ECLI:NL:RBDHA:2026:9665

ECLI:NL:RBDHA:2026:9665

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer NL24.9445
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

terugkeerbesluit; derdelander Oekraïne; ongegrond; PKV toegewezen.

Uitspraak

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 29 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2002 en heeft de Algerijnse nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het vervangende besluit van 29 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na het beëindigen van de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 of nadat uitspraak is gedaan op het beroep Nederland moet verlaten.

4. Eiser is het niet eens met het vervangende terugkeerbesluit. Hij stelt dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, omdat zijn tijdelijke bescherming volgens verweerder pas op 5 september 2025 eindigt. Daarnaast kan in die zaken waarin een asielaanvraag loopt, geen terugkeerbesluit worden opgelegd. Hierbij wordt verwezen naar het arrest [arrest] . Ook stelt eiser dat derdelanders en Oekraïners jarenlang gelijk zijn behandeld, waardoor volgens hem gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat deze gelijke behandeling zou worden voortgezet. Daarnaast voert hij aan dat de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Door beide groepen jarenlang gelijk te behandelen is een impliciete toezegging gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Ook kan de toezegging worden afgeleid uit de brief van verweerder van 22 maart 2022. Volgens eiser zijn lidstaten niet bevoegd om tijdelijke bescherming zelfstandig te beëindigen en had een individuele belangenafweging moeten plaatsvinden. Daarom is het terugkeerbesluit volgens eiser onrechtmatig. Tot slot voert eiser aan er geen reden bestaat voor de SIS (Schengen Informatie Systeem)-signalering. Als eiser ervoor kiest de EU niet te verlaten, zal de SIS-signalering tegen hem kunnen worden gebruikt.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het vervangende terugkeerbesluit rechtmatig is. Volgens verweerder is daarbij geen sprake van strijd met de Terugkeerrichtlijn, het vertrouwensbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Eiser had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

7. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het vervangende besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.

8. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken. De stelling dat sprake is van een impliciete toezegging wordt niet gevolgd, nu zoals hiervoor overwogen, geen sprake is van gelijke gevallen.

9. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EU) 2018/1860 voeren de lidstaten een signalering voor terugkeer in voor een derdelander aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd. Het doel is na te gaan of aan de terugkeerverplichting wordt voldaan en om de uitvoering van dat besluit te ondersteunen. Afwijking is alleen mogelijk in de in het tweede en derde lid van het artikel genoemde gevallen, zoals wanneer het terugkeerbesluit nog niet uitvoerbaar is of een vrijwillige vertrektermijn loopt, dan wel wanneer signalering gelet op de verordeningseisen onevenredig zou zijn. Eiser heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat zich een van die uitzonderingen voordoet. Nu het terugkeerbesluit in stand blijft, was verweerder gehouden de bijbehorende signalering in te voeren.

10. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak [naam 3] .

11. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.

12. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ongegrond;

 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 20 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. M. Gasi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?