harmsen, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. M.S. Verboom, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2026.

Bijlage I: tekst van de tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 februari 2022 – ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2019 te Hazerswoude-dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 405 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2019 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Liander NV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 oktober 2019 te Valkenburg, gemeente Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens), in een loods gelegen aan de [adres 4] en of in een voertuig (VW Transporter ( [kenteken 3] ), stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten: (een groot aantal)

- lampen en/of

- transformatoren en/of

- droog netten en/of

- sealzakken en/of

- zakken meststof (Kristalen) en/of

- een sealmachine en/of

- een henneptent met hennepresten

waarvan hij en zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

4

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 mei 2019 tot en met 12 februari 2021 te Monster, gemeente Westland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 444 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2019 tot en met 12 februari 2021 te Monster, gemeente Westland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een hoeveelheid elektriciteit en/of water in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele toebehoorde aan Westland Infra en/of Evides Waterbedrijf NV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6

hij op of omstreeks 8 juni 2021 te Leiderdorp, althans in Nederland, een of meer (onderdelen van) wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- een omgebouwd gas- alarmpistool, van het merk Walther, type P22, kaliber 9mm kort en/of

- een patroonmagazijn, van het merk Clock, kaliber 9 x 19mm,

zijnde een of meer (onderdelen van) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of

- 169, althans een groot aantal, stuks pistoolmunitie van categorie III, van diverse merken (o.a. S&B), kaliber 9mm Luger en/of 9mm kort,

voorhanden heeft gehad;

7

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 juni 2021 te Leiden, althans in Nederland, en/of in Turkije tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

- van (een) voorwerp(en), te weten (o.a.) een Rolex en/of een scooter (Piaggio [kenteken 1] ) en/of een personenauto (Mercedes AMG [kenteken 2] ) en/of

- van meerdere grote (contante) geldbedragen (waaronder €30.000 voor een verjaardagsfeest), althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) is/zijn en/of

- dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?