ECLI:NL:RBDHA:2026:9657

ECLI:NL:RBDHA:2026:9657

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 09/151833-21 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Oplegging van ontnemingsmaatregel ter hoogte van € 188.538,28.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/151833-21 (ontneming)

Datum uitspraak: 22 april 2026

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

verblijfadres: [adres 1] .

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 30 november 2021, 22 februari 2022 (alle pro forma) en 8 april 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. L. van der Leeuw op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de raadsvrouw van de veroordeelde, mr. N.C.M.L. Bloebaum, op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2. De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 1.146.293,23 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3. De grondslag voor ontneming

De veroordeelde is bij vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld voor onder andere:

Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat de veroordeling mede misdrijven betreft waarvoor, zonder daarbij strafverhogende omstandigheden in aanmerking te nemen, een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aannemelijk is dat de veroordeelde op de een of andere manier wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit die misdrijven of uit andere strafbare feiten.

Welke andere strafbare feiten dat zijn en door wie deze zijn gepleegd kan niet worden geconcretiseerd. De rechtbank laat in het midden of de pleger daarvan mogelijk iemand anders is geweest dan de veroordeelde. Welk voordeel de veroordeelde uit deze strafbare feiten heeft verkregen komt hierna bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde.

De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een veroordeling wegens een misdrijf als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

4. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering gewijzigd in die zin, dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 396.293,23. De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 12 oktober 2021 (hierna: het ontnemingsrapport). De conclusie van dit rapport is dat het door de veroordeelde totale wederrechtelijk verkregen voordeel

€ 1.146.293,23 bedraagt.

De officier van justitie komt op een ander bedrag uit dan in het ontnemingsrapport, omdat zij de volgende posten niet betrekt bij haar berekening:

investering onroerend goed Turkije: € 700.000,-

aanschaf twee hennepknipmachines in Spanje: € 50.000,-.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel daarom moet worden geschat op een bedrag van € 396.293,23, zoals zij ook voorafgaand aan de zitting bij e-mail van 25 maart 2026 kenbaar had gemaakt.

Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 8 april 2026 op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn.

Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.

Bewijsmiddelen

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. de gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak;

2. het ontnemingsrapport, opgemaakt op 12 oktober 2021;

3. het Excel-bestand behorend bij p. 15 van het ontnemingsrapport, als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.

De rechtbank overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.

Bewijsvermoeden

Hiervoor is overwogen dat in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. In geval van toepassing van dat derde lid kan worden uitgegaan van een bewijsvermoeden. Dat vermoeden houdt in dat alle gedane uitgaven evenals alle vergaarde voorwerpen in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het delict, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. Het bewijsvermoeden kan worden weerlegd als aannemelijk is dat deze uitgaven en voorwerpen uit een legale bron van inkomsten komen. Van de verdediging mag daarom worden verlangd om aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen dat sprake is van een legale bron van inkomsten.

Economische eenheid veroordeelden

De veroordeelde en zijn vrouw [vrouw van de veroordeelde] (hierna: [vrouw van de veroordeelde] ), die eveneens is veroordeeld, voerden gedurende de onderzoeksperiode een gezamenlijke huishouding en kunnen worden aangemerkt als een economische eenheid. In het rapport is niettemin onderscheid gemaakt tussen de berekening van wederrechtelijk voordeel dat is verkregen door de veroordeelden afzonderlijk van elkaar. Voor zover de uitgaven ten behoeve van hen beiden of hun gezinsleden zijn gedaan, is de uitgave toegerekend aan degene die de uitgave daadwerkelijk heeft gedaan. De rechtbank volgt dat gemaakte onderscheid.

Legale inkomsten

Uit onderzoek van het iCOV Rapportage Vermogen en Inkomen (hierna: iRVI) blijkt dat de veroordeelde tussen 2014 en 2018 geen vermogen bezat op zijn bankrekeningen en dat hij, behoudens een bescheiden inkomen in 2015 en 2016, geen geregistreerde inkomsten had.

Money transfers en contanten bankrekeningen (stortingen – opnamen) t/m 17-07-2019

De Financial Intelligence Unit heeft op 28 juni 2018 melding gedaan van ongebruikelijke transacties door de veroordeelde. Dat waren twee money transfers van € 2.136 en € 2.200,-.

Voorts blijkt uit het financieel onderzoek naar de veroordeelde dat tussen 1 juli 2016 en 17 juli 2019 een totaalbedrag van per saldo € 15.835,70 aan contante stortingen is gedaan op zijn bankrekening.

De money transfers en contante stortingen zijn niet betwist door de verdediging. De rechtbank zal deze bedragen dan ook aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Uitgaven feest 16 jarige zoon [zoon van veroordeelde] en aanschaf Piaggio [kenteken 1]

Door het Openbaar Ministerie is gesteld dat de veroordeelde een geldbedrag van € 30.000,- heeft uitgegeven aan een verjaardagsfeest voor zijn zoon. Ook heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat de veroordeelde € 5.000,- heeft uitgegeven aan een Piaggio scooter, als verjaardagscadeau voor zijn zoon.

Nu de veroordeelde in de strafzaak is vrijgesproken voor het tenlastegelegde witwassen van de scooter en het geldbedrag van € 30.000,-, zal de rechtbank deze posten niet betrekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Huur pand [adres 2] en opbouwkosten van deze hennepkwekerij

De veroordeelde heeft zich blijkens de bewezenverklaring in het strafvonnis van heden samen met anderen schuldig gemaakt aan het telen van hennep in een pand op de [adres 2] . Door het Openbaar Ministerie is gesteld dat de veroordeelde tussen 1 juli 2017 en 1 juli 2019 voor een bedrag van € 51.273,75 aan contante uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de huur van de [adres 2] .

Uit de bewijsmiddelen van het strafvonnis volgt dat het huurcontract van de [adres 2] op naam stond van [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] heeft kort gezegd verklaard dat hij is benaderd door de veroordeelde en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). De veroordeelde en [naam 2] hebben een hennepkwekerij in het pand van [naam 1] geplaatst, waarvoor hij een vergoeding zou krijgen. [naam 1] heeft verklaard dat de veroordeelde de eigenaar is van de hennepkwekerij en dat [naam 2] deed wat de veroordeelde bepaalde. [naam 1] heeft verder verklaard dat de veroordeelde op enig moment tegen hem heeft gezegd dat hij (de veroordeelde) de baas is en dat zijn geld erin zit.

Uit onderzoek naar de telefoon van [vrouw van de veroordeelde] volgt dat de veroordeelde daadwerkelijk huur betaalde aan [naam 1] . In een Whatsappgesprek op 29 april 2019 spreken [vrouw van de veroordeelde] en de veroordeelde over uitgaven, waarbij [vrouw van de veroordeelde] vraagt waar het allemaal heengaat. De veroordeelde reageert daarop ‘huur [naam 1] schat’.

Anders dan de verdediging, acht de rechtbank het op basis van de verklaring van [naam 1] en het bovenstaande bericht voldoende aannemelijk dat de veroordeelde huur heeft betaald voor de [adres 2] .

Op basis van het huurcontract kan worden vastgesteld dat de kosten per maand € 2.050,95 bedroegen. De rechtbank zal de verdediging volgen in haar subsidiaire standpunt en bij de berekening van de huurkosten uitgaan van de bewezenverklaarde periode, te weten 1 maart 2019 tot en met 31 juli 2019. Dat betekent dat de totale huurkosten (€ 2.050,95 x 5 =) € 10.254,75 bedragen.

De door het Openbaar Ministerie gestelde opbouwkosten van de hennepkwekerij zijn gebaseerd op de BOOM-rapportage 2016 (Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie). Daaruit volgt dat een investering van € 6.000,- nodig is voor een kwekerij van 405 planten. De rechtbank rekent dit bedrag ook toe aan de veroordeelde.

Door de verdediging is meer subsidiair bepleit dat de vordering gematigd dient te worden, omdat geen rekening is gehouden met een verdeling van de kosten onder de medeplegers van de veroordeelde. Weliswaar heeft de rechtbank de veroordeelde voor het medeplegen van dit feit veroordeeld, maar dat leidt niet noodzakelijk tot de conclusie dat de kosten en opbrengsten van de hennepkwekerij dienen te worden verdeeld. Nu uit het dossier geen aanwijzingen volgen voor een verdeling van deze kosten en de veroordeelde hierover geen verklaring heeft afgelegd, zal de rechtbank de kosten aan de veroordeelde toerekenen.

Er hebben geen girale betalingen plaatsgevonden die betrekking hebben op deze uitgaven, zo volgt uit de analyse van de banktransacties van de veroordeelde. Gelet daarop kan worden vastgesteld dat de betalingen voor de huur en opbouw van de hennepkwekerij contant zijn verricht. Deze bedragen worden dan ook betrokken bij het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Huur pand [adres 3] , aanschaf hennep gerelateerde goederen en 240 bakken bij Ikea

De veroordeelde heeft zich blijkens de bewezenverklaring in het strafvonnis van heden schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen van in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. De veroordeelde heeft immers stoffen en voorwerpen, die bestemd zijn voor de hennepteelt, voorhanden gehad in een loods aan de [adres 3] .

Door het Openbaar Ministerie is gesteld dat de veroordeelde de volgende kosten heeft gemaakt met betrekking tot de [adres 3] :

Huur pand [adres 3] € 7.500,-

Aanschaf hennep gerelateerde inventaris [adres 3] € 15.711,63

29-05-2019 aanschaf 240 bakken bij Ikea € 357,60

De verhuurder van de loods op de [adres 3] heeft verklaard dat hij een mondelinge huurovereenkomst met de veroordeelde had. Hij verhuurde de loods vanaf begin 2018 voor € 1.250,- per kwartaal, welk bedrag door de veroordeelde contant werd betaald.

Op 29 oktober 2019 is de politie binnengetreden in de loods, nadat melding was gedaan van criminele activiteiten in de vorm van het bouwen van kasten ten behoeve van hennepkwekerijen. In de loods zijn diverse hennep gerelateerde goederen aangetroffen, waarvan de waarde door de politie in totaal is geschat op € 15.711,63.

De totale huurkosten kunnen worden vastgesteld op € 7.500,-, nu de veroordeelde in ieder geval zes kwartalen heeft gehuurd, van begin 2018 tot 29 oktober 2019.

In de banktransacties van de veroordeelde zijn de bovenstaande uitgaven niet teruggevonden. De bedragen van € 7.500,- en € 15.711,63 zullen gelet op het voorgaande worden betrokken bij het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Ook ten aanzien van deze posten is door de verdediging bepleit dat de vordering gematigd dient te worden, omdat geen rekening is gehouden met een verdeling van de kosten onder anderen met wie de veroordeelde zou hebben samengewerkt. Nu uit het dossier geen aanwijzingen volgen voor een verdeling van deze kosten en de veroordeelde hierover geen verklaring heeft afgelegd, zal de rechtbank de kosten aan de veroordeelde toerekenen.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de aanschaf van de 240 bakken bij Ikea ook aan de veroordeelde kan worden toegerekend. Aangezien de bakken door de broer van de veroordeelde zijn aangeschaft en hij daarna direct is doorgereden naar de loods op de [adres 3] , is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de bakken aan de veroordeelde toebehoren en door hem zijn betaald. De rechtbank zal daarom het bedrag van € 357,60 ook betrekken bij het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Aanschaf en keuringskosten Mercedes AMG, [kenteken 2]

In het strafvonnis van heden is bewezen verklaard dat de veroordeelde een Mercedes AMG heeft witgewassen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de veroordeelde de auto heeft aangeschaft in augustus 2019, terwijl hij niet beschikte over geregistreerde inkomsten of vermogen. Op basis van prijsvergelijking op internet heeft de politie de waarde van een Mercedes AMG uit 2019 geschat op € 40.000,-.

De rechtbank heeft in de strafzaak geoordeeld dat de verklaring van de veroordeelde, dat hij de Mercedes heeft gekocht met de opbrengst van de verkoop van twee schilderijen, niet valt te verifiëren en dus niet aannemelijk is geworden. Dat oordeel is in de ontnemingsprocedure niet anders.

Uit de analyse van de banktransacties van de veroordeelde blijkt dat er geen girale betalingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot de Mercedes. De rechtbank stelt daarom vast dat de betaling van de Mercedes met contant geld is verricht.

Ten aanzien van de keuringskosten van € 100,10 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de uitgaven van € 40.000,- en € 100,10 gelet op het voorgaande als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde aanmerken.

Aanschaf bij Horecacentrum Brabant

Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat de veroordeelde op 7 juni 2021 aankopen heeft gedaan bij Horecacentrum Brabant ter waarde van € 3.865,95.

Uit een afgetapte telefoongesprek van de veroordeelde blijkt dat hij op 7 juni 2021 heeft gesproken met een medewerker van Horecacentrum Brabant, waarbij hij navraag doet naar diverse artikelen. Ook vraagt de veroordeelde of het uitkomt om langs te komen en wanneer hij hoort dat dat kan, zegt de veroordeelde dat de medewerker hem straks ziet verschijnen. Later die dag heeft de veroordeelde wederom een gesprek met een medewerker van Horecacentrum Brabant, waarbij door de veroordeelde wordt gezegd dat hij vanochtend spullen heeft gekocht, waaronder twee kranen, een wasbak en een koelkast. De veroordeelde merkt daarbij op dat dit voor Duitsland is.

Bij navraag is gebleken dat een factuur is opgesteld voor de aankoop van een koelkast, een wasbak en twee kranen op 7 juni 2021. De factuur voor de goederen is gericht aan een restaurant in Duitsland. Verder is gebleken dat een contante aanbetaling ter hoogte van

€ 1.000,- is gedaan op 7 juni 2021. Het restant van het bedrag is giraal betaald door middel van een Duits rekeningnummer.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de tapgesprekken worden vastgesteld dat de veroordeelde op 7 juni 2021 bij Horecacentrum Brabant is geweest en dat hij de contante aanbetaling van € 1.000,- voor de bovengenoemde goederen heeft gedaan.

Uit de factuur en de girale betaling kan de betrokkenheid van de veroordeelde niet worden afgeleid. De rechtbank volgt daarom het subsidiaire standpunt van de verdediging en zal slechts de contante aanbetaling van € 1.000,- aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Contante uitgaven SkyECC

Bij het ontnemingsrapport is een Excel-bestand met SkyECC-gesprekken gevoegd. Dit betreffen van SkyECC-gebruiker [SkyECC-account] , die door de politie aan de veroordeelde wordt toegeschreven. De verdediging heeft niet betwist dat de veroordeelde de gebruiker was van dit SkyECC-account.

Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat uit de SkyECC-gesprekken blijkt dat de veroordeelde in de periode 13 juni 2020 tot 12 februari 2021 voor een bedrag van

€ 216.312,50 aan contante uitgaven heeft verricht.

Ten aanzien van de volgende bedragen heeft de verdediging geen verweer gevoerd en is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat dit contante uitgaven van de veroordeelde betreffen:

€ 3437,50 op 17 augustus 2020 (p. 1 Excel-bestand)

€ 20.000,- op 8 augustus 2020 (p. 2 Excel-bestand)

€ 830,- op 8 augustus 2020 (p. 2 Excel-bestand)

€ 10.000,- op 8 september 2020 (p. 3 Excel-bestand)

€ 23.275,- op 16 november 2020 (p. 3 Excel-bestand)

€ 27.000,- op 16 juni 2020 (p. 4 Excel-bestand)

€ 1.100,- op 25 juni 2020 (p. 6 Excel-bestand)

€ 1.800 op 22 december 2020 (p. 7 Excel-bestand)

De som van de bovenstaande bedragen komt neer op een totaal van € 87.442,50, wat door de rechtbank als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde zal worden aangemerkt.

De overige in het Excel-bestand genoemde bedragen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden betrokken. De raadsvrouw heeft tegen deze bedragen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder andere aangevoerd dat op basis van de gesprekken niet kan worden vastgesteld dat de veroordeelde daadwerkelijk over die geldbedragen beschikte en daarmee betalingen heeft verricht. De rechtbank volgt de raadsvrouw in haar verweer, nu ten aanzien van deze geldbedragen telkens sprake is van een gebrek aan context of van eenzijdige chats waarop de veroordeelde niet heeft gereageerd. Het voorgaande brengt met zich dat de berichten voor meerdere interpretaties vatbaar zijn. Uit de berichten omtrent deze geldbedragen valt niet met een voldoende mate van zekerheid af te leiden dat de veroordeelde daadwerkelijk de door het Openbaar Ministerie gestelde contante uitgaven heeft gedaan.

Eindberekening

Concluderend, betrekt de rechtbank de volgende contante uitgaven (inclusief bankstortingen) bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

28-06-2018 uitgave money transfer, niet via rekening, ad. € 2.136,-

28-06-2018 uitgave money transfer, niet via rekening, ad. € 2.200,-

Contanten bankrekeningen t/m 17-07-2019 € 15.835,70

Huur pand [adres 2] € 10.254,75

Opbouwkosten hennepkwekerij [adres 2] € 6.000,-

29-05-2019 aanschaf 240 bakken bij Ikea € 357,60

Aanschaf hennep gerelateerde inventaris [adres 3] € 15.711,63

Huur pand [adres 3] € 7.500,-

Op/rond 02-08-2019 aanschaf Mercedes AMG, [kenteken 2] € 40.000,-

Keuringskosten Mercedes AMG, [kenteken 2] € 100,10

07-06-2021 aanschaf bij Horecacentrum Brabant € 1.000,-

13-06-2020/12-02-2021 contante uitgaven, bron SkyECC € 87.442,50

Totaal: € 188.538,28

Nu de veroordeelde geen verifieerbare en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor de inkomsten waarmee de bovengenoemde contante uitgaven zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat deze inkomsten slechts afkomstig kunnen zijn uit strafbare feiten.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 188.538,28.

5. De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank constateert dat, net als in de strafzaak, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf. De ontnemingszaak en de strafzaak zijn gelijktijdig behandeld, waardoor de rechtbank in deze zaak zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 188.538,28.

De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.

Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 188.538,28, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 1.080 dagen, nu dat het maximum vast te stellen aantal dagen gijzeling betreft. De rechtbank gaat daarbij uit van de (gedeeltelijke) pleegperiode van vóór 25 juli 2020.

6. Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 188.538,28;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 188.538,28 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.L. Harmsen, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. M.S. Verboom, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.L. Harmsen
  • mr. R. Wieringa
  • mr. M.S. Verboom

Griffier

  • mr. R. Claessens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?