[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser heeft op 1 oktober 2024 een opvolgende aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en P. Orougaye als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
Eerdere asielaanvraag
5. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft al eerder, op 5 augustus 2020, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 13 december 2021 afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. In dat besluit is het eerste asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de moord op zijn oudste broer en daarmee samenhangende problemen, heeft de minister niet geloofwaardig geacht. De minister heeft verder geen aanleiding gezien om eiser aan te merken als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en geen aanknopingspunten gezien voor een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria. Dit besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Met deze procedure staat in rechte vast dat het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht.
Huidige asielaanvraag
6. Eiser heeft op 1 oktober 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend, omdat hij
nieuwe documenten heeft die de gestelde politieke activiteiten van zijn broer en de daaruit voorvloeiende persoonlijke problemen onderbouwen. Eiser stelt ook dat deze documenten onderbouwen dat hij bij terugkeer naar Nigeria moet vrezen. Hij heeft deze documenten in januari 2024 gekregen via een familielid in Nigeria. Het gaat om de volgende documenten:
- een originele APC-lidmaatschapsregistratie van de broer [naam] (origineel);
- een originele kennisgeving van aanstelling [werkgever] van [naam] ;
- een originele overlijdensakte en beëdigde verklaring van overlijden van [naam] ;
- een kopie van een Wanted poster; en
- originele UPS-stickers als bewijs van verzending van de documenten uit Nigeria.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. De moord op zijn broer vanwege zijn politieke activiteiten en de daaruit
volgende problemen van eiser
8. De minister vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig, omdat – kortgezegd – de door eiser overgelegde documenten het asielmotief niet onderbouwen en de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten afbreuk doen aan de algehele geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Op grond van het geloofwaardig bevonden motief (te weten identiteit, nationaliteit en herkomst) kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en is niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarom komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw, aldus de minister. De minister heeft de aanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Ook is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
Onderzoek Bureau documenten en vergewisplicht
9. Eiser voert aan dat de minister het asielmotief en de overgelegde documenten summier beoordeelt en zonder nadere toelichting als ongeloofwaardig terzijde schuift. Eiser meent dat de onderzoeksresultaten van Bureau Documenten niet inzichtelijk maken welke punten van de opmaak, verschijningsvorm of afgifte precies afwijken. Zo volgt uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten niet waarom de APC-lidmaatschapsregistratie en de aanstelling [werkgever] (werkgeversverklaring) vals zijn bevonden. Uit de stukken volgt niet helder waarom deze documenten als vals dienen te worden aangemerkt, omdat de minister niet inzichtelijk maakt welke punten van de opmaak, verschijningsvorm of afgifte precies van het beschikbare vergelijkingsmateriaal afwijken.
Ten aanzien van de overlijdensakte, die volgens de verklaring van Bureau Documenten niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven omdat de opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal, voert eiser aan dat de minister eveneens niet inzichtelijk maakt waarom deze documenten terzijde mogen worden gelegd zonder een nadere inhoudelijke en regionale toetsing. Doordat de minister geen nadere feitelijke uitleg geeft over relevante afwijkingen, schendt de minister de motiveringsplicht en is de vergewisplicht niet voldoende gerespecteerd. De enkele verwijzing naar afwijkingen van verschijningsvorm en opmaak is ontoereikend zonder nadere duiding en onderbouwing. Daardoor is het besluit wat betreft de bewijswaardering en motivering onvoldoende zorgvuldig en niet transparant tot stand gekomen.
10. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van de minister op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat echter onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Die situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van Bureau Documenten vragen oproepen, bijvoorbeeld als gemotiveerd betwist is dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Ook heeft eiser geen contra-expertise ingebracht. De enkele stelling van eiser dat niet duidelijk is welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt en welke verschillen met het vergelijkingsmateriaal zijn geconstateerd, is daartoe onvoldoende. De vergewisplicht strekt niet zover dat de minister tot in detail inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusie is gekomen. Daarom hoeft in de verklaring van onderzoek niet te worden opgenomen op welk punt het document afwijkt en welk referentiemateriaal is gebruikt. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de minister nadere invulling dient te geven aan zijn vergewisplicht.
Beoordeling documenten
ACP lidmaatschapsregistratie en aanstelling [werkgever]
12. Eiser voert aan de minister niet heeft gemotiveerd waarom deze twee documenten vals zijn bevonden. De rechtbank overweegt, in aanvulling op hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 11, dat uit het onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat de lidmaatschapsregistratie APC en de aanstelling [werkgever] vals zijn bevonden, omdat de verschijningsvorm en opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen goede verklaring voor dit onderzoeksresultaat heeft gegeven. Aan dit stuk komt kan dan ook niet die waarde toe die eiser hieraan wenst toe te kennen. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat deze documenten het tweede asielmotief, te weten de politieke activiteiten van eisers broer, niet onderbouwen.
Overlijdensakte en beëdigde verklaring (Affidavit of Death)
13. Eiser voert aan dat aan de overlijdensakte van eisers broer een beëdigde verklaring is toegevoegd en dat van deze beëdigde verklaring en de inhoud hiervan geen onafhankelijke en inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. In aanvulling op rechtsoverweging 11 overweegt de rechtbank dat uit het onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat de overlijdensakte niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. De opmaak en afgifte wijken af van het beschikbare referentie- en vergelijkingsmateriaal. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser geen goede verklaring heeft gegeven voor dit onderzoeksresultaat. De beëdigde verklaring kan dan ook niet wegnemen dat de overlijdensakte niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, waardoor hier niet de door eiser gewenste waarde aan kan toekomen.
Wanted poster
14. Eiser voert aan de minister ieder bewijsmiddel dat wordt ingebracht dient de beoordelen op de vraag of het als steunbewijs kan dienen, ook wanneer de absolute authenticiteit niet kan worden vastgesteld. De minister heeft onvoldoende zelfstandig beoordeeld of het document inhoudelijk relevant en plausibel is en heeft te veel gewicht toegekend aan details als datumverschil of spelfouten zonder rekening te houden met de context en praktijk waarin dergelijke stukken in Nigeria plegen te worden afgegeven, en dat een bronverwijzing over ambtelijke fouten in Afrikaanse documenten in redelijkheid niet verlangd kan worden zonder dat de minister daaraan een inhoudelijk onderzoek koppelt. De enkele afwijzing op basis van formalisering en afwezigheid van authenticiteit per kopie is dus onvoldoende, aldus eiser.
15. De rechtbank overweegt dat de minister de Wanted poster, ondanks dat het een kopie is, heeft betrokken bij de beoordeling van eisers asielaanvraag. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat ongeacht of de poster in 2015 of 2016 is uitgebracht, de leeftijd van eiser die genoemd staat op de poster – te weten 16 jaren – niet overeenkomt met de leeftijd van eiser, aangezien eiser in 2015 dan wel 2016 ten minste 25 jaar oud was. Ook heeft de minister het opmerkelijk mogen vinden dat de poster pas een jaar na het incident in 2015 zou zijn uitgebracht en dat de poster meerdere spelfouten bevat. Dat dit volgens eiser vaker voorkomt is onvoldoende om de onduidelijkheid over de poster weg te nemen. De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiser ligt om het standpunt van de minister waar mogelijk te weerleggen. Dat de minister eiser ten onrechte zou hebben verzocht om bronverwijzing over ambtelijke fouten in Afrikaanse documenten volgt de rechtbank dan ook niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze poster niet onderbouwt dat eiser wegens activiteiten van zijn broer in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten.
UPS-verzendbewijs
16. Eiser voert aan dat het feit dat de documenten per internationale koeriersdienst vanuit Nigeria zijn verzonden, wel degelijk een aanwijzing vormen dat deze stukken uit Nigeria komen. De minsister motiveert niet waarom verzending via UPS niet als relevante factor in de authenticiteit en herkomst kan worden beschouwd.
17. De rechtbank overweegt dat de minstier zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het niet gaat om de vraag of de ingebrachte documenten daadwerkelijk uit Nigeria afkomstig zijn, maar dat een verzending vanuit Nigeria nog niet maakt dat de documenten authentiek zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit en refoulement
18. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit van 17 januari 2022 niet volledig gemotiveerd is. De minister heeft geen geactualiseerde en inhoudelijke beoordeling gemaakt van het risico dat eiser loopt op refoulement bij terugkeer naar Nigeria. Eiseres verwijst daarbij naar het arrest Ararat van het Hof van Justitie.
19. De rechtbank overweegt dat eiser op zitting heeft verklaard dat er geen specifieke omstandigheden zijn waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor schending van het non-refoulement beginsel bij terugkeer. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser in dit geval niet duidelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn belangen is geschonden omdat de minister in het bestreden besluit geen inhoudelijke en geactualiseerde beoordeling heeft gemaakt van het risico dat eiser loopt op schending van het non-refoulement beginsel bij terugkeer. De rechtbank overweegt verder dat bovenstaande beoordeling op een later moment alsnog kan plaatsvinden. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat als een in het terugkeerbesluit genoemd land de vreemdeling in de terugkeerprocedure erkent als onderdaan en aan hem reisdocumenten verstrekt, zoals een LP, waardoor er concreet zicht komt op uitzetting, dat een beoordeling van het risico dat de vreemdeling loopt op schending van het non-refoulement beginsel alsnog kan en soms moet plaatsvinden.
Conclusie en gevolgen
20. Gezien het voorgaande slagen de beroepsgronden van eiser niet en bestaat er geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
21. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.