Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/255407-25
Datum uitspraak: 23 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 januari 2026 (pro forma) en 9 april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I.G.M. Oostrom, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.N. Rensen, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 29 september 2025 te Wateringen, gemeente Westland, althansin Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [aangever] ,van het leven te beroven, die [aangever] met een mes, althans een scherp en/ofpuntig voorwerp, in de borst, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl deuitvoering van datvoorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 september 2025 te Wateringen, gemeente Westland, althansin Nederland, aan een ander, te weten [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [aangever] in de borst, althans het lichaam te steken;
2hij in of omstreeks de periode van 9 september 2025 tot en met 29 september 2025te Wateringen, gemeente Westland, althans in Nederlandalthans in Nederland,wederrechtelijkstelselmatigopzettelijkinbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] ,door- veelvuldig te bellen naar die [aangeefster] , en/of- veelvuldig berichten te sturen naar de [aangeefster] en/of haar man, te weten [aangever] , en/of- bestellingen te plaatsen op naam van die [aangever] , en/of- te verschijnen bij de woning van die [aangeefster] en/of [aangever] , en/of- die [aangeefster] te volgen naar verschillende plekken zoals de winkel en/of de school van haar kinderen,met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde poging tot doodslag en van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde en partiële vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
Standpunten van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot moord, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood. Hiertoe is, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat uit de aard van het letsel geen aanmerkelijke kans op de dood kan worden afgeleid en dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte het slachtoffer met fatale gevolgen heeft kunnen raken.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot moord. Niet is gebleken dat de verdachte met de vereiste voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat maakt dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (de impliciet subsidiair tenlastegelegde) poging tot doodslag. In dat verband stelt de rechtbank op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De vrouw van de aangever, de ex-vriendin/minnares van de verdachte (hierna: de ex-vriendin), heeft op 17 september 2025 aangifte gedaan tegen de verdachte van belaging. In dat kader zijn met de verdachte (onder meer) stopgesprekken gevoerd. Op 29 september 2025 was de verdachte, met een mes op zak, in het Hofpark in Wateringen aanwezig. Hij werd daar opgemerkt door zijn ex-vriendin. De aangever is achter de verdachte aangelopen het Hofpark in. Hij wilde dat de verdachte bleef staan tot de politie ter plaatse kwam. Omdat de verdachte niet wilde blijven staan, heeft hij de verdachte bij zijn arm gepakt, waarna hij voelde dat hij door de verdachte met een scherp voorwerp (hij dacht een ijzeren satéprikker) in zijn borstkas werd gestoken. De aangever bleek daarna een steekwond aan de linkerzijde van zijn borstkas te hebben. De verdachte heeft vervolgens, kort na het steekincident, het mes in het water gegooid en een collega gebeld aan wie hij vertelde dat hij op de vlucht was voor de politie omdat hij iemand had neergestoken.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte de aangever met een mes heeft gestoken. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij met het mes geen stekende beweging heeft gemaakt en dat de aangever in een draai, terwijl de verdachte weg probeerde te lopen en de aangever hem bleef vasthouden en met hem is meegedraaid, zelf in het mes is gelopen, acht de rechtbank deze verklaring - gelet op voorgaande feiten en omstandigheden - niet aannemelijk geworden.
Als gevolg van de messteek heeft de aangever een steekwond links in de borstkas opgelopen met bloed in de borstholte en achter de long. Er was een vermoeden van inwendig bloedverlies en er is een drain ingebracht in de borstholte om het bloed te ontlasten. Hij is één nacht in het ziekenhuis opgenomen ter observatie.
(Voorwaardelijk) opzet
De rechtbank overweegt dat het strafdossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat de verdachte vol opzet had op de dood van de aangever. Voorwaardelijk opzet op dat gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Door in een worsteling om los te komen met een mes, naar zeggen van de verdachte een koksmes van ongeveer 20 cm, in de romp en meer in het bijzonder de borstkas te steken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een reële, niet onwaarschijnlijke, mogelijkheid dat het mes vitale organen van de aangever zou raken, waardoor de dood zou kunnen intreden. Dit oordeel is gebaseerd op algemene ervaringsregels, zodat ook de verdachte wetenschap moet hebben gehad van deze aanmerkelijke kans. Daarom acht de rechtbank de enkele omstandigheid dat het bestaan van deze kans niet expliciet is omschreven in een medische- of geneeskundige verklaring onvoldoende om te komen tot een andere conclusie.
Het handelen van de verdachte, waarbij hij uit zijn binnenzak het meegenomen mes heeft gepakt en vervolgens de aangever in de linkerzijde van de borstkas heeft gestoken, was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van (potentieel) dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood willens en wetens heeft aanvaard.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedraging bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangever met de messteek dodelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2
Standpunten van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat enkel een bewezenverklaring kan volgen voor het veelvuldig sturen van berichten vanaf 25 september 2025. Hiertoe is aangevoerd dat er voor die datum wederkerig contact tussen de verdachte en aangeefster was, zodat geen sprake is van wederrechtelijkheid en ook dat de stelselmatigheid niet kan worden vastgesteld. Voor de overige tenlastegelegde gedragingen ontbreekt wettig en overtuigend bewijs. Subsidiair kan een bewezenverklaring volgen voor de periode vanaf 19 september 2025, omdat de politie toen een stopgesprek met de verdachte heeft gevoerd.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zoals bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van belang is de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
In de periode van 13 september 2025 tot en met 29 september 2025 heeft de verdachte veelvuldig berichten naar de aangeefster (de bij feit 1 genoemde ex-vriendin) gestuurd en heeft hij haar veelvuldig gebeld. Ook verscheen hij bij de school van de kinderen van de aangeefster of bij winkels waar aangeefster op dat moment was. Daarnaast is de verdachte bij de woning van de aangeefster en haar man (de aangever bij feit 1) verschenen. De verdachte heeft erkend veelvuldig berichten te hebben gestuurd naar de aangeefster, zelfs nadat hem duidelijk was dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Dit was in ieder geval zo vanaf 13 september 2025, toen de aangeefster in aanwezigheid van haar ouders een stopgesprek met de verdachte heeft gevoerd. Dit wordt ook niet door de verdachte betwist.
De verdachte heeft echter ook verklaard dat er in de periode tot 25 september 2025 sprake was van wederkerig contact tussen hem en de aangeefster. Door de verdediging zijn screenshots aangeleverd waaruit blijkt dat er inderdaad ook door de aangeefster contact is opgenomen met de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het enkele feit dat er momenten zijn aan te wijzen waarop de aangeefster zelf contact met de verdachte heeft opgenomen niet dat daarmee in die periode per definitie geen sprake (meer) was van een stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, mede in aanmerking genomen de aard, ernst en intensiteit van de berichten die de verdachte op niet aflatende wijze naar aangeefster stuurde met het doel wederkerig contact af te dwingen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte tegenover de aangeefster wederrechtelijk heeft gehandeld. De rechtbank is voorts van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Hierbij verwijst de rechtbank in het bijzonder naar de steeds dreigendere inhoud van de berichten, waaruit blijkt dat de verdachte – zelfs na ingrijpen van de politie – op steeds indringendere en in toenemende mate obsessieve manier heeft geprobeerd met de aangeefster in contact te komen terwijl zij herhaaldelijk aan de verdachte te kennen heeft gegeven van zijn toenaderingen niet gediend te zijn. Illustratief in dit opzicht is dat de verdachte bij zijn toenaderingen gebruik heeft gemaakt van maar liefst 42 telefoonnummers.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande de onder feit 2 tenlastegelegde belaging in de periode van 13 september 2025 tot en met 29 september 2025 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1hij op 29 september 2025 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] ,van het leven te beroven, die [aangever] met een mes in de borst heeft gestoken, terwijl deuitvoering van datvoorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2hij in de periode van 13 september 2025 tot en met 29 september 2025in Nederland,wederrechtelijkstelselmatigopzettelijkinbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] ,door- veelvuldig te bellen naar die [aangeefster] , en
- veelvuldig berichten te sturen naar die [aangeefster] , en
- te verschijnen bij de woning van die [aangeefster] en [aangever] , en
- die [aangeefster] te volgen naar verschillende plekken zoals de winkel en de school van haar kinderen,met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen en te dulden.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte
Ten aanzien van feit 1 Noodweer(exces)
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van de poging doodslag moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer(exces). Hiertoe is onder meer aangevoerd dat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen omdat hij werd vastgepakt door de aangever (het slachtoffer) die achter hem aan kwam.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen hij zich mocht verdedigen. De rechtbank acht van belang dat de verdachte zijn ex-vriendin, de vrouw van het slachtoffer, in de betreffende periode belaagde. Zij had in dat verband aangifte tegen hem gedaan en de nodige interventies van de politie leken niet te helpen. Daar komt bij dat de verdachte haar de avond ervoor een bericht stuurde, waarin hij schreef dat hij de volgende ochtend helemaal "los" zou gaan en dat dit geen dreigement was, maar een belofte. De verdachte heeft verklaard dat hij de volgende ochtend in het Hofpark was omdat hij hoopte zijn ex-vriendin in de buurt te zien. Ook de politie was vanwege het voorgaande in de buurt aanwezig. In het licht van deze voorgeschiedenis is het gerechtvaardigd dat het slachtoffer, toen hij in het bijzijn van zijn vrouw de verdachte opmerkte, achter de verdachte aan is gegaan en hem heeft vastgepakt met het doel hem over te dragen aan de politie. Dit laatste vindt ook steun in de eigen verklaring van de verdachte dat het slachtoffer tegen hem zei dat hij de politie zou bellen. De verdachte kan zich gelet op het voorgaande niet met succes op noodweer(exces) beroepen. De verweren worden op dit punt dan ook verworpen.
Putatief noodweer
De raadsvrouw heeft meer subsidiair aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit putatief noodweer. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte, gezien de achtervolging, het inhalen en vastpakken, in de veronderstelling verkeerde dat hij werd aangevallen en niet zou worden losgelaten door het slachtoffer. De verdachte kon redelijkerwijs denken dat verder geweld zou volgen en hij ervoer deze situatie als acuut dreigend.
De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen is overwogen ten aanzien van het beroep op noodweer(exces), dat de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden niet een situatie opleveren waarin de verdachte abusievelijk doch verschoonbaar heeft kunnen menen dat een noodzaak tot verdediging bestond. Ook de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer eerder op de camping waar jij verbleef een keer heeft zien rondlopen, maakt het voorgaande niet anders.
Het verweer wordt verworpen.
Dit betekent dat het bewezenverklaarde feit strafbaar is en dat de verdachte ter zake van dit feit strafbaar is. Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte uitsluiten.
5. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden en dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd die de duur van vier jaren te boven kan gaan. Daarnaast dient aan de verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) te worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelet op de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ook de oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling (de tbs-maatregel) zou disproportioneel zijn, nu er voldoende alternatieven zijn binnen een minder vergaand strafrechtelijk kader.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende ruim twee weken schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Het gaat om een ernstige vorm van belaging, gezien de intensiteit ervan. De verdachte kon niet verkroppen en accepteren dat zij hun relatie beëindigde en voor haar man koos. De verdachte meende recht te hebben op een uitleg en heeft haar onophoudelijk berichten gestuurd, met 42 telefoonnummers en een grote hoeveelheid verschillende simkaarten, om zo contact met haar af te dwingen. De verdachte wist daarbij van geen ophouden en de toon en inhoud van zijn berichten werd steeds wanhopiger en dreigender. Door zo te doen, heeft de verdachte een (vergaande) inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vriendin. Bovendien heeft hij gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij haar. Uit de slachtofferverklaring van zijn ex-vriendin volgt dat de gedragingen van de verdachte een diepe impact op haar hebben gehad en nog steeds hebben. Ze leeft nog steeds in angst en voelt zich niet meer veilig. Daar komt bij dat de ex-vriendin van de verdachte een kwetsbare gezondheid heeft, waardoor de gevolgen van het handelen van de verdachte des te ingrijpender zijn.
De belaging bouwde steeds meer op richting een climax, waarbij de gedragingen van de verdachte op 29 september 2025 tot zijn aanhouding hebben geleid. De verdachte was op die dag naar de woning van zijn ex-vriendin en haar man gegaan, met een mes op zak, naar eigen zeggen om haar nog een keer te zien voordat hij uit het leven zou stappen. Hij heeft haar een afscheidsbrief geschreven en contant geld gepind, welk geld bedoeld zou zijn geweest voor haar en haar kinderen. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat de verdachte haar man in een nabijgelegen park heeft neergestoken. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat hij geen levensbedreigend letsel heeft opgelopen, is een gelukkige omstandigheid die niet het gevolg is van het handelen van de verdachte zelf.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapport d.d. 29 januari 2026, opgemaakt door [naam 1] , GZ-psycholoog en [naam 2] , psychiater. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies d.d. 3 april 2026. De rechtbank zal deze rapporten hierna bespreken.
Pro Justitia rapport
De gedragsdeskundigen stellen vast dat bij de verdachte sprake is van een dermate scheefgegroeide persoonlijkheid dat er in ieder geval sprake is van narcistische trekken. Een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden vastgesteld, maar ook niet geheel worden uitgesloten. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde stond zijn functioneren hevig onder druk waardoor er sprake was van disfunctioneren op het niveau van een persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.
Ten aanzien van de tenlastegelegde belaging adviseren de deskundigen hem dit in verminderde mate toe te rekenen. Zij overwegen hiertoe het volgende.
Betrokkene meende de ideale liefde gevonden te hebben in zijn relatie met zijn ex-vriendin. Het belang hiervan voor hem is vanuit de narcistische kenmerken in zijn persoonlijkheid te verklaren. Het betrof een relatie waar hij ingezogen werd, aangezien hij vanuit zijn narcistische kenmerken de behoefte heeft aan zorgen voor de ander waarmee hij waardering kan krijgen om zijn zelfbeeld hoog te houden. De verdachte heeft vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek veel moeite om zijn gevoelens te bespreken en het accepteren van hulp maakt hem kwetsbaar, hetgeen hij wil voorkomen. Hij weet, terugkijkend, heel goed dat het ontoelaatbaar is wat hij deed en keurt het af, echter wist hij zichzelf hier niet goed in te remmen. Hoewel niet van een persoonlijkheidsstoornis gesproken wordt maar van trekken, kan een stoornis niet worden uitgesloten en bereikten de trekken in aanloop tot het hem ten laste gelegde wel het niveau van een stoornis. Op dat moment was sprake van disfunctioneren op meerdere levensgebieden.
Volgens de deskundigen lijkt er ten aanzien van de tenlastegelegde poging tot moord, althans doodslag een vergelijkbaar proces te hebben plaatsgevonden en is dit duidelijk gerelateerd aan de stalking. Het is hen echter niet geheel duidelijk om welke precieze reden hij zich tot de man van zijn ex-vriendin heeft gericht. Zij onthouden zich op dit punt dan ook van een advies over de toerekenbaarheid.
Het risico op aan belaging gerelateerd geweld wordt ingeschat als hoog en het risico op volharding van de belaging wordt als matig tot hoog ingeschat. Over het recidiverisico voor poging tot moord, althans doodslag kunnen de deskundigen geen uitspraken doen, omdat de verdacht ontkent moedwillig geweld te hebben gebruikt. Indien bewezen, is er onvoldoende zicht gekomen op de beweegredenen van betrokkene. De deskundigen menen dat de kans op recidive van geweld sterk wordt bepaald door de persoonlijkheidsproblematiek en zijn beperkte sociale netwerk. Het recidiverisico op enig geweld in het algemeen kan als matig ingeschat worden.
Conclusie van de deskundigen
Gezien het hoge recidiverisico op stalking-gerelateerd geweld en de matig tot hoge kans op
volharding van de belaging, met daarnaast behandeling die noodzakelijk is
voor de aanwezige problematiek, wordt een tbs-kader geadviseerd. Narcistische persoonlijkheidsproblematiek is doorgaans moeilijk te behandelen, aangezien een behandeling vraagt om het zelfbeeld aan te passen, wat vanwege de aard van de problematiek moeilijk is. Daarnaast bestaat het risico op schijnaanpassing. Desondanks menen de deskundigen dat het kader van een tbs met voorwaarden mogelijk is om het recidiverisico te verlagen.
Reclasseringsadvies
De reclassering heeft geadviseerd over (on)mogelijkheden van een tbs met voorwaarden. Zij stelt voorop dat de bescherming van de maatschappij centraal staat. Gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat betrokkene zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. Met de gedragsdeskundigen acht de reclassering een klinische behandeling aangewezen, waarbij van belang is dat de continuïteit van de behandeling niet in gevaar komt.
Het is niet mogelijk gebleken de noodzakelijke behandeling binnen een dagklinische setting vorm te geven. Hierdoor acht de reclassering een klinische start van de behandeling noodzakelijk. Een ambulante start van de behandeling wordt zowel door de gedragsdeskundigen als de reclassering onverantwoord en ontoereikend geacht.
De reclassering schat het risico op recidive - zonder interventies - als hoog in. Er is bij de verdachte sprake van beperkingen in het cognitief functioneren, van een gebrekkige impulscontrole, van inadequate copingvaardigheden en een gebrek aan emotieregulatie. Daarnaast is de verdachte geneigd om egocentrische- en opportunistische keuzes te maken - waarbij hij geen rekening houdt met de consequenties en gevolgen van zijn eigen handelen - en ontbreekt het de verdachte aan inzicht in de eigen problematiek, waardoor hij de noodzaak voor behandeling onvoldoende inziet. Ondanks dat er op het moment van rapporteren geen sprake is van een partnerrelatie, acht de reclassering het aannemelijk dat de verdachte in de toekomst weer een partnerrelatie zal aangaan en ziet zij niets dat erop wijst dat het binnen een nieuwe partnerrelatie anders zal gaan. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt door de reclassering als hoog ingeschat, mede vanwege het feit dat de verdachte niet openstaat voor een langdurend klinisch behandeltraject. Tot slot kan de reclassering geweldsrecidive niet uitsluiten, mede gelet op de problematiek van de verdachte en het beperkte zicht dat is verkregen op onderliggende motieven ten aanzien van de ten laste gelegde geweldsdelicten.
Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering negatief over een tbs met voorwaarden.
De reclassering adviseert verder om de verdachte bij een veroordeling tot tbs of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, omdat de bij betrokkene vastgestelde problematiek risico’s met zich brengt die naar verwachting nog steeds aanwezig zullen zijn na een eventuele tbs of gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de genoemde rapportages zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank zal deze bevindingen en de daaruit getrokken conclusies dan ook deels overnemen.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het begaan van de belaging bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Zij acht hem ten tijde van het begaan van dit feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar. Ten aanzien van de poging doodslag is geen doorwerking van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis vastgesteld en dat feit kan, naar het oordeel van de rechtbank, volledig aan de verdachte worden toegerekend.
Vastgesteld wordt dat de bewezen belaging een misdrijf betreft als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Dat oordeel is gegrond op de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de aard en ernst van het onder 2 bewezenverklaarde feit, de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapporten en op wat de rechtbank overigens uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken over de persoon en persoonlijkheid van de verdachte. De rechtbank betrekt hierbij dat de verdachte herhaaldelijk en stellig heeft verklaard niet bereid te zijn om mee te werken aan een voorwaarde die een klinische opname inhoudt. Vanuit veiligheidsoogpunt, gezien de uitgebrachte rapportages, acht de rechtbank het echter onverantwoord om het aan de verdachte zelf over de laten of hij hulp inschakelt en hem aldus mogelijk zonder adequate behandeling en begeleiding terug te laten keren in de maatschappij. Hieraan doen de uitgesproken intenties van de verdachte om zelf hulp te zoeken niet af. De rechtbank wijst erop dat volgens de reclassering sprake is van hardnekkige, lang bestaande problematiek die moeilijk bewerkbaar is en dat naar verwachting een intensief, langdurend behandel- en begeleidingstraject nodig zal zijn voor het duurzaam terugbrengen van het herhalingsgevaar. Daarbij wordt ook gewezen op het hoge risico van schijnaanpassing. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van borging van behandeling en de continuïteit daarvan, in aanmerking genomen het hoge herhalingsgevaar, niet of onvoldoende kan worden ondervangen met voorwaarden. Het belang van verpleging van overheidswege is gelet op het voorgaande gegeven.
De rechtbank stelt vast dat het onder 2 bewezenverklaarde feit, belaging, een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. Bij belaging is niet zonder meer gegeven dat sprake is van een geweldsmisdrijf in voormelde zin. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in de gegeven omstandigheden is voldaan aan het criterium van artikel 38e, eerste lid, Sr. Zij acht daarvoor niet alleen de aard van het bewezenverklaarde en de pathologie van de verdachte redengevend, maar kent ook in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat de belaging werd gevolgd door ernstig geweld tegen de man van zijn ex-vriendin, namelijk de bewezenverklaarde poging tot doodslag. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op wat hiervoor is overwogen, meer specifiek de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en rechtspraak in vergelijkbare gevallen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Wat betreft de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf overweegt de rechtbank dat de rechtspraak sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. In dit geval weegt de rechtbank als strafverzwarend mee dat sprake is van een belaging gedurende weliswaar een – relatief – korte periode, maar intensief van aard, in toenemende mate en uitmondend in een poging tot doodslag van de man van zijn ex-vriendin. Verder is wat betreft de belaging sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, wat de rechtbank als strafverminderend meeweegt.
Naar het oordeel van de rechtbank is - alles afwegende - een gevangenisstraf voor de duur van tweeëndertig maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal voorts de ongemaximeerde terbeschikkingstelling gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel 38z Sr
De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevorderde maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr op te leggen. De rechtbank overweegt - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis
(Kamerstukken II 2013/14, 33816, nr. 3) - daartoe dat deze maatregel (als het gaat om het opleggen van deze maatregel in combinatie met een tbs-maatregel) bedoeld is om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen, in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs-maatregel. Nu – zoals hiervoor overwogen – ‘de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen’ niet alleen de reden maar ook de inzet is van de oplegging van een in duur ongemaximeerde tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van de maatregel van 38z Sr. In het geval van een in duur ongemaximeerde tbs met dwangverpleging geldt dat het verlengen van de tbs-maatregel de aangewezen weg is wanneer het recidiverisico ten aanzien van de betrokkene niet voldoende is afgenomen.
6. De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
De aangeefster [aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een vergoeding van geleden immateriële schade ter hoogte van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte heeft de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsvrouw van de verdachte heeft, overeenkomstig haar pleitnota (punt 155-159), verzocht het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen en het smartengeld naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen op ten hoogste € 500,00. De situatie sluit eerder aan bij categorie C van hoofdstuk 17 (tamelijk ernstige belaging) van de Rotterdamse schaal.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit. Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en rechtspraak in vergelijkbare gevallen. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte van categorie 17b, ernstige belaging. Daarvan is sprake bij een belaging die ernstig is, maar minder lang dan de meest ernstige gevallen. Mede gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 3.000,-. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 3.000,00, aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [aangeefster]
De verdachte zal voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.
7. De vordering van de benadeelde partij [aangever]
De aangever [aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 11.926,34, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.676,34 aan materiële schade en € 10.250,00 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte heeft de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsvrouw heeft zich, overeenkomstig haar pleitnota (punt 137-154), op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering voor zover die ziet op de schadeposten ‘verlies arbeidsvermogen’ en ‘eigen risico ambulancevervoer.’ De schadepost ‘telefoon’ dient te worden afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband tussen de schade en het tenlastegelegde. De schadepost ‘kledingschade’ is onvoldoende onderbouwd. De gevorderde immateriële schade dient aanzienlijk te worden gematigd en kan worden toegewezen tot een bedrag van ten hoogste € 1.100,00.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd.
Wat betreft de schadepost ‘aanschaf vervangende telefoon’ overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de verdachte, nadat hij de benadeelde partij had neergestoken, onder bedreiging van het mes zijn telefoon heeft afgenomen en deze later in het water heeft gegooid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan eveneens worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit, heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en rechtspraak in vergelijkbare gevallen. De rechtbank zal op basis van de beschikbare medische informatie aansluiting zoeken bij de bandbreedte van categorie 4d, minder ernstig borstletsel. De rechtbank ziet geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de categorie licht letsel uit hoofdstuk 13, zoals door de raadsvrouw verzocht. Gelet ook op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op het minimum van die categorie, te weten een bedrag van € 8.500,-. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in het licht van de betwisting door de verdediging onvoldoende feiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat (ook) sprake is van immateriële schade op andere grondslag dan lichamelijk letsel. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 10.176,34, bestaande uit € 1.676,34 aan materiële schade en € 8.500,00 aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [aangever]
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.176,34, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 37a, 37b, 45, 57, 285b en 287 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
poging tot doodslag;
ten aanzien van feit 2:
belaging;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 32 (TWEEËNDERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.000,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.
Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
de vordering van de benadeelde partij [aangever] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.176,34 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 10.176,34, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck – van Drempt, voorzitter,
mr. R.P. van der Weide, rechter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.