[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026.
Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is door de griffier van de rechtbank bij een digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van de rechtbank is het bericht op 19 januari 2026 verzonden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. Tegelijk met het genoemde bericht is eiser per e-mailbericht naar het door hem opgegeven e-mailadres in kennis gesteld van de plaatsing van het genoemde bericht in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. Eiser is aldus tijdig en op juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. Eiser is vanaf 2 augustus 2017 in het kentekenregister geregistreerd als houder van een personenauto van het merk Audi A3 met kenteken [kenteken] (de auto).
2. Op 6 september 2023 om 18:45 is geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg. Naar aanleiding van voormelde controle heeft verweerder met dagtekening 29 januari 2024 aan eiser een naheffingsaanslag van € 1.462,92 opgelegd over het tijdvak 25 november 2022 tot en met 24 november 2023 (de naheffingsaanslag). Verweerder heeft daarbij een verzuimboete opgelegd van € 731 (de boetebeschikking).
3. Op 5 februari 2024 heeft de rechtbank een beroepschrift van eiser ontvangen tegen de onderhavige naheffingsaanslag.
4. Op 7 maart 2024 heeft eiser bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag/boetebeschikking van 29 januari 2024.
5. Op 12 april 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag/boetebeschikking ongegrond verklaard.
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd.
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag niet naar het juiste bedrag is opgelegd.
8. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het beroepschrift is volgens verweerder voortijdig ingediend, omdat ten tijde van het indienen van het beroepschrift er nog geen bezwaar was ingesteld. Eiser heeft vervolgens geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 12 april 2024. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd.
9. In artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, voor zover hier relevant, neergelegd dat alvorens beroep kan worden ingesteld, bezwaar moet worden gemaakt. Op de datum waarop eiser beroep heeft ingesteld (5 februari 2024) tegen de naheffingsaanslag, was door verweerder nog geen uitspraak gedaan op het bezwaar van eiser. Eiser had op dat moment zelfs nog geen bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag bij verweerder ingediend. Dit betekent dat het beroepschrift in beginsel te vroeg (prematuur) is ingediend. Het prematuur verklaren van een beroepschrift blijft achterwege als de uitspraak op bezwaar al tot stand was gekomen of de indiener redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak op bezwaar reeds tot stand was. In onderhavige zaak is dit niet gebleken nu eiser, nadat hij in beroep was gegaan bij de rechtbank, alsnog op 7 maart 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Hieruit concludeert de rechtbank dat eiser (op dat moment) wist hoe de reguliere bezwaarprocedure werkt en zich ervan bewust was dat hij bezwaar moest maken en er dus nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan door verweerder. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft eiser geen beroep ingesteld.
10. Nu eiser eerst de bewaarfase had moeten doorlopen, alvorens beroep in te stellen bij de rechtbank, is het beroep van 5 februari 2024 voortijdig ingediend. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).