ECLI:NL:RBDHA:2026:9673

ECLI:NL:RBDHA:2026:9673

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer NL26.20633
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Vervolgberoep gegrond. Op het moment dat de huidige bewaringsmaatregel werd opgelegd, verbleef eiser al 154 dagen in bewaring. Dit heeft tot gevolg dat 26 dagen na oplegging van de huidige bewaringsmaatregel de termijn van zes maanden was bereikt en dat verweerder daarom een verlengingsbesluit had moeten nemen. Nu er geen verlengingsbesluit is genomen en die dus ook niet al kan worden ingelezen in de maatregel, is het voortduren van de bewaringsmaatregel onrechtmatig geworden vanaf het moment dat de termijn van zes maanden is bereikt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20633

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder gereageerd op hetgeen eiser heeft aangevoerd in de beroepsgronden.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 20 april 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1963.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 maart 2026 (in de zaak NL26.9580) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 3 maart 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

Het arrest Aroja

4. Eiser stelt zich, onder verwijzing naar het arrest Aroja, op het standpunt dat, in het geval blijkt dat eiser meer dan zes maanden in bewaring heeft doorgebracht, niet op tijd een verlengingsbesluit is genomen.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder in het verweerschrift heeft toegelicht dat eiser op 18 februari 2026 in bewaring is gesteld ter effectuering van het terugkeerbesluit van 19 maart 2018 en dat eiser om diezelfde reden eerder (van 14 januari 2020 tot 15 juni 2020) in bewaring heeft verbleven. Op het moment dat de huidige bewaringsmaatregel werd opgelegd, verbleef eiser dus al 154 dagen in bewaring. Dit heeft tot gevolg dat 26 dagen na oplegging van de huidige bewaringsmaatregel de termijn van zes maanden was bereikt en dat verweerder daarom een verlengingsbesluit had moeten nemen op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000. Er is echter geen formeel verlengingsbesluit genomen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een verlengingsbesluit niet kan worden ingelezen in de bewaringsmaatregel van 18 februari 2026, al gelet op het tijdsverloop van nog bijna een maand tot het verstrijken van die zes maanden en op de actuele (belangen)afweging en beoordeling die op dat moment in verband met de verlenging van de maatregel had moeten plaatsvinden. Nu er geen verlengingsbesluit is genomen en die dus ook niet al kan worden ingelezen in de maatregel van 18 februari 2026, is het voortduren van de bewaringsmaatregel onrechtmatig geworden vanaf het moment dat de termijn van zes maanden is bereikt. Dat was op 15 maart 2026 het geval (uitgaande van 18 februari 2026 als 155ste bewaringsdag), wat betekent dat de maatregel per 16 maart 2026 onrechtmatig is. Het beroep is dus gegrond.

Periode van 3 maart 2026 tot 16 maart 2026

6. De rechtbank zal verder toetsen of de bewaringsmaatregel rechtmatig was in de periode sinds het moment van het sluiten van het vorige onderzoek (3 maart 2026) en de periode tot het moment waarop de zes maanden verstreken en het verlengingsbesluit had moeten worden genomen (16 maart 2026).

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat de lp-aanvraag al loopt vanaf 16 januari 2025. Kennelijk is in het verleden al een lp afgegeven, zo blijkt uit het vertrekgesprek van 24 maart 2026. Verweerder heeft echter pas op 4 april 2026 op dossierniveau gerappelleerd. Eiser voert verder aan dat er in zijn geval geen zicht op uitzetting bestaat. Eisers nationaliteit is immers al op 10 april 2019 bevestigd en er is eerder al een lp afgegeven. Gelet hierop is niet duidelijk waarom er nu aanvullende onderzoeken dienen te worden gedaan. Eiser voert tot slot aan dat verweerder had moeten volstaan met oplegging van een lichter middel. Hij kan in afwachting van zijn lp-aanvraag bij een vriend verblijven. Eiser heeft de afgelopen twee jaar al in strafdetentie verbleven en het verblijf in vreemdelingenbewaring valt eiser erg zwaar. Hij ervaart steeds meer stress.

8. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in de te beoordelen periode (van 3 maart 2026 tot 16 maart 2026) niet heeft ontbroken, niet in algemene zin en ook niet in eisers specifieke geval. Voorop staat dat eiser geen (reis)documenten heeft, dus verweerder is voor eisers vertrek naar Algerije afhankelijk van het verstrekken van een lp door de Algerijnse autoriteiten. Hoewel de lp-aanvraag al geruime tijd loopt (sinds 31 december 2024), was er in de te beoordelen periode vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat afgifte van een lp voor eiser niet meer te verwachten viel. Nergens blijkt uit dat dit traject bij de Algerijnse autoriteiten niet meer loopt en verweerder dient in de gelegenheid te worden gesteld om dit af te wachten. Verweerder is voor de voortgang van dat traject afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. Dat er al een nationaliteitsbevestiging uit 2019 is, doet daar niet aan af. Verweerder rappelleert bovendien regelmatig bij de Algerijnse autoriteiten (bijvoorbeeld op 12 maart 2026). Ook voert verweerder regelmatig vertrekgesprekken met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de te beoordelen periode dus ook voldoende voortvarend aan eisers vertrek gewerkt. Wat eiser heeft aangevoerd over (gang van zaken in) de periode ná 16 maart 2026, is niet van belang voor de nu nog te beoordelen periode.

9. De rechtbank is tot slot van oordeel dat uit het dossier geen indicaties blijken dat in de te beoordelen periode had moeten worden volstaan met een lichter middel. De duur van het lp-traject weegt in dat kader onvoldoende zwaar voor een ander oordeel hierover. Eiser heeft ook niet (met bijvoorbeeld medische stukken) onderbouwd dat sprake is van zodanige stressklachten dat de bewaring voor hem (bijvoorbeeld vanwege de duur ervan, toen nog geen maand) onevenredig bezwarend is geworden.

Conclusie

10. Gelet op wat in rechtsoverweging 5 is overwogen, is het beroep gegrond. De maatregel is vanaf 16 maart 2026 onrechtmatig geworden. De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de maatregel.

11. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 38 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 38 x € 120,00 (verblijf in detentiecentrum) = € 4.560,00.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 april 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.H. Broier

Griffier

  • mr. F.A.E. van de Venne

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?