ECLI:NL:RBDHA:2026:9676

ECLI:NL:RBDHA:2026:9676

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer NL26.20097 & NL26.21074
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – terugkeerbesluit – grondslag van de ophouding – termijn van de ophouding – lichter middel – artikel 6:22 van de Awb – proceskostenveroordeling – ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.20097 en NL26.21074

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh)

en

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is geregistreerd onder nummer NL26.21074 en het beroep tegen de maatregel van bewaring onder nummer NL26.20097. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1983 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Over bestreden besluit 1 (terugkeerbesluit)

Procedureel rechtmatig verblijf wegens EU-rechtelijke aanvraag

2. Eiser voert aan dat hij familie heeft in Nederland, te weten een grootvader en een neef, en dat op 7 april 2026 een aanvraag toetsing aan het EU-recht is ingediend. Eiser heeft hangende die procedure procedureel rechtmatig verblijf, zodat het terugkeerbesluit onrechtmatig is.

3. De rechtbank overweegt dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat op 7 april 2026 een aanvraag toetsing aan het EU-recht is ingediend. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een dergelijke aanvraag niet voorkomt in zijn systemen. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 13 april 2026 evenmin melding heeft gemaakt van deze aanvraag. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de aanvraag daadwerkelijk is ingediend, zodat geen sprake is van procedureel rechtmatig verblijf. De beroepsgrond slaagt niet.

Rechtmatig verblijf in Spanje

4. Verder voert eiser aan dat hij rechtmatig verblijf heeft in Spanje tot en met 10 oktober 2026, zodat de verplichting om terug te keren naar een land buiten Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland, te weten het door eiser opgegeven land van herkomst, namelijk Marokko, ten onrechte is opgelegd.

5. Uit artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw volgt dat de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis wordt gesteld van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

6. Aan eiser is op 26 februari 2026, nadat hij bij een controle op grond van de Wav werkend is aangetroffen, bevolen zich onmiddellijk te begeven naar de lidstaat van verblijf, te weten Spanje. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij opvolging heeft gegeven aan dit bevel. Daarbij betrekt de rechtbank dat hij wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij zou zijn teruggekeerd en dat hij op 9 april 2026 wederom werkend is aangetroffen bij hetzelfde bedrijf. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser is teruggekeerd naar Spanje. Het terugkeerbesluit is daarom terecht uitgevaardigd.

Gronden van het terugkeerbesluit

7. In het terugkeerbesluit heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland onmiddellijk dient te verlaten, omdat gebleken is dat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden zijn in het terugkeerbesluit vermeld dat eiser:

En als lichte gronden zijn in het terugkeerbesluit vermeld dat eiser:

8. Eiser betwist de zware gronden 3c en 3d en de lichte grond 4f. Hiertoe voert hij aan dat hij is teruggekeerd naar Spanje en daarmee opvolging heeft gegeven aan het bevel zich onmiddellijk te begeven naar de lidstaat van verblijf. Voor zover de AVIM stelt dat hem is meegedeeld dat hij zes maanden niet naar Nederland mocht terugkeren, blijkt dit niet uit het bevel. Ten aanzien van zijn identiteit voert eiser aan dat deze direct is vastgesteld. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 9 april 2026 blijkt immers dat de verbalisant eiser herkende van een eerdere controle op 26 februari 2026. Daarbij heeft eiser geen onduidelijkheid laten bestaan omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Verweerder heeft op basis van eisers eigen verklaringen immers kunnen verifiëren dat hij de betreffende persoon is en dat hij in Spanje verblijfsrecht heeft. Voorts betwist eiser arbeid te hebben verricht. Bovendien ziet het verbod dat volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Wav op het laten verrichten van arbeid en rust de boeteplicht op de werkgever, zodat de lichte grond 4f überhaupt niet op deze wijze aan eiser kan worden tegengeworpen.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond 3i niet heeft betwist. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in ieder geval ook terecht de zware grond 3c aan het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegd, nu in rechtsoverweging 6 is overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser is teruggekeerd naar Spanje. Deze zware gronden 3i en 3c zijn feitelijk juist en kunnen het terugkeerbesluit dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.

Over bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring)

Grondslag van de ophouding

10. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit ten tijde van de staandehouding reeds was vastgesteld. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 9 april 2026 blijkt immers dat de verbalisant eiser herkende van een eerdere controle op 26 februari 2026.

11. Anders dan eiser stelt, heeft de ophouding op een juiste grondslag plaatsgevonden. Eiser had immers geen identificerend document of andere documenten onder zich waaruit zijn identiteit bleek. In zoverre kon zijn identiteit ook niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisant eiser mogelijk herkende van een eerdere controle, doet daar niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.

Termijn van de ophouding

12. Verder voert eiser aan dat sprake is van een onrechtmatige termijnoverschrijding. In het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2026 wordt gesuggereerd dat deze overschrijding het gevolg is van een gesprek tussen eiser en zijn gemachtigde voorafgaand aan het gehoor. Het raadplegen van een gemachtigde is echter een wettelijk recht en maakt onderdeel uit van de standaardprocedure, zodat de daarmee gemoeide tijd niet voor eisers rekening mag komen.

13. De ophouding mag ingevolge artikel 50, tweede lid, van de Vw niet langer dan zes uur duren, waarbij de tijd tussen middernacht en negen uur ‘s morgens niet wordt meegerekend. De termijn van de ophouding vangt aan op het moment dat eiser op een plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Dit volgt uit paragraaf A2/2.5 van de Vc. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat de ophouding van eiser is aangevangen op 9 april 2026 om 11:25 uur. Eiser is op diezelfde dag om 17:44 uur in bewaring gesteld. De maximum duur van zes uur is daarmee overschreden met 19 minuten. Gelet hierop is sprake van een gebrek.

14. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling maakt de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de belangenafweging in het nadeel van eiser uit te vallen. De rechtbank betrekt hierbij dat, gelet op de gronden die zowel aan het terugkeerbesluit als aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, zoals uiteengezet in rechtsoverwegingen 7 tot en met 9 en hierna onder 15, sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast is van belang dat er sprake is van een relatief geringe overschrijding van de maximum duur. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van gehoor dat dit gehoor reeds vóór het verstrijken van de termijn is aangevangen, zodat eiser niet onnodig lang in onzekerheid heeft verkeerd over het eventuele vervolg van zijn vrijheidsbeneming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser door dit gebrek in het voortraject niet in zijn belangen is geschaad. Gelet op het voorgaande maakt dit gebrek niet dat de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank zal dit gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

Maatregel van bewaring

15. De rechtbank stelt vast dat eiser dezelfde gronden heeft aangevoerd tegen de maatregel van bewaring als tegen het terugkeerbesluit. Deze gronden heeft de rechtbank hiervoor reeds beoordeeld. Volstaan wordt met een verwijzing naar hetgeen daarover is overwogen in rechtsoverwegingen 7 tot en met 9. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en daarmee is het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert gegeven.

Lichter middel

16. Verder voert eiser aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van een lichter middel. Hij heeft immers rechtmatig verblijf in Spanje en wenst terug te keren naar Spanje. Ook kan hij weer in bezit komen van zijn reisdocumenten. Gelet hierop had kunnen worden volstaan met een lichter middel.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan zowel het terugkeerbesluit als aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Voorts heeft eiser eerder de gelegenheid gehad om zelfstandig terug te keren naar Spanje, maar daarvan geen gebruik gemaakt. Bovendien beschikt eiser niet over een paspoort waarmee hij zijn terugkeer alsnog zelf kan realiseren. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.

Ambtshalve toets

18. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

19. De beroepen zijn ongegrond. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is, wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

20. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bbp voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. P. Lukanika

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?